is toegevoegd aan uw favorieten.

De arbeider; socialistisch weekblad voor de provincie Groningen, jrg 41, 1931, no 2, 10-01-1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

materialistische eenzijdigheid van Marx, wat niet een bevrijding van en een uitgaan boven de autoritaire hegelsche dialectiek, maar slechts een loutere materialisatiex) hiervan was, ofschoon het door Marx en zijn aanhangers als een bijzonder revolutionaire daad werd beschouwd, moest wel een tweeslachtige, historisch onjuiste en met het wezenlijke socialisme in strijd zijnde staatsleer voortkomen. Inderdaad bleef Marx steeds bevangen in de hegelsche opvatting van den staat, waaruit hij zijn eigen economische staatsopvatting afleidde. Als Marx zich echter werkelijk aan de hegelsclie dialectiek zou ontworsteld hebben, dan zou hij reeds louter door zijn ernstige sociaalhistorische studies vanzelf tot de wetenschappelijk-realistische d.w.z. tot de sociologische staatsidee zijn gekomen.

Volgens Marx is de staat de politieke weerspiegeling of liever politieke bovenbouw van de in een bepaalde historische periode bestaande economische of productieverhoudingen der menschelijke maatschappij. Zooals de despotische staten der oudheid de politieke weerspiegeling waren van de slavernij, zoo waren de leenheerlijke ien absolutistische staten de weerspiegeling van de lijfeigenschap der middeneeuwen en het feodalisme van den nieuweren tijd en zoo weerspiegelt ook de moderne vertegenwoordigende staat, die aanvangend bij de min of meer constitutioneele monarchie opklimt tot de burgerlijk-democratische republiek, de kapitalistische productiewijze. Er is echter in den oertijd een oorspronkelijke toestand der menschheid geweest, waarin noch het privaat-eigendom noch de staat bestonden,, een toestand dus van primitief of onbewust communisme. Nadat het privaat-eigendom en de klassen waren ontstaan, is ook de staat 'als physieke en geestelijke verdediger en instandhoud-er van het privaat-eigendomsvoorrecht der bezitters tegenover de niet-bezittenden geboren. En zoo zal ook, aldus meenen de marxisten, de moderne kapitalistische staat, nadat hij door het in een eigen politieke partij georganiseerde proletariaat langzamerhand is veroverd, met den overgang van het kapitalistisch privaat-eigendom in het socialistisch gemeenschappelijk eigendom, tenslotte weer vanzelf afsterven.

Terecht beschouwt Marx iederen staat als een klassenstaat en geheel in overeenstemming met de feiten der historie en met de dagelijksche ervaring is het, wanneer hij als v o o rnaamste taak van den staat omschrijft: de instandhouding en verdediging van de met het privaat-eigendom van grond- en arbeidsmiddelen samenhangende economische bevoorrechting en heerschappij der bezittende klassen en van de uitbuiting en onderdrukking der niet-bezittende klassen. De groote fout van Marx is echter, dat hij, ofschoon hij het werkelijke karakter van den staat als uitbuitings- en onderdrukkingsorganisatie duidelijk doorschouwt, door zijn op de hegelsche ethiek geënte economische eenzijdigheid en de hieruit voortvloeiende overschatting der vanzelfbewegende macht van de economische factoren in de geschiedenis, aan den staat een weerspiegelende, dus lijdelijke en volgzame, maar geen zelfstandige en actieve rol toekent. Door deze misvatting van Marx lijkt het, alsof de economische uitbuiting en de politieke onderdrukking der niet-bezittenden door de bezit! ende klassen in de geschiedenis, louter langs economischen weg zouden zijn ontstaan.

Zooab wij echter uit de steeds rijker vloeiende bron van de oer-geschiedenis der menschheid al duidelijker hebben leeren inzien, heeft bij het ontstaan van het privaat-eigendom en de klassen de staat meestal geen passieve en volgzame, maar een zeer actieve en alle belemmeringen met geweld of list uit den weg ruimende rol vervuld. Het privaat-eigendom, dat bij den oorspronkelijken mensch die in stammen leefde allereerst den grond, de veekudden en de eenvoudige want nog weinig samengestelde gereedschappen omvatte, is niet, zooals de marxisten in hun economische eenzijdigheid meenen, vóór, doch na, of wellicht in sommige gevallen tegelijk .met den staat ontstaan. Want zoolang de eerste vormen van den staat nog niet bestonden, konden ook het privaat-eigendom en de klassen niet opkomen, of zich in elk geval niet handhaven. Uit het geweld en de roof der sterkere stammen tegenover de zwakkeren en uit de geestelijke knechting der overwonnenen, m.a.w. uit hun geestelijke geschiktmaking voor den slavenarbeid door de eerste priesters — uit deze eerste vormen van den staat zijn het privaateigendom en de klassen voortgekomen.

Zoowel het privaat-eigendom als de staat vinden dus hun oorsprong in het geweld, de roof en de knechting, in den onafgebroken, onverzoenlijken strijd tusschen de rondzwen vende primitieve jagers- en vooral herdersstammen en de reeds gevestigde stammen van primitieve landbouwers. Reeds de eerste vormen van den staat hebben met geweld den weg voor het privaateigendom gebaand en de klasse-scheiding tusschen overwinnaars en overwonnenen, roovers en beroofden, bezitters en niet-bezitters, meesters en slaven geconstitueerd. Door de overwinnende stam werden de overwonnenen in economische slavernij gebracht en de overwinnaars werden tot de heerschende en bezittende klasse in de stam, waarvan de vroeger onafhankelijke stamgenooten nu als onderdrukte klasse want als slaven in dienst der meesters moesten zwoegen. De soldaten en de priesters vonden hier gunstige sociale voorwaarden, om al spoedig tot eigen bijzondere beroepsklassen te worden en zij waren dan ook de voornaamste uitvoerende organen van den primitieven staat; de eerste vorsten en de oudste grondbezittende adel waren öf soldaten öf priesters, en vaak ook beiden tegelijk. En al dadelijk werden de resultaten van het geweld, de roof en de 1 economische en geestelijke knechting belichaamd in het privaateigendom van grond en arbeids¬

middelen en in de klassebevoorrechfing en -heerschappij der bezitters aan de eene zijde en de slavernij en ellende der niet-bezitters aan de andere zijde, door de eerste staatswetgeving als „recht" gesanctioneerd en door de priesters als goddelijke ordonnantie voorgesteld. Terwijl tenslotte het verzet en de opstand der onderdrukten, om hun verloren vrijheid en levensrecht weer te heroveren, ook» reeds door den primitieven staat als de grootste misdaad het zwaarst werd gestraft.

Ziedaar de hoofdinhoud van de sociologische staatsidee. Niet het privaat-eigendom is het eerst ontstaan en daaruit de staat voortgekomen, maar omgekeerd is uit het politieke geweld, de roof en de knechting het privaateigendom ontstaan. Men kan toch niet aannemen, dat de meerderheid der stammen zich terwille van een minderheid van naar eigendom en heerschappij strevenden vrijwillig bijwijze van verdrag voorgoed haar levensbronnen en onafhankelijkheid zou hebben laten ontrooven? Neen integendeel, alleen door politiek geweld, roof en geestelijke knechting was het mogelijk de meerderheid der stamgenooten tenbate van een minderheid van heerschers en bezitters, hun grond, landbouw, producten, kudden, gereedschappen enz. te onteigenen en hen als menschelijk werkvee tot voortdurende slavernij te dwingen. Daarom moest de primitieve staat aan het privaat-eigendom voorafgaan.

De menschelijke geschiedenis begint dan ook geenszins als een idylle2) van broederschap en communisme, zooals de marxisten en de nog marxistisch denkenden onder de anarchisten nog steeds ten onrechte meenen. Uit de resultaten der moderne sociologie en speciaal uit de sociologische staatsidee hebben wij echter geleerd, dat de menschelijke geschiedenis integendeel begint met den onverzoenlijken, ouderlingen strijd der stammen. En dit is ook natuurlijk, en logisch, want de mensch heeft zich ontwikkeld uit het dierenrijk en nog altijd heeft hij zich .hieraan niet geheel ontworsteld, zooals door zijn oorlogszucht, zijn drang tot arbeidsuitbuiting, zijn behoefte aan het bijgeloof en zijn onmacht om de waarde der menschelijke persoonlijkheid te erkennen en te eerbiedigen duidelijk bewezen wordt. Nog altijd staat de mensch eerst op üe drempel van het rijk der ware menschelijkheid. Het ware menschzijn vinden wij echter niet in het verleden, maar wij moeten het eerst in de toekomst verwerkelijken. Niet in het verleden, dus in de tijdperken waarin de mensch nog niet tot het bewustzijn van zichzelf en van de menschelijke gemeenschap was gekomen, kan hij in broederschap en communisme hebben geleefd. Want het communisme en de vrijheid kunnen zich slechts daar werkelijk ontplooien, waar de mensch tot het bewustzijn van de natuur, van zichzelf en van de maatschappij gekomen is en waar hij vrijheid en gerechtigheid als een innerlijken levensdrang uit zichzelf te voorschijn roept en in het leven van individu en gemeenschap bewust verwerkelijkt. De beste krachten van onze persoonlijkheid te geven voor de verwerkelijking van deze toekomstige communistische gemeenschap, waarin de mensch eindelijk in vrijheid, vrede en broederschap zal leven, is de heerlijke taak die op ons allen rust. Maar om deze taak naar behooretf te vervullen, hebben wij njet noodig te gelooven aan de fabel van een primitief en onbewust communisme in het verleden. Intedendeel, door dit geloof kan slechts ons menschelijk herscheppingsvermogen worden belemmerd.

De sociologische staatsidee, volgens welke het privaat-eigendom en de klassen niet louter langs economischen weg, maar door politiek geweld en roof in den strijd der stammen en rassen in den oertijd zijn ontstaan, is het eerst duidelijk tegenover de economische staatsopvatting van Marx geplaatst door de bekende duitsche wijsgeer en vrijheidlievende sociaaleconoom Dr. Eugen Dühring. Het is wellicht door den invloed van Eugen Dühring, dat ook bij den sociaal-anarchist Michael Bakoenin hier en daar duidelijke sporen van de sociologische staatsidee zijn te vinden, ofschoon hij zich hiermede niet speciaal schijnt te hebben beziggehouden. En ofschoon de groote theoreticus van het communistisch anarchisme Peter Kropotkin steeds bijzonderen nadruk legt op het geweld- en roofkarakter van den staat vanaf zijn oorsprong tot heden, toch schijnt Kropotkin meer over te hellen tot de economische staatsopvatting van Marx, dan tot de sociologische staatsidee, wat ook vooral uit zijn stellig geloof aan een oorspronkelijk, haast idyllisch communisme blijkt.

Aan Eugen Dühring heeft ook de bekende voor een tiental jaren gestorven oostenrijksche vrij-socialistische econoom en sociale hervormer Dr. Theodor Hertzka, die in de negentiger jaren voor de vestiging van een socialistische gemeenschap in Afrika, welke „Freiland" zou heeten, een wereldbeweging in 't leven, wist te roepen, zijn sociologische staatsidee ontleend. Ook de begaafde grondlegger van het liberale socialisme in Duitschland, Prof. Franz Oppenheirner te Frankfort a. d. Main heeft aanvankelijk van Eugen Dühring de eerste inspiratie voor zijn sociologische staatsopvatting ontvangen. Door de bestudeering echter van de werken van den in 1908 gestorven zeer onafhankelijk denkenden burgerlijk-democratischen professor aan de universiteit te Graz in Oostenrijk Ludwig Gumplowicz, die als de voornaamste burgerlijke theoreticus van de sociologische staatsidee moet worden beschouwd, kwam Oppenheimer's staatsopvatting nog tot grootere klaarheid. Gumplowicz als burgerlijk denker trok natuurlijk uit zijn sociologische staatsidee geen vrijheidlievend-socialistische, doch burgerlijk-pessimistische conclusies. Maar dit verhinderde Oppenheimer niet, om uit Gumplowicz staatsidee juist vrijheidlievend-socialistische conclusies te trekken. En zoo heeft

Oppenheimer in het 2e deel van zijn baanbrekend meesterwerk ,,System der Soziologie", dat speciaal handelt over de sociologie van den staat en dat ieder moest bestudeeren die het wezen en de taak van den staat in 'het verleden en in het heden werkelijk wil leeren kennen, vanaf het standpunt der sociologische staatsidee een schitterende wetenschappelijke critiek geleverd op de economische staatsopvatting van Marx en de marxisten. ^ B. REIJNDfORP.

x) Verstoffelijking.

2) Dichterlijke schildering van het leven der natuurmenschen.

Burgemeester De Vlugt en de sociaal-democraten tegen het anarchisme.

Het N.V.V. (het Vakverbond der moderngeorganiseerden) bestond dezer dagen 25 jaren.

Bij die gelegenheid werden luisterrijke feesten georganise'erd.

En blijdschap heerschte alom!

Ook in de kringen der bezittende klasse.

Zoo zond bijv. minister Verschuur een telegram van gelukwensch en hield de anti-rev. burgemeester van Amsterdam, De Vlugt, op de receptie een hartelijke toespraak.

Die toespraak achten we merkwaardig genoeg om deze hier te laten volgen, althans wat „De Telegraaf" er van vermeldt.

Wij lezen dan in genoemd blad van j.1. Zondag:

„De burgemeester verkreeg dadelijk het woord. Hij zeide allereerst een persoonlijk woord te willen spreken. In vroegere functies heb ik de totstandkoming van het Vakverbond met veel belangstelling begroet. De heer Piet Verdorst — een voorrecht vond ik het hem hier weer eens de hand te kunnen drukken — weet hoe indertijd het stelling n e m e n tegen- den groei enden invloed van het anarchisme ook in werkgeverskringen met vreugde begroet werd. De oprichting van het N. V.V. is toen gezien als een begin van de onderdrukking der „anarchistische gymnastiek". Over het welslagen der tegenactie zeide spreker zich nog steeds te verheugen. Bij het overbrengen van zijn gelukwenschen, als burgemeester der hoofdstad, verklaarde de heer De Vlugt, dat nagenoeg iedere bestaande instelling in zich houdt het trio: opkomst, bloei en verval. De opkomst en de bloei zijn nu herdacht en worden gevierd. Wanneer onverhoopt verval zou komen en dit zou beteekenen een nieuwe opkomst van het anarchisme, dan hoop ik, aldus besloot de burgemeester, dat de bloeiperiode van het N.V.V. nog lang bestendigd zal mogen blijven."

Het is wel een bijzonder compliment voor het N.V.V. dat door een anti-revolutionair — oud-werkgever in het bouwbedrijf — verklaard wordt dat de oprichting van het N.V.V. ook door de werkgevers met vreugde werd begroet.

Het slot van zijn toespraak is wel bijzonder merkwaardig, n.1. waar hij betoogt, dat het N.V.V. moet blijven' bestaan en bloeien, teneinde daardoor een nieuwe opkomst van het anarchisme te verhinderen. Waarmee deze bewindsman te kennen geeft, dat het anarchisme door de werkgevers gevreesd wordt en zij. het N.V.V. als een welkome bondgenoot tegen dat anarchisme beschouwen.

Moeten dergelijke woorden den arbeiders niet iets te denken ^geven?

Het was indertijd de sociaal-democraat Bebel of Liebknecht, die zeide: „Wanneer mijn tegenstanders mij prijzen, dan moet ik mij ergens hebben vergist."

Wanneer Polak;, Oudegeest e.a. met denrelfden geest bezield waren als hunne voorgangers, dan zouden zij thans deze uitspraak kunnen herhalen.

Wij weten niet, wie zooal op de receptie, waar burgemeester De Vlugt sprak, aanwezig waren. Maar wanneer er onder hen waren, in wie nog eenig arbeider s-gevoel leeft, dan moeten zij, bij 't aanhooren van De Vlugt's woorden, wel rood achter de ooren geworden zijn van schaamte.

, * * *

Nog 'n kleinigheid. „Het Volk" van Maandag bevat ook 'n verslag van bedoelde receptie. Maar eigenaardig: van de toespraak van De Vlugt maakt dat verslag maar met enkele

woorden melding. Het door ons gespatieerde in die toespraak komt er heelemaal niet in voor. Toeval? Of werd het den „Volk"-journalist op dat moment al te benauwd?

B.

Oorlogsvrees en eoriogsophitsmg.

Persdienst IAK.) Voor een betooging van 120.000 a 160.000 man van den Stahlhelm in Duitschland sprak een der leiders, Seldte: „Op offers en wapens berust de overwinning." Het bestuur van het Nationaal Verbond van Oud-Strijders in Frankrijk, dat 700.000 leden telt, nam daarop een motie aan, waarin het deze betooging een uittartend antwoord van oorlogszuchtige duitschers noemt en een beroep doet op de regeering, het verdedigend vermogen van Frankrijk ,,in het belang van den vrede" te versterken. De fransche fascist Léon Daudet schrijft: „De oorlog is zeker en hij is nabij". De „Times" spreekt van „de algemeene onrust, die gedurende de laatste maanden in Europa is toegenomen."

Het hoofdorgaan van den „Machtsbond" in Polen, de organisatie van Pilsoedski, schrijft: „Met den oorlog tegen Duitschland zullen wij de wereld in verbazing brengen. Buitengewone en alle menschelijke denkbeelden te boven gaande offers in bloed zullen noodig zijn,...,"

Op bet congres van de fransche radicale partij verklaarde Bertrand de Jouvenel, dat naar zijn meening, bij den tegenwoordigen toestand, noch de Volkenbond, noch het tractaat van Locarno, noch het Kellogg-Pact een oorlog kan verhinderen. i

Organiseeren de arbeiders in alle landen reeds de algemeene werkstaking om een uitbarsting van den oorlogswaanzin, waarvoor de erastigen vreezen en waartoe de dwazen ophitsen, daadwerkelijk te verhinderen? (Moest eenigen tijd overstaan).

Binnen- en Buitenlandsche Varia.

Binnenland.

Wat beoogt minister Dsckers? Door het departement van oorlog is een circulaire verzonden o.m. aan alle aannemers van bouwwerken in het land te vragen naar de hoeveelheid aannemersmateriaal, zooals graafmachines, hijschkranen, pompwerktuigen, heistellingen, zandzuigers, betonmolens, enz.

Nadrukkelijk wordt in bedoelde circulaire medegedeeld, dat het doel is in oorlogstijd zeer nauwkeurig te weten, waar al dat materiaal zich bevindt.

Uit bovenstaande zien wij; alweer hoe de regeering zich voorbereidt op de dingen die misschien nader bij zijn dan wij vermoeden. De oorlogshitsers zorgen paraat te zijn.

Zullen de arbeiders eveneens paraat zijn als de brandfakkel den oorlogsvlam doet oplaaien? Makkers allen op post, het gevaar dreigt erger dan ooit.

Terwijl de bourgeoisie feest en fuift. Schrikbarend is de ellende, waarin een groot deel van ons volk verkeert. Voortdurend grijpt het spook van den honger verder om zich heen.

De hoofddirecteur van „Hulp voor Onbehuisden" te Amsterdam schrijft aan de burgerpers:

In het nachtasyl der vereeniging „Hulp voor Onbehuisden" kwam gisteravond een man, die er, zelfs voor een asylgast, al heel haveloos uitzag. Zijn kleeren waren vodden, onderkleeding droeg hij haast niet, sokken had hij niet aan.... Vanmorgen moest die man uit den asylvoorraad wel van top tot teen worden aangekleed.

Het regent en het is koud. Eiken avond komen er een 60, 70 menschen naar het Asyl. De een heeft schoenen inoodig, de ander een borstrok, die weer een broek enz. En als het werkelijk noodig is, worden ze geholpen. Deze menschen mogen immers niet onbeschut den winter worden ingestuurd!"

Wat spreekt uit deze korte mededeeling niet éen ellende. En de stroom naar het asyl wordt eiken dag grooter. In het „hotel" voor onbehuisden krijgen de paria's eten, ze kunnen er slapen en den volgenden dag gaan ze weer de straat op. Waarheen?.... Ze zijn dakloos.

Vloek niet de maatschappij waarin zulke dingen mogelijk zijn.

Weer voor een jaar genoeg! Als het Kerstfeest in aantocht is, zijn duizenden in groote verwachting van 't geen op dit feest hen als een „gave" zal ten deel vallen, 't Was in het A.M.V.J.-gebouw, in onze rijke hoofdstad, dat een aantal kinderen van onbehuisden werd onthaald op.... één keer zat eten. Iets wat van zelf sprekend is, behalve voor kinderen der onbehuisden. Om te vloeken is het, wat de bourgeois-pers over deze maaltijd schrijft. Och, och, wat een medelijden met die arme kinderen.

„Wat keken de kinderen hun oogen uit toen ze de groote zaal betraden. Er stond in het midden 'n prachtige kerstboom, en rondom dien boom met zijn fantastische lichtjes stonden keurig gedekte tafels, versierd met dennengroen en hulst. Terwijl de kleuters hun plaats aan tafel innamen, speelde een strijkje een vroolijke welkomstmarsch. Al spoedig begon het onthaal. Als bij een officieelen maaltijd kwamen op het sein van den Ober de bedienden binnen met het eerste gerecht: voortreffelijke soep. De kellners vonden het allen zoo heerlijk al die kinderen eens zóó te kunnen zien genieten

Daarna haalden de kellners nog meer verrukkelijke spijzen. De kinderen genoten ook van een goocheltoer. En tot slot was er nog een mooie bioscoopvoorstelling...."

't Waren eenige leden van den hotelbond, die den kinderen deze verrassing hadden bereid. Uit deze daad spreekt waardeerend gevoel. Maar wat te zeggen van het „prachtige feest" zooals de Tel. het noemt, als zoodanig, 't Spreekt vanzelf dat de kinderen overgelukkig waren op dat oogenblik. Maar is het geen schande, en getuigt het niet van afwezigheid van alle menschelijke gevoel, dat de kinderen der allerarmsten zich éénmaal per jaar kunnen zat eten aan goed voedsel?

De Tel. besluit het bericht over dezen maaltijd der arme kinderen: „Volgend jaar herhaling op nog grootere schaal".

't Is lang wachten voor de kleuters tot 25 December 1931.

Een christelijks broeder. Wij schreven onlangs over dieverijen door den directeur der N.V. Handels- en Landbouwbank. Naar de pers mededeelt, is tegen den gewezen directeur M. — nu worden de naam en voornamen verzwegen, die worden alleen genoemd als een beziilooze zich schuldig maakt aan oneerlijke dingen — een aanklacht ingediend wegens valschheid in geschrifte in de rekening der Christelijke Hoogere Burgerschool en wegens verduistering van eenige tonnen gouds.

Het accountantenonderzoek van de boeken der bank en van die der Chr. H.B.S., heeft uitgewezen, dat M. groote bedragen, tezamen ongeveer 3 a 3i/2 ton, heeft geboekt als uitgegeven voor de Chr. H.B.S., terwijl hij dat geld ten eigen bate, althans niet ten bate der H.B.S. heeft aangewend. .