Geen zoekvraag opgegeven

  • / 4

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23e Jaargang.

Zaterdag 23 Augustus 1013.

No. 34,

DE ARBEIDER.

VRIJ COMMUNISTISCH ORGAAN VOOR GRONINGEN, fRIESLAND EN DRENTHE.

VERSCHIJNT EL KEN ZATEEDAG TE GRONINGEN.

„Wat c5e lucht voor 't lichaam is, dat is de vrijheid voor den geest".

L. M. Hermans,

„Roode Duive!" 2 Sept. 1895.

Abonnementsprijs:

Per drie maanden 40 cent franco per post. Voor het Buitenland per jaar f2.60. Losse no.'s 3 cent. — Nieuwe abonné's worden slechts bij vooruitbetaling aangenomen.

REDACTIE: H. E. KASPEHS, Midlaren (Dr.)

ADMINISTRATIE: Kloosterstraat 12a, Groningen.

Prijs der Advertentiën:

Van 1 tot 5 regels 25 cent; iedere regel meer 4 cent. Bij abonnement van 1000 regels verlaagd tarief. — Arbeidersverenigingen betalen 3 cent per regel.

„Waar leiders zijn, zijn ook schapen. Laat ons voor beiden te hoog staan". u

L. M. Hermans,

„Roode Duivel" 23 Dec. 1895.

Naar Groningen!

Ter meeting

morgen Zondag, op een stuk land achtër het Typografen-gasthuis. Niemand der lezers en lezeressen ontbreke !

Tegen de onafhankelijkheidsleugen. ons protest.

Als de macliiiae arm r«si..

Als de arbeiders hunne handen in de zak houden, als zij ophouden met hun nuttigen arbeid, zit de heele boel spoedig op d'r gat. Met de staking der transportarbeiders en kolendragers, welke de vorige week uitbrak, is dit al weer ten duidelijkste bewezen.

Ongeveer 300 van die arbeiders legden deri arbeid neer, en binnen een paar dagen was de heele boel in de war. In de havens, op het station, d'r werden geen vrachten vervoerd, de voorraden stapelden zich op. Het beroerdste zat de graanhandel er voor. In alle deelen der provincie snorren de dorschmaschines om het graan te scheiden van de halmen en schoon in de zakken te leveren. En van de machines gaat het zoo per as naar de graanschepen om in de beurs te Groningen te worden verhandeld. En Dinsdag en Woensdag kwamen de schepen van alie zijden uit de provincie aan, diep geladen met het kostbare graan. Op de beurs werd het verhandeld, uit de schepen werd het op de kaden gebracht, maar . . . verder kwam het niet. Daar lag het. . . aan weer en wind ten prooi, want om die massa voldoende te beschermen tegen de natuurinvloeden, dat was eene onmogelijkheid. De koopers, de kotntnissionairs, de handelaars, de boeren, alles was in aktie. Maar wat zouden ze ? Paarden zijn er, wagens zijn er, maar... de arbeidsrs hielden de handen in de zak. Wat ligt, dat ligt, en bleef liggen. En opzienbarend is hef, wat deze week plaats had, of liever: niet plaats had. De graanhandel is thans wel het drukst, daar alle dorschmachines aan 't werk zijn. Maar ondanks dat, was de aangeboden hoeveelheid ter beurze zóó gering, dat er géén officieëele beursnoteering is uitgekomen. De boeren wilden het graan niet naar de stad zenden, waar het toch aan bederf onderhevig zou zijn. Zij waren verleden week naar de stad geweest om met de kommissionairs de voeriiedenpatroons op het leer te zitten, maar hoe druk ze zich 't ook maakten, de patroons bleven onwillig en nu hielden de boeren hun graan achter.

't Was ook wel wat al te brutaal, dat de boeren zich mee tot de voerliedenpatroons wendden, en als deze 'n beetje politiek waren geweest, hadden ze gezegd : bind je zelf niaar 'n beetje in, als uw arbeiders in strijd zijn. Als uw arbeiders des voorjaars in staking gaan, dan laat gij uw land maar ten prooi aan het onkruid en het graan er onder verstikken en de „beurs" bederven met minderwaardig goed, om uw arbeiders maar de voet op de nek te zetten. En als uw arbeiders staken in den oogsttijd, dan morst gij uw koren er af met de zichtmachines, zoodat 'n deel van het kostbare graan omkomt op het land, alleen om de arbeiders duchtig te laten gevoelen, dat gij de baas zijt. Maar zij zaten er maar mee,

ze zaten er allen mee, de voerliedenpatroons, de handelaars, de koopers, de boeren.

Hoe rustende arbeidersarmen de boel geheel in de war kunnen brengen, in'n paar dagen tijds.

De staking omvat 'n 300 man. Die 300 veroorzaakten de groote verwarring ....

Als wij door onze hoofdstraten gaan, zie je soms bijna huis aan huis bordjes hangen met het opschrift „Uit de stad", of „Niet tehuis", Zoo'n 4 a 500 van die families het drukke stadsleven verlaten, om ergens genot, ontspanning of rust te vinden.

Heb je er iets van bespeurd ? Van die bourgeois-uitstedigheid ? Geen sikkepitje. Alles draait er even goed, of even slecht om. Laten ze blijven waar ze zijn, alles blijft z'n gewone gang er om gaan. De slager, de banketbakker, de hotelhouder, mogen het kunnen bemerken in hun bedrijf, in het maatschappelijk leven mis je ze nog geen enkele minuut. Daarop is hun leven dan ook nutteloos, totaal nutteloos, dikwijis schadelijk zelfs omdat ze de vooruit-t gang tegenhouden.

Laten de grooten gaan, waar ze willen, allen maar, naar de mokerheide, naar Siberië, naar Groenland of Nova Zembla, 't beteekent bij de voortbrenging en bij de transport niet het minst. Het land kunnen ze immers niet meenemen en de fabrieken niet en de machines niet, de factoren noodig ter verkrijgen van den maatschappelijken rijkdom. De rijken zelf doen er niets mee. Of ze in 't land zijn of in den vreemde, de granen, groenten en vruchten worden er om gekweekt, de machines draaien en snorren er even goed om, in de werkplaatsen gaat in beide gevallen denzelfden gang. Maar... als de arbeiders eens wegtrokken, in den vreemde in massa hun verblijf zochten, de aarde zou hier weldra woest en ledig zijn. Die 300 man in orize stad hebben aan de naaste omgeving weer duidelijk ge toond, wat de arbeid, wat de arbeider waard is. Hij is de voortbrenger van allen rijkdom en beschaving, hij is de onmisbare in het maatschappelijk leven. En hij die den rijkdom voortbrengt, leeft zelf in ellende ; hij, die voor het maatschappelijk leven onmisbaar is, wordt teruggedrongen in de maatschappij, als ware hij 'n overbodig en lastig meubel.

Zoo'n staking is leerzaam, kan voor velen ten minste leerzaam zijn. Als ze maar uit hun oogen keken, als ze maar nadachten als maar het oordeel des onderscheids er was!

D'r was van dezen strijd door velen heel weinig verwacht. Die korensjouwers, die voerlieden - min volkje hoor! Ruw, niet zuinig hoor! Niks ontwikkeld, niks netjes. Geen manieren, niks geschoold, nergens in! Van organisatie wilden ze nimmer wat weten, vergaderingen, sprekers, onze bladen, onze geschriften, ging 't hun wat aan ! Als ze tnaar op tijd hun borrel kunnen krijgen en hun pruim tabak, dan was 't klaar. Wat zou zoo'n stelletje nu kunnen doen, wat zou ze met dezulken uitrichten. En de fatsoenlijke, hoogst beschaafde menschen trokken fijntjes hun neus op. Dat worden zuippartijtjes, meenden ze, en vechtpartijtjes, ruzies met de politie en de naweeën van dien. Niks mee gedaan hoor, laat ze maar een dag uitrazen en 't gaat weer zijn gewone leventje.

Maar dat „ruwe" volkje heeft dan toch tnaar — trots de voorgevoelens van alle nette lui — getoond, dat het staat voor zijn woord ; dat „ruwe" volkje heeft dan toch maar getoond, dat de een op den ander kan vertrouwen. Zelfs de bourgeoispers als de N. Gr. Crt■ en het Dagelijksch blad konden niet nalaten, de houding der

stakers te prijzen.

't Kon er soms knijpen, de vuisten konden soms jeuken, als 'n politiepatser zijn taak als „orde"-bewaarder niet meer begreep en zich niet fatsoenlijk kon gedragen, of als 'n patroon, en hun trawantjes soms een uitdagende houding aannamen, ze zouden hunne vuisten dan toch wel eens een oogenblikje te werk willen stellen, maar zij bedwongen zich, zij hielden zich kaltn, zoodat niemand vat op hen kon krijgen.

Geschoold of niet geschoold in de organisatie, deze stoere mannen begrepen uit zich zelf wel, dat ze in dezen tijd feitelijk geen dag gemist kunnen worden. Om hun dat duidelijk te maken, daarvoor waren geen tiie'oriën, van Marx of wie ook, noodig. Hun arbeid zeide het hun zelf. En ze beloofden elkander, schouder aan schouder te zullen staan, te strijden voor een beter, een menschwaardig bestaan. En ze hebben zich gehouden, ferm, zooals nauwelijks was te verwachten of te hopen.

Als de wil er maar is, als de geest voor de strijd er maar is, de wil en de geest, opborrelende uit de werkers zelf, dart gaat het wel goed. Dan gaat het beter dan met alle orgariisatie-geschreeuw, geredeneer en geconfereer, wanneer alle „geest" er van. buiten ingeblazen en ingestampt moet worden.

Zonder organisatie, dat gaat niet, schreeuwen de volbloed organisatiemannen, in 'n klein bedrijfje op 'n vergeten hoekje op het platteland mag het nog kunnen, maar in de steden, in 't volle wereldverkeer, geen sprake van. Want ze meenen dat de organisatie de grondslag is van den strijd, in plaats van wat zij wezen kan maar desniettegenstaande nog niet altijd is, namelijk een middel tol steun in den strijd. Deze werk lieden gingen onvereenigd den strijd in, ze kregen hulp van het Plaatselijk Arbeids secretariaat, dat gedurende den strijd een organisatie heeft gebracht.

Terwijl wij dit schrijven wordt de positie der patroons voortdurend zwakker, dus dat der stakers sterker. Eerst wilden de patroons van geen conferentie we'en, hun slaven zouden bij hen komen met neergebogen hoofd, zoodat zij ze zouden kunnen verslinden met huid en haar. Maar zij hadden lang te wachten, langer dan zij konden wachten, zij hebben dus wèl met de arbeiders geconfereerd, twee keer zelfs.

Zóó loopt deze strijd niet af, of wij zullen kunnen getuigen : de directe aktie is weer eert probaatmiddel gebleken voor de naar verbetering hakende werkers.

Oranje of rood ? En nog wat.

Zittende te soezen over wat ik alzoo aan de lezers van De Arbeider te vertellen kon hebben, trokken langs mijn Kuis benden van opgeschoten jongens en meiden, groote menschen en kleine kinderen, zingende : „Wilhelmien gaat nooit verloren", en, voor de afwisseling : „Aan u o volk de zegepraal''. En al die achterbuurtjes kwamen me voor den geest, versierd met papier van een halve cent per vel, onsmakelijk, leelijk zelfs, versierd door kinderen, aangevoerd door de grooten, omdat het honderd jaar geleden is, dat Nederland „onafhankelijk'' is geworden. Onafhankelijk, als je de stumpers ziet, dan voel je pas de bittere ironie van het woord, onafhankelijk, en ze tobben en zwoegen, ze zorgen en ontberen, en juichen nog op de koop toe. Ja, er zijn er wel, oisafhankelijken, maar die versieren niet, die zingen niet, die kunnen het absoluut niets schelein, of ze voor honderd

jaar onafhankelijk zijn geworden, of de Franschen of de Duitschers toen zijn weggejaagd ; zij zijn het, en dat is hun genoeg.

Maar ze vinden het heel best, dat de arme sloebers in de achterbuurten zich vermaken en bespottelijk aanstellen, ze vinden het heel goed ; laat die schooiers maar gelooven dat ze onafhankelijk zijn, als ze maar blijven gelooütn, och I wat deert het hen I Zij zullen wel zorgen, dat het niet wordt, tenzij — maar neen daar is nog geen kijk op.

Hebt ge wel eens gehoord van het „roode district", vrinden ? Dat is de buurt, waar steeds socialen gekozen worden, als er gestemd wordt, de vorige keer wel vier tegelijk. Als ge u thans een wandeling getroost door dat district, dat is buiten de Oosterpoort, dan ontwaard ge straat aan straat, buurtje aan buurtje, behangen niet versiering, bedolven onder oranje. En toen in de geheele stad nog niets bekend was van oranjelolletjes, was de Oosterpoort 's avonds al in volle glorie. Het rood is er finaal geslagen, en zoo fanatiek is de oranjebende daar, dat ze, naar mij werd medegedeeld, heel gemoedelijk een aspirant „rood" gemeenteraadslid hebben afgedroogd, die meende aan de eer van het „district" verplicht te zijn te protesteeren. En de kranten spreken van goed geslaagde feestelijkheden, en stoken andere buurten op, de zaak verder te brengen, wat hun met wat draaiorgels en jenever heel aardig gelukt.

Op verschillende plaatsen in onze stad hoor je 's svonds, „Wilhelmus van Nassau we" en „Daar heb je Manus". Neen, 't is oranje en 't blijft oranje, en 't rooie is er heelemaal af. Dat bleek ai bij de verkiezing voor de kamer j.1., toen Eltjo Rugge debuteerde. Als men de aanbeveling las en hein niet kende, zou men werkelijk meenen, dat het een ontwikkeld man was, oud Groninger, een man die er gekomen was door eigen kracht, zooals „partijgenoot" De Vries beweerde in de „Volkskandidaat". Wat zal die gelachen hebben, toen hij dat schreef, 't Zou er spannen, schreven ze, „blijf niet thuis want het zal er spannen".

Nou, het heeft er gespannen, en wat erg. Als Limburg zooveel stemmen minder had gehad als Rugge en Sterringa samen hadden, was hij nog gekozen geweest. De crisis zie je, de crisis I

Wat zal Rugge zich anders lekker en gewichtig hebben gevoeld als candida&t, v/at zal hij illusies hebben gemaakt ; ik Eltjo Rugge, 't orakel van Groningen naar Den Haag.

't Heeft niet zullen zijn, hij haalde een „strop" niet zoo'n kleine.

Nou doet hij weer gewoon in arbeidersbeweging, en wat zijn hand vindt om te doen. Dat dit soms niet veel bijzonders i3, bleek verleden week.

Misschien elders in dit blad, reeds vermeld, en anders verneemt ge het hier, dat in onze stad een staking is uitgebroken onder transportarbeiders. Reeds gsruimen tijd broeide er onder die werkezels een kiem van verzet, en toen nu de patroons voor kort iets meer voor hun vrachten bedongen, meenden de arbeiders d'r ook van te moeten profiteeren. Hun c ischen zijn billijk, al te billijk, en zij zijn allen te samen, en vol goeden moed. 1 aten we hopen, dat ze zullen winnen. De leiding berust bij het PI. Arb. Secretariaat, maar dit was de heeren van het „rooie district met Rugge aan 't hoofd üiet naar den zin. Niet meehelpen de menschen te doen overwinnen, niet gewerkt voor hun rechtvaardige zaak, neen,

Sluiten