is toegevoegd aan uw favorieten.

De tempel; tijdschrift gewijd aan vrij religieuse stroomingen-vrijzinnige godsdienst, oostersche- en westersche religie, occultisme, spiritisme, theosofie, astrologie, kabbala, vrijmetselarij, anthroposofie, rozekruisers-cosmologie, mystiek, psychical research, wetenschap, architectuur, kunst, religie en wijsbegeerte, jrg 1, 1923, no 5, 15-06-1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

constructie en de plaatsing van onze liefdeorganen tot een vernederende tragiek wordt, al heel spoedig na de feesturen van puur liefdegeluk? Omdat'de mysticus kosmisch-organisch, / dus hiërarchisch voelt, zal juist die vernedering hem pijn doen. Hij draagt een doornenkroon van stekenden spot, die hem des te dieper wondt naarmate hij meer liefde-mensch is. Welke ordening van „maatschappelijke omstandigheden” zou daar iets aan kunnen doen? Ik geef gaarne toe, dat die tragiek maar weinig menschen echt doorgrijpt. Dat komt niét doordat ze ~onreëel” zou zijn, maar doordat zoo weinigen haar durven zien in haar directe, duidelijke werkelijkheid. Haar heelemaal ontkennen kan natuurlijk niemand: zoo hebben de menschen haar „getransponeerd”, verijld en versuikerd om haar duldbaar te maken. Het ortodox-Protestantsche ~zondebesef” b.v. is een moedlooze transpositie van de reëele levenstragiek de zichtbare, de tastbare tot onzichtbare, ontastbare moraalverbeeldingen. Niemand heeft een ~vermorzeld hart”, omdat bij zich echt en direct zoo ~zondig” voelt; het ~vermorzeld hart” voelt heel iets anders, iets veel reëelers dat het niet erkennen durft. Het

~zondebesef” heeft wèl een tragische werkelijkheid tot ondergrond, maar 't is meteen een blinddoek voor een moedloos mensch. Een aan de moderne psychologie welbekend verschijnsel van „psychische vlucht”: zoo vlucht dikwijls ook een zenuwpatiënt naar zijn verbeeldingen, omdat hij die minder erg vindt dan de navrante werkelijkheid.

Doordat de mysticus het aardsche leven ziet, direct zooals het is, en het móeten ervan aanvaardt zonder kunstmatige illusieprikkeling, is hij in staat, wezenlijke levensvragen objectief te stellen en te beantwoorden. Bij voorbeeld de vraag of er een leven is na „dit” leven. Wie die vraag empirisch stelt, stelt haar valsch, onobjectief en krijgt géén antwoord, nóch een bevestigend, nocl\ een ontkennend. Empirische vraagstelling aangaande het leven is het onderzoek van een doodgeborene naar de muzikale waarde van een symphonie. Hoe de mysticus over het ~hiernamaals” denkt, komt later ter sprake. Nü hebben we te beseffen, dat hij alleen zich objectief-sereen oriënteert in vragen aangaande het leven, die in het aardsche leven vreesloos onderdompelde, heel en al.

„OER-GERMAANSCH” GELOOF

door H. G. CANNEGIETER.

I,

Als bijdrage tot het inzicht in de verschillende stroomingen op het gebied van religie en theologie in onzen verwarden en tegenstrijdigen tijd zal het volgende den lezer van De Tempel allicht belangstelling inboezemen.

Het bevat den weerslag van een gesprek, dat ik onlangs had met prof, dr. H. Wirth, die door zijn theorie over den invloed van het „Oer-Germaansche” geloof op de wereldgodsdiensten in sommige kringen bekendheid verworven heeft.

Prof. dr. H. Wirth studeerde te Dtrecht in de Nederlandsche letteren, doch wijl hij zich in verband met zijn proefschrift wilde inwerken in de muziekgeschiedenis, vertrok hij naar Leipzig, waar hij de colleges van Riemann ging volgen.

Daar deed hij de ontdekking, die uitgangspunt voor zijn verderen arbeid zou worden. Zich verdiepend in de muziek-cultuur der

vroege middeleeuwen en zich hierbij bezighoudend met het verschil tusschen de beide kunstvormen, die destijds de muziek beheerschten, zag hij zich geplaatst voor een probleem, dat hem niet losliet.

Wat heeft als essentieele wereldbeschouwing gestaan achter deze beide kunstvormen: de cantus planus der kerk en de rhythmische, polyfonische volksmuziek? Het onderscheid tusschen beide scheen den onderzoeker niet alleen geaccentueerd in den muzikalen grondvorm, maar eveneens in de emblemen, die de muziekinstrumenten vertoonden. Deze emblemen schenen hem een symbool, en om dit symbool te doorvorschen, begon hij een afzonderlijk onderzoek te wijden aan de oud-Germaansche muziekinstrumenten. En steeds meer zich specialiseerend in de stof, die thans zijn aandacht getrokken had, begreep hij, dat folkloristische studie misschien het geheim zou kunnen oplossen, waarnaar hij was gaan zoeken.

En zoo vertrok hij naar Zwitserland, om zich