is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1247, 09-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SEINWACHTER

door Charles Dickens

Een spookgeschiedenis

(i)

„Hallo, hallo!"

Toen hij die woorden hoorde roepen, stond hij bij de deur van zijn seinhuisje met in de hand een seinvlag, opgerold om de korte stok. Iedereen zou begrepen hebben, dat men niet kon twijfelen aan de richting, van waar de stem kwam, maar in plaats van op te kijken naar de top van de scherpe helling, boven zijn hoofd — de trainrails lagen in de diepte — keek hij naar beneden, langs de lijn. Er was iets eigenaardigs in zijn houding, terwijl hij dat deed, hoewel ik niet zou kunnen zeggen wat. Maar ik weet, dat het zonderling genoeg was om mijn aandacht te trekken, zelfs terwijl ik zijn gezicht, dat half in de schaduw was, niet goed kon zien, want hij was beneden in de diepte en ik moest door het scherpe licht van de ondergaande zon mijn hand boven mijn ogen houden, voor ik hem ontdekte.

„Hallo, hallo!"

Nu keerde hij zich om en keek naar boven, waar ik stond.

„Is er ook een pad, waar langs ik beneden kan komen en met u spreken?"

Hij keek naar mij op zonder te antwoorden en ik keek naar beneden zonder mijn losse vraag dadelijk weer te herhalen. Juist op dat ogenblik voelde ik de grond en ook de lucht trillen; eerst licht, toen heviger en ik sprong vlug een paar passen achteruit, alsof die trilling mij naar beneden had kunnen trekken. Toen de stoom, die tot mijn standplaats opsteeg van de sneltrein, die verder door het landschap snelde, opgetrokken was, keek ik weer naar beneden. Daar stond de seinwachter de vlag, die hij daareven had gezwaaid, weer op te rollen.

Toen herhaalde ik mijn vraag. Nadat hij mij met buitengewone aandacht scheen te beschouwen, duidde hij met zijn opgerolde vlag naar een punt op een kleine afstand van waar ik stond. „Prachtig" riep ik, en ik vond werkelijk een ruw zig-zag paadje, dat ik volgde.

Het was een heel steil stenen weggetje, dat bovendien hoe langer hoe glibberiger werd. Ik deed er dus vrij lang over en ik had tijd om na te denken over de zonderlinge, aarzelende wijze, waarmee hij mij het pad had gewezen. Met zijn linkerhand hield hij zijn kin vast, en zijn linkerelleboog rustte op zijn rechterhand. Zijn houding was zo vol verwachting en waakzaamheid, dat ik even stilhield en er mij over verwonderde.

Toen ging ik weer verder naar beneden, en nu ik hem langzamerhand beter kon onderscheiden, zag ik, dat de man een donkere baard en zware wenkbrauwen had; zijn gezicht was vaalbleek. Zijn standplaats was zo eenzaam en triest als ik er nooit een gezien heb. Aan iedere kant een hoge, vochtige stenen muur, die alle uitzicht benam op een klein streepje van de lucht na; aan de ene kant vóór hem zag men de treinrails, die spoedig een bocht maakten en dus geen verder uitzicht gaven en aan de andere kant, vlak bij een onheilspellend rood licht de donkere ingang van een tunnel, 'n somber gezicht. Er kwam zo weinig zonneschijn op deze sombere plek, dat er een atmosfeer van bederf, van dood heerste, en het was er zo koud, dat ik een gevoel had. alsof ik de gewone, natuurlijke wereld verlaten had.

De man bewoog eerst, toen ik zo dicht bij hem was, dat ik hem had kunnen aanraken. En toen zelfs verlieten ziin strakke ogen mij niet, hij ging alleen een stap achteruit en lichtte zijn hand op.

Ik zei, dat 't hier wel een eenzame post leek en dat dit mij opgevallen was, toen ik naar beneden keek. Hij kreeg zeker niet veel bezoekers, en ik hoopte geen onwelkome zeldzaamheid te zijn. Verder vertelde ik hem, dat ik grote belangstelling had voor deze belangrijke verkeerswerken. Ik weet trouwens niet, hoe ik 't precies zei, ik ben niet altijd handig om een gesprek te beginnen, en daarbij*er was iets in dien man, dat mij beangstigde.

Hij wees naar het rode licht in de tunnel.

Hij richtte een zonderlinge blik op het rode licht in de tunnelopening, keek toen rond, of er iets niet in orde was, en zag mij ten slotte weer aan.

' „Voor dat licht moet u zeker ook zorgen, niet waar?" zei ik.

Met gedempte stem antwoordde hij: „Weet u dat niet?"

De monsterachtige gedachte kwam in mij op, toen ik de starende ogen weer ontmoette, dat dit geen mens maar een geest was. Later heb ik wel eens gemeend, dat zijn verstand gestoord was.

Op mijn beurt deed ik een stap achteruit. Maar toen zag ik in zijn ogen iets, dat op vrees leek.

Ik probeerde te glimlachen. ,.U kijkt, of u bang voor mij bent."

„Ik dacht er over", antwoordde hij ,,of ik u wel eens meer gezien heb."

„Waar dan?"

Hij wees naar het rode licht in de tunnel.

„Daar?" zei ik een en al verbazing.

Hij knikte, terwijl hij me aandachtig bleef aankijken.

„Maar beste man, wat zou ik daar te maken hebben? Maar hoe dan ook, ik was daar nooit, daar zou ik 'n eed op kunnen doen."

„Ja, zei hij, „ik geloof, dat 't waar is."

Toen werd zijn houding gewoon, en de mijne ook. Hij beantwoordde mijn opmerkingen rustig in verstandige taal. Of hij veel te doen had? Ja, dat was te zeggen, hij had 'n grote verantwoordelijkheid, hij moest heel nauwkeurig letten op de seinen, op de lichten, op de wissels, maar verder had hij niets te doen. Hij was gewoon aan de lange, eenzame uren. Ook had hij onderwijl een vreemde taal geleerd, al kon hij die natuurlijk niet goed uitspreken. En dan had hij ook 'n beetje aan rekenen en algebra gedaan.

Wat 't nodig om daar altijd te blijven? Kon hij niet op sommige uren naar boven gaan in de zonneschijn?

Dat hing van de omstandigheden af; bij mooi weer deed hij 5t wel eens, maar hij kon op elke tijd van de dag een sein krijgen door z'n electrische bel, en daarom was dat naar boven gaan soms meer onrustig dan prettig. (Wordt vervolgd).