is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen der Missionarissen van Sparrendaal, jrg 2, 1902, 1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondervroeg, antwoordde zij, dat zij christen was en christen wilde sterven. Nadat men haar zoo wreedaardig gegeeseld had, dat haar gansche lichaam maar eene wonde meer was, werd zij met zwaarden doorstoken en aan een kruis gehecht. Meer dan zes uren lang bleef zij daar hangen en gedurende al dien tijd hield zij niet op hare beulen aan te sporen, om den christen-godsdienst te omhelzen. Eindelijk, gansch uitgeput, zeide zij, met groote moeite ieder woord uitstamelend : ik zou nog langer willen prediken, maar ik kan niet meer; moge God u verlichten! Zij hoorde de bespottingen harer moordenaars niet meer: hare ziel was zegevierend ten hemel opgevaren.

Wonder is het dat deze heldin, voor hare bekeering, zich langen tijd uiterst vijandig tegen onzen heiligen godsdienst getoond had. Zij was slechts overwonnen door de aanhoudende vermaningen van haren broeder. Deze moest eveneens beloond worden omdat hij eene zoo edelmoedige christin aan de Kerk geschonken had. Denzelfden dag als zijne zuster werd hij na kloekmoedig zijn geloof beleden te hebben, met lansen en zwaarden gedood.

Te She-la-woe-se-heoe gaf eene andere vrouw, die sedert acht jaar bekeerd was, even edele bewijzen van dapperheid. De heidenen namen haar met hare geheele familie gevangen, en brachten haar naar de stad Tó-tscheung. Onderweg hield zij niet op hare huisgenooten aan te moedigen en luid te bidden. Door de moordenaars ondervraagd riepen die manhaftigen allen te gelijk uit; christenen zijn wij en christenen blijven wij! Zij werden op staanden voet en met een laatste gebed op de lippen bliezen zij hunnen laatsten adem uit.

Te Woe-kia-ho-toeng eveneens in Toemet, stierf een christen, Joseph Tscheung genaamd, die door zijn ontembaren moed ons aan den H. Laurentius op zijnen rooster doet denken. Voortvarend, maar rechtschapen van inborst was hij, vóór zijne bekeering, de gansche streek door bekend om zijn hevigen haat tegen ons geloof, en maar al te wel had hij zijnen bijnaam van Tijger verdiend. Nadat hij verschillende keeren hevig met onze geloofsleeraars geredetwist had, erkende hij zijne dwalingen, en nauwelijks was hij gedoopt of hij begon met weergaloozen ijver alom te prediken. Hij zou de heele wereld hebben willen bekeeren, en meer dan eens hoorde men hem den wensch uitdrukken van als martelaar te sterven. Hoe zou hij niet verhoord worden ? Zoodra het eerste gerucht over de vervolging bij hem aankwam, verzamelde Joseph zijne heele familie. Nu hebben wij eene allerschoonste gelegenheid om naar den hemel te gaan, zei hij hun. En zich aan hun hoofd stellend ging hij, steeds zijne fiere houding bewarend, zich bij de Boksers aanbieden. Deze meenende dat zij nog met den vreeselijken „tijger” van vroeger te doen hadden, durfden hem niet aanraken.

Welhoe, riep Joseph hun spottend toe, zijn de Shen-ping, soldaten die geesten zijn (zoo noemen zich de Boksers) dan bang voor een eenvoudig christen ! En christenen zijn wij allen ; waarom aarzelt gij dan ? Zijn uwe sabels niet gescherpt ? Of zijt gij slechts zwakke vrouwen ?

Door die bijtende beschimpingen in woede ontstoken sprongen de Boksers op het christen-gezin toe; en om de ouders wreeder te folteren vermoordden zij eerst de kinderen. Zij misten echter hun doel. Joseph bedankte hen voor die overmaat van smarten en uit