is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Nederlandsch-Indische vereeniging voor vrouwenbelangen en gelijk staatsburgerschap, jrg 11, 1939, no 12, 01-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In haar eerste gedichten leeft de vreugdevollen verwachting van dit leven, die zij evenwel niet zal smaken want -hoe het komt weet zij zelf nietmaar haar oogen worden geopend voor het leed van de menschheid. Haar liefde voor de menschen, haar deernismet-allen-die-lijden voeren haar in 1897 tot het socialisme. Een nieuw ideaal rijst voor haar op: . een wereld van liefde en broederschap. Vurig werpt zij zich in de strijd, maar de botsing tusschen ideaal en werkelijkheid wordt een pijnlijke teleurstelling.

Van al deze dingen getuigt zij in de ,,Nieuwe Geboort", die in 1902 verscheen. n

In de bundel „Opwaartsche weigen van 1907 lijkt de verwerkelijking van het ideaal nabijgekomen te zijn, de grondtoon is hier vreugde over de nieuwe maatschappij. Het socialisme is voor haar oneindig veel meer dan een politieke partij, het is voor een geloof, waarvan zij de redding van wereld en menschheid verwacht. En juist daarom is de scheuring in de SDAP in 1909 voor haar zoon ontzettende schok. Haar broeders met wie zij gestreden heeft, komen als vijanden tegenover elkaar te staan, zij zien niet langer de waarheid, maar ieder ziet slechts zijn eigen waarheid. En zij die niet kiezen kan, staat eenzaam en miskend tusschen beide.

Haar groote smart dat het ideaal nu is teruggeweken naar onbereikbare verten spreekt zij uit in „de Vrouw in hei Woud". In haar „gebed aan het Socialisme" stijgt zij uit boven haar smart en ziet zij weer zuiver haar ideaal. Tenslotte komt de bevrijding door een volkomen aanvaarden van de smart: „De boom van groot verdriet". Een nieuwe kracht voelt zij in zich ontstaan „de kracht die in de menschheid nooit komt gerezen dan uit de bitt're spijs van groot verdriet".

De droom van een nieuwe wereld is naar verre verten teruggeweken, en duidelijk ziet zij de betrekkelijkheid van elk menschelijk streven. ^

In „hef feest der gedachtenis" van 1914 ziet zij in een toekomstvisioen hoe toch eenmaal door komende geslachten het ideaal zal worden bereikt.

In „Verzonken grenzen" van 1918 staat zij voor het mysterie van leven en dood, de grens tusschen beide is

verzonken. Zij wint de zekerheid dat de dood geen donker einde kan zijn, maar een nieuw begin, daar de macht deT liefde sterker is dan hij. Deze liefde verheerlijkt zij en zoo keert zij zich weer tot de wereld, die zij nu beziet van uit een ontij delijker licht.

De meeste gedichten in ,.Tusschen twee Werelden" hebben betrekking op de Russische revolutie - zij ziet hoe de nieuwe wereld niet zuiver is kunnen blijven van oude gedachten, maar ondanks de ontgoocheling bewaart zij haar vertrouwen in de menschheid, ook al weet zij dat zijzelf „de lichtende vrede" niet zien zal.

In „Verworvenheden" belijdt zij haar ervaring van het diepe geheim dat ziel en wereld één zijn. Het weten dat de dood wacht „als een stille baai en altijd veilige haven" geeft haar „tot doen en tot dragen kracht". En veel is voor haar in deze wereld te dragen, waarvan zij de hardheid en liefdeloosheid, dus ontreddering in alle kringen ziet

toenemen.

Zij zegt in ,.de krisis der Wesferscne cultuur" dat „broederschap, harmonie en vrede enkel bereikbaar zijn wanneer het besef der universeele saamhorigheid en het bovenverstandelijk contact met de cosmische krachten gehandhaafd blijft.

Van deze hooge liefde spreekt zij ook in „Vernieuwingen" van 1929 waarin zij een nieuwe „verworvenheid tot uitdrukking brengt nl. dat ieder mensch en niet de massa -iets van de wereldbevrijdende macht op aarde kan brengen door in volkomen eenvoud zichzelf te bevrijden van zelfzucht, liefdeloosheid en hardheid.

Er is wel een heel groot verschil tusschen deze persoonlijke geestelijke revolutie en de maatschappelijke massa-revolutie, waarvan de dichteres vroeger het heil verwachtte, zooals er e°n groot verschil is tusschen ae Vrouw, die in het feest der gedachtenis de lof zingt van de „purperen haat en haar, die het nu voelt als een persoonlijke schuld, dat zij het vergif der haat vroeger in zooveel harten h~eft

uitgestrooid. , ,,

Met recht heet deze bundel „Vernieuwingen", want hij getuigt van een, nieuwe Christelijk te noemen instelling tegenover het leven. In deze toon werden ook haar „leekespelen geschre-