is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1227, 22-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe denken onze

Kindertoeslag

Minister Romme heeft een voorontwerp ingediend voor een wet tot stichting van een Rijkskindertoeslagfonds, waaruit een toeslag op het loon van den man zou betaald worden voor ieder kind, beneden 15 jaar, te beginnen bij het vierde kind.')

De moderne arbeidersbeweging en de sociaal-democraten staan afwijzend tegenover het stelsel van kindertoeslagen. Wij willen eens nagaan waarom en ons afvragen of wij als soc.-dem. vrouwen dit standpunt kunnen delen.

Het socialisme streeft naar een maatschappij, waarin de verdeling der stoffelijke goederen volgens een maatstaf van rechtvaardigheid zal geschieden. Een maatschappij, die niet alleen op politiekgebied het democratisch stelsel huldigt, maar ook op economisch terrein. Naar een klasseloze maatschappij, waar allen gelijke kansen op een deel der beschikbare welvaart zullen hebben.

Hoe vèr staan wij hier van af! De maatschappij, waarin wij leven, is nog volop kapitalistisch en dus vol van onrechtvaardigheid.

De onrechtvaardigheid begint al bij het kind. Alle kinderen worden gelijkelijk naakt geboren. Maar voor het ene kind is kleding en dekking volop aanwezig, het andere kind wacht ontbering. Voor het ene kind staan de deuren van alle scholen open tot aan de volwassenheid toe; het andere kind krijgt een minimum van ontwikkeling. En dit hangt niet van de begaafdheden der kinderen af, maar van het geld in huns vaders beurs.

Als men over de verdeling van de stoffelijke goederen spreekt, dan is er Van rechtvaardigheid voor de vrouw helemaal geen kwestie. Althans zeker niet voor de gehuwde vrouw. Zij is immers voor haar bestaan geheel afhankelijk van de positie van den echtgenoot. Haar taak, de gezinsverzorging, is moeilijker, naarmate de man minder verdient, gemakkelijker naarmate hij meer verdient. De economische positie van de huisvrouw kan niet vergeleken worden met die van enig andere werkende persoon.

Zij is de enige werkende persoon die voor haar werk nooit stoffelijke vergoeding ontvangt.

Een Engelse vrouw heeft een aantal jaren geleden in het parlement eens uitgerekend wat een arbeidersvrouw die een gezin heeft, zou moeten verdienen als ze per uur werd betaald.

„De werkmansvrouw," zeidezij,„werkt tachtig uur in de week en volgens de laagste loonschaal van het ministerie van Arbeid — dertig cent per uur — zou een vrouw ƒ 24 in de week moeten verdienen."

Maar c .iüanks dit werk ontvangt zij alleen het noodzakelijkste levensonderhoud. Want het geld dat ze in handen

vrouwen er over?

krijgt, moet voor het gezin besteed worden. Die levenslange afhankelijkheid van de gehuwde vrouw is op vrouwencongressen en in vrouwenbladen dikwijls besproken. Men heeft wel eens gemeend dat de oplossing zou te vinden zijn door

de instelling van een soort moederloon, dat uitgekeerd zou worden door de staat. De vrouw zou voor ieder kind tot het einde der schooljaren een staatstoelage krijgen, uit een Rijkskinderfonds, dat gefinancierd zou worden uit de directe belastingen. Deze uitkeringen zouden niet aan ,den man maar direct aan de vrouw worden ter hand gesteld. Zo zou de vrouw aldus enigszins onafhankelijk worden van het loon van den man. Men zag in het werk der moeder een taak van maatschappelijke betekenis en meende dat de gemeenschap dus de moeder daarvoor economische vergoeding behoorde te geven.

De Engelse soc.-dem. vrouwen voelden hier ook zeer veel voor. Op een van haar conferenties namen zij hieromtrent een resolutie aan die echter nooit tot enige uitvoering is gekomen.

De kosten hiervan waren zo ongehoord hoog dat er niet aan te denken was, terwijl er ook vele andere bezwaren aan verbonden waren.

Is nu in het ontwerp van minister

Romme de kiem te zien van zulk een staatsmoederloon? De minister zelf zou dit met verontwaardiging ontkennen. Immers, de toeslag wordt uitgekeerd aan den man en niet aan de moeder. Ze wordt eerst bij het vierde kind gegeven. De bedoeling van den katholieken minister is dan ook zeer bepaald steun te verschaffen aan het grote gezin, echter niet alleen steun, maar ook aanmoediging om tot grote gezinnen te komen en het bevolkingscijfer op te voeren. De drijfveer is een katholiek principe. Hier kunnen wij niet warm voor zijn. Waarom de bevolking te vergro¬

ten in ait lana met z n hopeloze werkloosheid?

Jaarlijks neemt onze bevolking toe met meer dan 100.000 individuen. Nederland heeft het maximum van bevolkingstoename van geheel Midden- ea West-Europa.

Maar bovendien, hoe belangrijk de geboortecijfers mogen zijn, veel belangrijker is de wens der vrouwen zelf. De vrouwen zijn het die alle lasten en zorgen te dragen hebben van het grote gezin, haar gezondheid en kracht staan

hierbij vaak op het spel, even goed als het geluk en de gezondheid der kinderen zelf. Wij kunnen niet geloven dat de vrouwen het aanmoedigen van een groot kindertal wenselijk zullen vinden. Wij kunnen wel aannemen, dat de vrouwen in meerderheid dit aanmoedigen van een groot kindertal niet wensen. „Maar", zullen zij wellicht zeggen, „voor de grote gezinnen die er nu eenmaal zijn, is iedere toeslag toch een niet te versmaden voordeel. Er heerst in de meeste van die ge¬

zinnen een noodtoestand. Ook al heeft deze uitkering, die pas bii het vierde

kind begint, met het idee van moederloon niets te maken, waarom zouden we deze gezinnen, voor ieder kind vanaf het vierde, het extraatje van ƒ40 jaarlijks niet gunnen? Wat zijn de bezwaren cr tegen? Het grote bezwaar is, dat de kindertoeslag vast gemaakt wordt aan het loon. Het Rijkskindertoeslagfonds moet gevormd worden door verplichte bijdragen van de werkgevers naar gelang van de som der lonen die ze uitbetalen. Afgezien er van dat het principieel onjuist is de ondernemers te belasten met de kosten van het grote gezin, omdat in ons land reeds een te groot aanbod van axbeidskrachten is, kan deze verplichting een prikkel voor hen zijn om te streven naar loonsverlaging, of vervanging van ouderen door goedkopere jongeren, of rationalisatie, (het meerdere gebruik van machines). Immers, als hij minder loon betaalt, behoeft de ondernemer ook minder uit te keren in het fonds. Het gevaar bestaat dus, dat het stelsel van kindertoeslag de werkgelegenheid weer zal beperken. Men vreest in 't algemeen van dit ontwerp een algemene loondrukkende uitwerking. Wat men dus aan de ene zijde zou geven aan de grote gezinnen, zou aan de andere zijde hun weer worden afgenomen.

Een gevolg zou ook zijn, dat de lonen van ongehuwden en kinderlozen verlaagd zouden worden. En daar de ongehuwden dikwijls inwonende jongeren zijn in het grote gezin, zou dit gezin op deze manier ook weer benadeeld worden. En wat de loonstrijd betreft, deze zou bemoeilijkt worden als de arbeiders voor hetzelfde werk verschillend betaald werden. Zolang het kapitalistische stelsel bestaat en de belangen der werknemers tegenover de belangen der particuliere ondernemers staan, die immers van de winst hunner bedrijven moeten leven, zolang zal loonstrijd noodzakelijk blijven.

„Maar", zal men vragen, „moet er dan niets gedaan worden voor de grote gezinnen, waar de nood inderdaad zeer hoog is gestegen?"

Zeker, maar op een wijze, die geen verband houdt met het loon. De sociaaldemocraten menen, dat de grote gezinnen op allerlei andere wijze kunnen en moeten geholpen worden dan door een premie te geven voor het hoge kindertal, n.1. door algemene maatregelen. Men

zorge voor goede, gezonde woningen, met ruimte voor het aantal kinderen, woningen, die de gemeente beschikbaar stelt, desnoods met toeslag op de huur.

Tal van maatregelen, als uitgebreide moederschapszorg, consultatiebureau's voor moeder en kind, uitbreiding der schoolvoeding, melkvoorziening op de scholen, verlenging van de leerplicht, bestrijding der jeugdwerkloosheid, pensionering van ouden van dagen, kunnen hulp verschaffen aan het grote gezin, behalve dan nog de algemene toeneming van welvaart.

Dit is het standpunt, waarop de moderne arbeidersbeweging staat tc gen-