Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 30. 17 SEPTEMBER. 1898.

VROUWENARBEID

ORGAAN VAN DE VEREENIGING NATIONALE TENTOONSTELLING VAN VROUWENARBEID.

UITGAVE DER AFDEELING „LETTEREN EN WETENSCHAP".

REDACTRICE: JOHANNA W. A. NABER, 26 WILLEMSTRAAT, 'S GRAVENHAGE.

Verschijnt 3 maal per week gedurende Prijs voor de geheele Serie ƒ3.—

den duur der Tentoonstelling. Losse nummers 10 Cent.

INHOUD:

VERZEN DOOR MEJ. E. VAN HARLINGEN TOEN EN NU DOOR J. B. ZWAARDEMAKER-VISSCHER TWEE PORTRETTEN IN DE AFDEELING MAATSCHAPPELIJK WERK DOOR JONKVR. A. VAN HOGENDORP BLOEMENVAK

CONGRES VOOR MOEDERS EN OPVOEDSTERS f

EERSTE DAG f DOOR JOHANNA W. A. NABER

ERRATUM

VERZEN

I.

MIJN VOGEL

Hij zit maar stil in grauwe, enge kooi Mijn kleine, tamme, lente-groene vogel,

Toen hij hier kwam, had hij al geen verlangen Naar vrijheid meer; hij wacht maar mak en stil. Soms zet ik wel het tralie-deurtje open Waaruit hij wegvliegt, even, maar het is Of ruimte hem verschrikt, en als mijn hand Hem opvangt onder 't angstig ommefladdren, Wordt hij pas rustig, als die hem terugbrengt In enge, veilige gevangenis.

— In enge, veilige gevangenis! O, vogelvrij verlangen van mijn ziel Zult ge ook eerst rusten, als 't Rijk van Fantazie Versloten is voor u door Werklijkheid — Als enge kooi ?

II.

JONGE DOODE

Er ruischt een wensch door de dooden-zaal,

Die hooren de bloemen alleen Als getril van een zilveren zielesnaar Beeft 't stil door de ruimte heen.

Het witte laken is recht gespreid,

Het hoogst over 't smalle gezicht,

Dat in marmer-koude eenzaamheid Er onder te slapen ligt.

Toch ruischt er een droom door de dooden-zaal Een wensch, dien de bloeme wel hoort,

En de witte, stil-lichtende manestraal,

Die hem draagt naar de wijdte voort.

III.

IN WINTER-WOUD

O, 't wit tafreel van licht heeft me verblind,

Het blanke schitter-wit der winter-lanen En fietsen, blinkend, die een weg zich banen Als ijz'ren vogels, vliegend met den wind.

Ik voelde zelf me als een winde-kind In luchtig vliegen en een heel blij wanen,

Dat fiets en menschenkind als sneeuwvlok gaan en vind' Zonder zoeken witten hemel.

O 't stille bosch in rijp-dos, warm en zacht, En 't dage-blank in stil geluid van nacht.

De hooge, strenge, koude wintprzon Die 't ruige boomenwit niet smelten kon.

O, 't heerlijk vliegen door de lichte lucht,

Alsof 'k een vogel was, zijn kooi ontvlucht.

E. VAN HARLINGEN (Else van Brabant).

Sluiten