Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VLiegbeeld van den Steenarend

In den regel volgt er dan al spoedig een courantenberichtje, dat het den kranigen zus en zoo is mogen „gelukken", of dat hij het „buitenkansje" heeft gehad, in dit of dat bosch of aan dit of dat strand een grooten arend neer te vellen.

Ter meerdere glorie van den „kranigen" man wordt dan wijders nog opgegeven, dat de gedoode vogel een gewicht had van zoo- en zoo veel K. G. en eene spanwijdte van zoo en zooveel centimeters, gemeten van vleugelspits tot vleugelspits. Welk een geweldig heldenfeit!

Naïef, maar tevens bedroevend!

Zoo verdwijnen de arenden van West-Europa!

In de meeste gevallen zijn de hier geschoten arenden jonge zeearenden.

Alvorens ze oud genoeg zijn om zich te paren en een horst te bouwen, zwerven ze eenige (minstens drie) jaren, de „ Wanderjahre", ver van hun

geboorteplek rond en komen dan soms ook tot in ons land.

Tijdens deze omzwervingen komen er dan helaas vele om het leven!

Bengt Berg voorspelt, dat, eer we een menschenleeftijd verder zijn, er geen levende zeearenden in West-Europa meer zullen overgebleven zijn!

Voor den steenarend acht hij de kans op voortbestaan iets gunstiger.

Moge toch de tijd nog verre zijn, dat onze prachtige arenden niet meer zullen voorkomen!

En dat de latere menschengeslachten ons zullen verwijten:

„Gij hebt deze dieren, toen ze er nog waren, niet weten te waardeeren en te beschermen en thans is geen macht ter wereld in staat de uitgestorven diersoort het aanzijn te hergeven."

OUD'HOLLANDSCHE WANDELAARS door S. KALFF

DE Duitsche reiziger dr. Sicherer beweerde nog in 1870, dat men in Holland niets wist van de aangename wandeltochten, welke in zijn eigen land zoozeer geliefd waren, inzonderheid bij de jongelingschap.

Daar aanvaardde men in den vacantietijd, met de riemen van den rugzak over den schouder, de bergschoenen aan de voeten en een opgeruimd hart in de borst, met gretigheid in kameraadschappelijk gezelschap de voetreis langs berg en dal, bosch en water, en richtte de marschroute zoodanig in, dat men vóór 't donker in het nachtkwartier was. Het logies behoefde niet te ruim, maar mocht ook niet te kostbaar wezen. W^ant, gelijk een van 's schrijvers landgenooten, de luimige Wilhelm Busch, de kwestie gesteld had:

Froh schlagt das Herz im Reisekittel, Vorausgesetzt, man hat die Mittel.

En die middelen waren bij reizende studenten, in 't algemeen bij jeugdige voetreizigers, vaak niet zoo ruim, of zuinigheid was geboden. Daarom vermeed men ook (schreef Sicherer) de hotels met hunne gegalonneerde portiers, vrijpostige kelners, fooibegeerig personeel en rekeningen met allerlei extra's voor service, bougies, belasting, enz. „Von all diesen kostbaren Firlefanz wollen wir nichts wissen" •—• liet de schrijver één van zijne personen (in Lorelei ) zeggen. Maar dat men in Holland zoo weinig van voetreisjes hoorde, schreef hij in de eerste plaats toe aan het klimaat, des zomers drukkend en dompig; en ook wanneer het er niet warm was, leende de vochtige lucht zich niet tot marscheeren, maar wel tot kouvatten.

Intusschen mocht deze bewering van een buitenlander wel met een korreltje zout genomen worden. Gewandeld werd er in Nederland wel, zelfs over

Sluiten