is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 7, 15-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mr. Ina Prins Willekes-Macdonald. De vrouw en de maatschappij. Uitgeverij „Pegasus", Amsterdam. 1939. 113 blz.

INGEZONDEN.

In de inleiding geeft de schrijfster haar bedoeling met dit boekje weer: het leveren van een bijdrage tot de oplossing van het vraagstuk van den vrouwenarbeid, waarbij zij vooral veel waarde eraan hecht te wijzen op de voortdurend ingrijpende veranderingen die in den

loop der historie ook ^ot juist; op uu hebben plaats gehad en „waaruit een duidelijke ontwikkeling valt waar te nemen van gebondenheid naar vrijheid".

De schrijfster heeft haar stof voornamelijk historisch behandeld, hetgeen aan de overzichtelijkheid wel ten goede komt. Zij doet aan de hoofdstukken over ,,De strijd voor het vrouwenkiesrecht", ,,De rechten der vrouw , De Nederlandsche wet", „Bedrijfsarbeid en vakorganisatie", ,,De werkloosheid , "De Soviet-Unie" en „Het fascisme en de vrouw , twee hoofdstukken vooraf gaan, geheel aan de geschiedenis is gewijd: „Historisch overzicht, verschillen tusschen man en vrouw" en „De vrouw in Nederland". Deze twee hoofdstukken, vooral het eerste, dat geschreven is volgens het recept van „wereldgeschiedenis^ voor iedereen van de oudste tijden tot heden , zijn wel wat oppervlakkig. In de andere hoofdstukken weegt dit bezwaar minder en worden vele wetenswaardige dingen kort en duidelijk verteld. O.a. vindt men er een duidelijk overzicht van het kort geleden zoo in het middenpunt der belangstelling staande wetsontwerpRomme op den arbeid der gehuwde vrouw en een bestrijding daarvan met zeer deugdelijke argumenten. Levendig en boeiend wordt telkens in korte trekken het leven van een bijzondere vrouw beschreven — of deze beschrijvingen geheel passen in het historischmaterialistische schema, dat in de eerste hoofdstukken als vanzelfsprekend wordt gebruikt is een andere vraag.

In het laatste hoofdstuk, „Wat is nu onze taak", noemt de schrijfster een groot aantal taken op die voor de vrouw klaar liggen „er is werk genoeg aan den winkel", zoo merkt zij terecht op. Zeer terecht bepaalt zij zich daarbij niet tot den strijd voor de rechten van de vrouw, maar wijst zij er met nadruk op dat de vrouw zich moet bezig houden met de publieke zaak in haar geheel. Op dit oogenblik, aldus is haar conclusie, moeten de vrouwen zich in de eerste plaats wijden aan de bestrijding van het fascisme, dat elke vooruitgang in den weg staat en den oorlog voorbereidt.

H. J. D. Revers.

De werkeloosheid in Nederland en de vrouwelijke arbeidskrachten.

Antwoord

aan Dr. Hulshoff Pol.

De schrijver verwijt mij, dat ik op de hoofdzaak van zijn betoog niet ben ingegaan: voor eventuele verdere discussie over de hoofdzaak geeft hij als eerste conclusie:

„In tijden van langdurige economische depressie met de daardoor ontstane chronische werkeloosheid dienen — uit een sociaal economisch oogpunt — in de bedrijven enz. de nietgezinshoofden, waar zulks mogelijk en wenschelijk is, voor gezinshoofden plaats te maken".

Als hij nu vraagt, of ik het daarmee eens ben, dan antwoord ik: zeer zeker, de beperking tot tijden van depressie mag er gerust bij weg, ook in normale tijden is het de meest gewenste toestand, dat zoveel mogelijk mannen een baantje hebben en dat zoveel mogelijk vrouwen vrijwillig het beroep van huisvrouw uitoefenen.

Zeer ongewenst is daarentegen de tegenwoordige toestand te weten: de mannen werkeloos en op staatskosten onderhouden, de vrouwen — meestal kleine meisjes afgebeuld aan de lopende band en aan reken- en boekhoudmachines.

Welnu, die ongewenste toestand is mede veroorzaakt en wordt nog dagelijks bevorderd door de reactionaire maatregelen tegen de vrouwen van de ministers de Wilde, Slingenberg en Romme, maatregelen, waaraan schr. nog een grote uitbreiding wenst te geven. Door deze maatregelen immers wordt de vrouw tot een goedkoop en gedwee en mitsdien gewild voorwerp van exploitatie gemaakt, en aldus verdringt zij den man, die werkeloos wordt.

De gewenste toestand wordt bevorderd door afschaffing van de ongelijke bezoldiging en onqelijke behandeling van de vrouw, dus door qelijk loon voor gelijke praestatie: hierdoor wordt aan de vrouw recht gedaan en wordt de man bevrijd van oneerlijke concurrentie en

onderkruiperij.

Dit meen ik betoogd te hebben in mijn cntiek, ik kan het niet duidelijker zeggen, dan ik gedaan heb, het komt mij voor, dat het de hoofdzaak betrof.

, -1 Oö ~M r\x T O m \~\Or 1 Q^Q

s~Oravennaye, /.u muv^uv..

J. H. willems.

Discussie voorloopig gesloten. — Red.