is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen, jrg 13, 1929-1930, no 7, 15-07-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij wenschen Miss Bondfield dat zij voorspoed moge hebben op al haar arbeid en dat de waardigheid en het vertrouwen dat zij rondom zich spreidt moge terugblinken op alle vrouwen, zonder onderscheid van politieke richting".

En van Miss Lawrence wordt gezegd : „Miss Lawrence benoeming tot Minister van den Gezondheidsdienst is eveneens van alle zijden met vreugde begroet. Met de Manchester Guardian zijn ook wij van meening dat men ook haar tot den Ministerraad had moeten toelaten. Haar hoogstaand werk in de laatste regeering, waarin zij scherpe kritiek heeft geoefend op de Gemeentewet, haar lange jaren van ondervinding als een lid en wethouder van den Londenschen gemeenteraad hebben haar grondige kennis van zaken gegeven op het gebied dat zij thans te bewierken heeft. Haar innige wensch om de toestanden te verbeteren van hen die hulp noodig hebben van den gemeentegezondheidsdienst en haar overtuiging dat voor kraambed- en kinderverzorging nog veel moet gedaan worden, verzekert ons een staatsbeleid in voortschrijdende richting".

ALETTA H. JACOBS.

IS EEN VROUWENPARTIJ NOODIG OF GEWENSCHT?

Er worden weer ernstige stemmen vernomen in den laatsten tijd voor de vorming van een politieke vrouwenpartij om aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer en voor de Gemeenteraden deel te nemen. Is dat juist gezien ?

Als wij den uitslag der laatste verkiezing beschouwen, komen wij tot verschillende ontdekkingen. In de eerste plaats, dat alle uitgebrachte stemmen op vrouwen, dat zijn 21193, den kiesdeeler nog niet halen. Op de lijst van den Vrijheidsbond werden 8300 stemmen op Vrouwen uitgebracht; van den Vrijz. Dem. Bond 5846, van de S.D.A.P. 2457, van de Chr. Hist. Unie 2026, van de Dem. Bond 1351 en van die der 7 kleinere partijen 1264.

Nu zou het mogelijk zijn met hard werken en veel geld dit getal op te voeren tot het aantal, benoodigd voor den kiesdeeler. Maar hoe kan men meenen, dat de vrouwen van al deze dertien partijen één candidate vinden, met wier keuze zij zich zouden kunnen vereenigen. En als dit al niet mogelijk is, hoe zouden er dan uit één of zelfs uit geendier groepen een gemeenschappelijke candidate te vinden zijn. Die candidate zou in politieken zin kleurloos moeten zijn; zich alleen moeten interesseeren voor kwesties alleen de vrouw betreffende. Want niet alle vrouwen, die zïch bij geen enkele partij aansluiten, (zijn daarom kleurloos. Zoo zij rechts georiënteerd zijn, zullen zij het voorstemmen van haar vertegenwoordigster b.v. in zake sanctie van crematie, niet goedkeuren en zoo zij links georiënteerd zijn, afkeuren dat haar vertegenwoordigster voorstem b.v. in zake de doodstraf.

Dit zijn nu twee groote kwesties, maar zoo zal er telkens geen verband zijn tusschen de vooruitgeschoven vrouw en degenen, die op haar gestemd hebben.

Er zullen dan ook vele vrouwen, en ik veronderstel de meeste zijn, die het niet durven wagen, ook is haar het denkbeeld sympathiek.

Daarenboven schuilt er nog een ander gevaar in. De stemmen die aan een dergelijke candidate zouden gegeven worden, zullen de verkiezing van een vrouw in partijverband schaden. Het groot aantal vrouwelijke stemmen, dat uitgebracht is zoowel op de lijsten van de Vrijheidsbond, Vrijz. Dem. Bond als op die der Chr. Hist. Unie zal die partijen er toe moeten brengen de vrouwelijke

candidaten op een hooger nummer der lijst te plaatsen, en bij iedere volgende verkiezing in grooter aantal. En wij mogen met voldoening zeggen, dat de gekozenen in het algemeen en die der linksche partijen in het bijzonder, spreken en stemmen in de Staten-Generaal, zoowel als in de gemeenteraden, zooals zij, die een vrouwenpartij willen stichten, het verlangen.

Bedenkt toch ook, dat één lid zonder steun van haar fractie zal zijn als een roepende, naar wie zelfs niet geluisterd zal worden. Zoo is het toch alle eenlingen vergaan. Dat mag men betreuren, maar dat is nu eenmaal zoo.

Hoewel ik zelf tot geen partij behoor en er meerdere zullen zijn, die! om ernstige reden hiertoe niet kunnen besluiten, is toch het denkbeeld, dat door ons hoofdbestuur wordt voorgestaan heel juist, n.1. ga in de partij die U het naaste staat en dwing door Uw groot aantal, dat die partij Uw verlangens moet vervullen, zoowel wat aandrang betreft t.o. van wetgeving als van het vertegenwoordigd worden door meerdere vrouwen.

Amsterdam, 6 Juli 1929. A. H. VAN DER PAAUW.

INT. CONGRES VAN LYCEUMCLUBS.

Het Int. Congres van Lyceumclubs, dat van 27 tot en mei 30 Mei j.1. in het Clubgebouw voor Vrouwen te 's-Gravenhage is gehouden, is in alle opzichten een succes geweest, voor haar, die het hebben voorbereid, voor het Haagcshe Clubgebouw voor de Nederlandsche gastvrijheid en voor het internationale clubleven en het internationalisme. Er heerschte een bijzonder aardige en opgewekte geest onder de afgevaardigden, van wie er 7 uit Londen, 2 uit Berlijn, 1 uit Parijs, 1 uit Florence, 2 uit Zurich, 1 uit Stockholm, 2 uit Sydney, 1 uit Melbourne, 1 uit Hobart, 2 uit Den Haag, 2 uit Amsterdam en 2 uit Nijmegen waren gekomen.

Reeds op den openingsavond in de Van Dijkzaal, die smaakvol was aangekleed en waar een rijkvoorzien buffet door de zorgen van het huishoudelijk comité naast het podium was opgeslagen, bleek het, hoe vriendelijk gestemd de gasten waren ten opzichte van de Haagsche club, de residentie zelf, haar respectieve gastvrouwen en de ontvangst in de hofstad. Er was gedacht aan een entrée van de afgevaardigden in den geest, waarop dit wel in het buitenland geschiedt. Iedere afgevaardigde werd begroet met haar toegezongen volkslied, de Italiaansche bracht den fascistischen groet, die door alle aanwezigen op dezelfde wijze werd beantwoord.

De keurige openingsredevoering, in het Engelsch door Mevr. E. Patijn—de Brauw, de eerepresidente der Club, werd met toejuichingen ontvangen, daarna de gebruikelijke kiek en vervolgens een programma, dat eens niet overladen was en naast aangename afwisseling de noodige gelegenheid tot kennismaking bood. M(ej. Maas Geesteranus had veel dank te oogsten met haar zang, mej. Bijlevelt werd niet minder toegejuicht, na haar pianospel en mej. M. Barendregt moest zelfs na haar voordracht van „Caro mio ben", en „Die Liebe hat gelogen", nog een toegift schenken.

Niet minder voldeden de levende schilderijen, door de dames van de schilderessengroep van de Club met veel gevoel voor stijl voorgesteld en achtereenvolgens een indruk gevend van een Egyptische muurschildering, een Gothische Altaarversiering, een Hollandsch genrestuk, waarvoor men het Lezende Vrouwtje van Vermeer had gekozen, dat een waar succes was, en tenslotte een Rococo schildering naar Watteau.

#