is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 9, 1913, no 12, 29-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helft der gevallen eindigde het werk om 12 uur v.m., in 70 gevallen om 4 en in 64 gevallen om 5 uur.

In het algemeen is er bij de werkgevers eene strooming tegen de invoering van den Engelschen Zaterdag, bij de arbeiders eene stroomfng daar vóór waar te nemen. Van de 138 Kamers van koophandel, die inlichtingen zonden, waren 130 tegen invoering van den Engelschen Zaterdag voor mannen, 129 voor kinderen en 126 voor vrouwen. Drie Kamers waren slechts voor de invoering, indien zij geschiedde bij internationale overeenkomst. Alle 28 plaatselijke vakvereenigingscentralen, die zich over dit punt uitspraken, waren vóór de invoering voor mannen, vrouwen en kinderen.

De algemeene strooming tegen den Engelschen Zaterdag, die valt waar te nemen in de antwoorden der patroonsvereenigingen, vindt men in alle 12 bedrijfsgroepen terug. Tegen invoering voor mannen zijn vooral de vereenigingen in de bouwbedrijven (80 tegen en 2 voor), de metaalindustrie (80 tegen en 4 voor), de textielnijverheid (44 tegen en 5 voor) en bewerking van stoffen (42 tegen en 4 voor).

Het verzet tegen de invoering voor kinderen is even groot in de patroonsvereenigingen in de textielnijverheid (44 tegen 5), en bijna even groot in die in de metaalindustrie (71 tegen 5) en de bewerking van stoffen (40 tegen 5), doch belangrijk minder in de bouwbedrijven (55 tegen 4).

Voor de vrouwen zijn de resultaten eenigszins verschillend. Wel is de meerderheid tegen de invoering, maar zij is niet zoo groot.

Van de provinciale arbeidscommissies — waarin zoowel werkgevers als arbeiders zitting hebben — is eene vrij groote meerderheid vóór de invoering van den Engelschen Zaterdag voor vrouwen (68 van de 80 commissies) en kinderen (63 van de 82 commissies), terwijl 34 van de 66 zich uitspraken voor de invoering voor mannen.

Ten slotte volgt nog een overzicht-wan de aangevoerde argumenten.

De Kamers van koophandel achten de bezwaren van economischen, socialen en moreelen aard. Tot de eerste behooren het gebrek aan arbeidskrachten, de verminderde productie, die van eene eventueele invoering het gevolg zou zijn en de daaruit volgende stijging van productiekosten, die weer meebrengen stijging van de kosten van levensonderhoud en verzwakking van de nationale voortbrenging bij haar strijd tegen de buitenlandsche concurrentie. Ook meenen de Kamers, dat men Frankrijk in sociaal opzicht niet met andere landen gelijk kan stellen. Huns inziens is het arbeidsvermogen van den Franschen arbeider niet zoo groot als dat van den Angelsaksischen en zou verkorting van den arbeidsduur de Fransche productie te gronde richten. Bovendien draagt de Zondag in Frankrijk niet hetzelfde karakter als in Engeland, waar hij uitsluitend een rustdag is, waarop alle inrichtingen gesloten zijn en de vrije Zaterdagmiddag voor den arbeider noodzakelijk is. Ten slotte vreezen zij, dat invoering van een wekelijksche vrije middag het bezoek van herbergen zou doen toenemen en daarom zou moeten samengaan met verbod van drankverkoop op Zondag.

Het betrekkelijk gering aantal plaatselijke vakvereenigingscentralen die zich over dit punt uitspraken, is in het algemeen vóór de invoering, omdat zij het familieleven zou bevorderen, minder afmatting ten gevolge zou hebben en de werkloosheid zou verminderen. Nadrukkelijk wordt echter gezegd, dat geen loonsverlaging het gevolg zou mogen zijn.

De vereenigingen van werkgevers voeren in het algemeen dezelfde argumenten aan als de kamers van koophandel. Meer dan deze laatste noemen zij echter redenen, die gelden voor bepaalde industrieën: b.v. het plaatselijk karakter, in verband met marktdagen, seizoenbedrijven (bouwvakken, publieke werken, drukkersbedrijf, waar vooral 's Zaterdags de 's Zondags verschijnende plaatselijke bladen worden gedrukt), continubedrijven, duur van de bewerking (banketbakkerijen). Tegenover enkele vereenigingen die niet tegen invoering uitsluitend voor vrouwen en kinderen zijn, staan de meesten die er wel tegen zijn om het nauwe verband tusschen de verschillende groepen arbeiders in de industrieele ondernemingen. Ten slotte willen enkele de invoering doen samengaan met eene verlenging van den arbeidsduur op de andere dagen.

De werkliedenvereenigingen zijn voor het meerendeel vóór verkorting van den arbeidsduur op Zaterdag. Huns inziens kan alleen daardoor het huiselijk leven geheel tot zijn recht komen. Thans moet de vrouw, die 's Zaterdags moet arbeiden, 's Zondags in haar huishouden werken en inkoopen doen. De man moet vaak een deel van den Zondag besteden aan het schoonmaken en herstellen van zijn gereedschap. Verder zal verkorting van den wekelijkschen arbeidsduur