is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 32, 1951, no 1, 1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was echter ook een keerzijde. De hoogte van bijdragen en premies leek krap berekend. De afmetingen van de vertrekken waren niet onaannemelijk, maar aangezien vergroting boven het minimum geen extra-steun oplevert, was de kans groot dat zij tevens norm zouden worden. De berekening van bijdrage en premie op grond van de capaciteit van de slaapvertrekken scheen het gevaar in zich te bergen dat opdrachtgever en ontwerper noodgedwongen zich zouden concentreren op deze vertrekken en alle andere ruimten en trouwens de gehele afwerking tot een minimum zouden beperken.

Dit alles was theorie, door redenering uit karakter en inhoud van de regelingen afgeleid. Afgewacht moest worden of de praktijk hieraan inderdaad zou beantwoorden. Nu de regelingen enige tijd van kracht zijn, heeft het dagelijks bestuur van het Instituut inlichtingen ingewonnen bij een klem aantal personen, die geregeld bemoeiing hebben met de toepassing van de regelingen en wel in uiteenlopende gemeenten, grote en middelgrote steden en dorpen in verschillende delen van het tand.

Ook hun opmerkingen kunnen nog maar ten dele op feitelijke ervaring berusten. Maar zij zijn gegrond op de praktijk met de voorafgaande regelingen en op de eerste reacties, die de nieuwe hebben teweeg gebracht.

geven hieronder een samenvatting van de opmerkingen, die ter kennis van het dagelijks bestuur werden gebracht.

I. De meest algemene vraag is of de regelingen bouw van woningen van aanvaardbaar peil mogelijk maken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de grote stad en het platteland.

In de grote stad ziet men, als sterk naar rationalisatie en standaardisatie wordt gestreefd, nog wel een mogelijkheid om tot aannemelijke woningen te komen. Op het platteland met versnipperde bouw ziet men veel geringer kansen in dit opzicht. De vraag werd door een van onze zegslieden gesteld of hieruit geen feitelijke achterstelling van het platteland zal voortkomen en verder of de woningbouw ten plattelande zich niet meer dan juist is in de richting van de middenstandswoning zal verplaatsen.

11. In nauw verband hiermee werd gewezen op de huurregeling. De bedoeling is te komen tot huurprijzen op een peil van 30% boven dat van 1940. De kans is groot dat men kleine verschillen in de exploitatie op de huur zal afwentelen, vooral omdat de bewuste bepaling een ruime interpretatie toelaat. Uit een oogpunt van inkomensbesteding kan dit als een stap in de goede richting worden gezien, maar gegeven de huidige inkomensbesteding van de arbeider, zullen dergelijke huren moeilijk draagbaar zijn. De tendens tot bewoning van arbeiderswoningen door middenstanders zal erdoor worden versterkt.

Vooral bij de premieregeling werd de opmerking gemaakt dat de huren in feite wel boven de 30% zouden komen te liggen. Hier is het bezwaar echter iets minder klemmend.

Ill.Wat de indeling van de woning betreft werd erop gewezen dat het tweede woonvertrek verder in onbruik dreigt te ken. Het extra-woongerief voor vele gezinnen, dat hieraan verbonden is, dreigt dus verloren te gaan.

De afmetingen van de slaapkamers zijn zo, dat er geen extraruimte buiten de bedden en het noodzakelijkste meubilair overschiet. Van vervanging van het tweede woonvertrek door gebruik van een of meer slaapkamers overdag zal dus weinig te recht komen.

Er dreigt verder een ernstig tekort aan bergruimte. De verlaagde kappen, die thans gebruikelijk worden, bevatten geen ruimte op zolder of vliering. Er zal verder worden bezuinigd op kastruimte. Als gevolg van een en ander zullen andere ruimten (slaapkamer, douchecel) voor berging worden gebruikt.

IV. De schaal van de financiële bijstand zou zo zijn, dat het

type met drie slaapkamers het voordeligst uitkomt. Woningen voor kleine gezinnen zouden financieel moeilijker uitvoerbaar

Dit zou de door het Ministerie terecht aanbevolen differentiatie van de woningen overeenkomstig de uiteenlopende grootte van de gezinnen tegengaan.

V. Er dreigt een sterke verarming in de afwerking van de woningen. De volgende punten werden in dit verband naar voren gebracht.

a. De neiging tot het verkleinen van de houtmaten (lijstwerk, plafonds, zolderkamers) doet gevaar ontstaan voor kromtrekken, doorbuigen en dergelijke gebreken.

b. De zeer sobere aftimmering geeft aan de woningen een armelijk cachet.

c. De plafonds worden zo goedkoop mogelijk afgewerkt.

d. De beweegbaarheid van de ramen wordt beperkt, wat aan de ventilatie afbreuk doet.

e. De bezuiniging op hang- en sluitwerk leidt tot gebreken.

f. Er wordt een minimum aan tegels in de woningen aangebracht, wat schade betekent voor een nette bewoning.

g. De toepassing van beitswerk in plaats van schilderwerk op de verdiepingen leidt tot een armelijke indruk.

h. Er wordt bezuinigd op allerlei elementen buiten de woningen (hekken en andere afscheidingen toegangs- en tuinpaden), waardoor het cachet van de woningen schade lijdt.

VI. Het streven tot standaardisatie, ingegeven door economische overwegingen, leidt tot een zekere eentonigheid in het uiterlijk, terwijl te zelfder tijd door het streven tot bezuiniging op de grondkosten het gevaar ontstaat, dat met een grotere bebouwingsdichtheid genoegen moet worden genomen, waardoor het peil van de woonwijken wordt aangetast.

VII. De verminderde bijdrage- en premieregelingen hebben een bedenkelijke uitwerking. De eerste heeft de gemeentebesturen in de sterke verleiding gebracht de kwaliteit van de woningen op te offeren aan de toewijzing. Door de toewijzing van extra-contingenten volgens deze regeling wordt dit gevaar versterkt.

De kansen op toepassing van de verminderde premieregeling worden niet hoog aangeslagen. Gevreesd wordt dat, waar het tot toepassing komt, de huur in hoge mate sluitpost zal zijn.

Wij leggen er de nadruk op dat deze opsomming een voorlopig karakter heeft. Er is te weinig praktijk met de nieuwe regelingen om een volledig gefundeerd oordeel te kunnen uitspreken. Intussen bevat het bovenstaande toch reeds een ernstige waarschuwing dat het effect van de nieuwe financieringsregelingen niet onverdeeld gunstig is.

Het ;grote gevaar schijnt ons dat de woning op alle punten naar het minimum wordt gedrongen. Men kan wellicht op elk van die punten volhouden dat dit minimum niet onaanvaardbaar is, maar als er nergens enige speelruimte is, als de woning in geen enkel opzicht loskomt uit het benepene, kan uit de samenvoeging van toelaatbare maten en wijzen van uitvoering een ontoelaatbaar geheel ontstaan. Het is nog te vroeg voor de woningbouw op grond van de nieuwe financieringsregelingen deze conclusie met stelligheid te trekken, maar de eerste verschijnselen dwingen tot grote waakzaamheid. H. V. d. W.

De Nederlandse woningbouw in buitenlandse spiegel

Een zeer uitvoerig en goed gefundeerd artikel over de Nederlandse na-oorlogse woningbouw is opgenomen in het Belgische tijdschrift Huisvesting van October 1950 onder de titel ~Is Nederland het Mekka der volkshuisvesting” door Franz Liekens. De schrijver heeft Nederland blijkbaar meermalen be-