Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorzomer, niet zeldzaam. Overwintert veel aan de grote riviermonden (slikvogels!) en in de steden (duiven!), vooral aan de zeekant.

donkerder van kleur (het mannetje zelfs blauw-zwart) aan de bovenzijde, konstrastrijker gespikkeld aan de onderzijde en heeft ter weerskanten een zeer opvallende witte wangvlek. Een echte zomervogel, die laat komt en vroeg verdwijnt. Is een heel knap jager (zangvogels, libellen, vlinders, maar ook muizen). Wordt als broedvogel steeds zeldzamer.

Smelleken (Falco columbarius Tunst). Vooral in de trektijden niet zeldzaam in open landschappen. Lijkt in de vlucht een heel klein slechtvalkje, heeft echter een iets slankere bouw. Van boven grijs, van

Torenvalk (Falco tinnunculus L.)

In de vlucht te herkennen aan de slanke vleugels met spitse punt en de lange staart. Rug en vleugels roodbruin met donkere vlekken. Vleugeltoppen veel donkerder. Mannetjes hebben een blauwe staart met aan 't eind een donkere dwarsband, vrouwtjes en jongen hebben een bruine staart met meerdere dwarsbanden (zie de tekening van de biddende torenvalk). Jaagt, door al wiekelende stil te staan, in de lucht. Broedt overal in ons land, in oude kraaien- of eksternesten, op de grond en ook in gebouwen. Vangt op de grond levende dieren, zoals muizen, spitsmuizen, hagedissen en jonge vogels. Ik zag hem op Hoek van Holland naar jonge dwergsterns zoeken. Hij kreeg er geen enkele, omdat hij ze niet zag; er waren er genoeg, maar ze lagen stil en het oog van een roofvogel is op beweging ingesteld. Soms probeert hij vliegende vogels te vangen, wat hem slecht afgaat.

Boomvalk (Falco subbuteo L.) Lijkt in de vlucht wel wat op een torenvalk, maar heeft veel langere en spitsere vleugels, doet zwaluwachtig aan. Is veel

onderen helder roodbruin gespikkeld. Opvallend is zijn zeer kontrastrijke dwarsgebande staart, waar de lichte banden haast wit kunnen zijn. Hij moet een buitengewoon felle jager zijn en schijnt zelfs vogels te slaan, zwaarder dan hij zelf. Komt minder in de steden.

Sperwer (Accipiter nisus L.) In het winterhalfjaar algemeen, ook en vooral in de steden. Is van alle valken te onderscheiden door de stompe vleugels en de dwarsgebande onderzijde. Het mannetje, dat, zoals bij onze roofvogels, kleiner is dan het vrouwtje, is blauw van boven, van onderen vrijwel wit met helder roodbruine dwarsstrepen. Het vrouwtje en de jongen zijn donkerbruin. Broedt vrij zeldzaam, vooral in 't Oosten en Zuiden van ons land. Jaagt op vogels van de grootte van een winterkoning tot de grootte van een lijster, soms op nog grotere. Zijn karakteristieke metode van jagen is: snel en gedekt rondvliegen, langs heggen, tussen bomen door, langs een bosrand of laag over de daken en dan plotseling te voorschijn stuiven. Trekt in eind Oktober en begin November veel door.

VREUGDEN VAN FRIESLAND door Ds. A. L. BROER

FRYSLAN boppe! zegt een bekende Friesche uitdrukking. Friesland bovenaan! 'k Ben geen Fries van geboorte en 'k wil ook niet wagen de eene provincie tegen de andere af te wegen. Maar na een vierjarig verblijf in Friesland is dit gewest mij toch wel zóó lief geworden, dat ik het van ganscher harte een eereplaats onder de landsdeelen van ons territorium geef.

De buitenstaander, die Friesland niet of niet voldoende kent, denkt aan een land van wijde kale velden met hier en daar wat hoeven in 't rond verspreid. Hij weet bij geruchte wat van de beroemde Friesche meren en heeft den naam Gaasterland misschien wel eens hooren noemen als die van een boschrijk oord. Maar verder strekt veler kennis niet en tot verdere kennismaking worden zij niet uit-

Sluiten