is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 38, 1931, no 43, 24-10-1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ter informatie en voorlichting.

De gevallen waarin het, zooals te Rotterdam—Schiedam, Hengelo en Deventer tot verlaging der loonen gekomen is, hebben enkele leden, in één geval ook het bestuur eener afdeeling, naar de pen doen grijpen om ons met ingezonden stukken gelukkig te maken. Aan belangstelling geen gebrek, aan critiek al evenmin. En daarnaast worden gratis adviezen gegeven, soms door leden die al 2 jaren lid zijn van onze Bond, maar die, hadden zij eerder besef gehad van hun proletarische plicht, op z’n minst al 10 of 15 jaar vroeger lid zouden zijn geweest. Daar kom je wel van onder de indruk! Enkele van die stukken namen wij op, omdat er iets nieuws in gezegd werd en de inhoud overigens vaneen aard was dat die ons niet noodzaakte argumenten aan te voeren die wij uit tactische overwegingen liever niet inde krant zetten. Afgezien van dit alles geven wij personen die zoo hevig ontstemd zijnde wenk zich tot hun afdeelingsbestuur te wenden met de vraag om desnoods het bondsbestuur uitte noodigen de stand van zaken ineen huishoudelijke vergadering uiteen te komen zetten. Dit kan ten minste eenig nut hebben en tot oplossing van misverstand leiden. Wat ons overigens bij het lezen van deze stukk enopvalt, dat is het gemis aan kennis van zaken omtrent de werkmethode in onze Bond. Als voorbeeld noemen wij het zoo maar klakkeloos neergeschreven oordeel vaneen afdeelingsbestuur waarbij o.m. als volgt wordt geschreven: „In Hengelo (O.) werd de verlaging van 5 pCt. ook door de ledenvergadering verworpen. Op de gecombineerde hoofden afd.-bestuursvergadering werd besloten op dit oogenblik tegen de aangékondigde loonsverlaging niet in staking te gaan. Dit is ons toch wel wat al te bar. Wie heeft eigenlijk de beslissing over het wel of niet actievoeren? Deze houding van de besturen is o.i. een staaltje van dictatuur waarop wij allerminst gesteld zijn. Naar onze meening hebben de leden zelf de beslissing in handen en niet de besturen.” Een afdeelingsbestuur dat zulke vragen stelt en ingezonden stukken schrijft, zou toch op de hoogte moeten zijn van onze statuten en reglementen. Die de schoen past, trekke hem aan. Dit bestuur gelieve op te slaan bladzijde 13 van onze statuten en reglementen en dan onder hoofdstuk 111 het volgende te lezen: „Art. 17 Het bondsbestuur beslist over het voeren van loon- en andere acties in overleg met de betrokken afdeelingsbesturen. Hetzelfde geschiedt voor het proclameeren vaneen werkstaking. Geenerlei werkstaking of andere vakactie mag uit bondsmiddelen worden gesteund, indien zij zonder toestemming van het bondsbestuur is ontstaan, tenzij zij door het bondsbestuur wordt erkend of overgenomen.” Wij hebben het betrokken afdeelingsbestuur een blunder willen besparen door zijn naam achterwege te laten. (Geen dank s.v.p.) Moeten wij nu nog een cursus gaan geven omtrent de vraag w&arom onze reglementen sinds 1903 aldus lulden? Laat ons er verder over zwijgen en slechts de wensch uitspreken dat afdeelingsbesturen en leden beter kennis nemen van de grondpeilers waarop onze moderne vakbeweging is opgebouwd. Aan het voorgaande willen wij onmiddellljk toevoegen, dat wij inde practijk nog nimmer botsingen tusschen hoofd- en afdeelingsbesturen over de vraag of er gestaakt moest worden of niet, hebben gehad. Ook niet te Hengelo. Ons bondsbestuur heeft inde gevallen te Rotterdam—Schiedam, Deventer en Hengelo uiteindelijk advies gegeven om niet te gaan staken. Dat advies steunde op onze inzichten die wij in ons blad van 10 October hebben omschreven. Dt zijn er die het met dit advies niet eens zijn geweest. Dat is jammer, maar er is niets aan te doen. Wij ontvingen o.m. een ingezonden stuk waarin over ons de staf wordt gebroken omdat de leiders niet inde geest van de leden gesproken hebben. Met andere woorden, wij hadden ons persoonlijk oordeel vóór ons moeten houden en moeten spreken zooals de leden dat gaarne wenschen. (Een zeker deel der leden, want er waren er ook zeer veel die er anders over dachten.) Onnoodig te zeggen dat een leider die zich z’n plicht bewust is, zich tot zooiets niet leent.

Dan maar liever crltiek verdragen, ook al ontaart die in ’t uiten van insinuaties. Overigens hebben wij overal het standpunt ingenomen dat wij aan de leden uiteindelijk de beslissing lieten. De leden van elk personeel afzonderlijk worden dan opgeroepen en na discussie wordt schriftelijk gestemd. Als regel stellen wij sinds jaar en dag de eisch dat 75 pCt. van de stemgerechtigden zich vóór het stellen vaneen ultimatum moet uitspreken. Die eisch stellen wij ongeacht of het bondsbestuur vóór dan wel tégen adviseert. Op eenige procenten kijken wij dan niet en in het geval te Hengelo is zelfs toegezegd dat het bondsbestuur met 70 pCt. genoegen zou nemen. Het is niet van bedenking ontbloot om preciese cijfers over de uitslag der stemmingen te publiceeren, maar omdat zoo Weinig vertrouwen wordt aan de dag gelegd, dwingt men ons er toe. Welnu, hier de cijfers van Hengelo. le. Stork en Co., Machinefabriek en Hijschwerktuigen; Aantal werklieden 1300, waarvan 1100 stemgerechtigd. Ledental Alg. Bond, R.-K. en Christ. bonden, 742. Daarvan hebben er 510 gestemd en werden 352 stemmen vóór staking uitgebracht. Nog geen 50 pCt. van de georganiseerden stemde vóór. Gezien deze uitslag liet men het oproepen der ongeorganiseerden maar achterwege. 2e. Heemaf: aantal werklieden 700 è. 750, aantal stemgerechtigden, matig geschat, 500. Aantal georganiseerden hoogstens 400, waarvan er 283 hebben gestemd waaronder 242 vóór-stemmers. Daarbij 14 stemmen van ongeorganiseerden en 10 leden van de Federatie, maakt totaal 266 stemmen. Van de stemgerechtigden heeft zich ongeveer 50 pCt. vóór staking uitgesproken. 3. Dikkeds: personeelsterkte 550, waarvan 500 stemgerechtigden. Aantal georganiseerden 368, waarvan gestemd 291. Vóór staking verklaarden zich 252 leden. Tezamen met 15 ongeorganiseerden (waaronder ook een paar federatieleden), spraken zich 267 personen vóór staking uit. Dat is nog geen 54 pCt. Nergens was bok maar bij benadering het vereischte percentage verkregen en onder die omstandigheden hebben de hoofdbesturen inderdaad moeten zeggen dat geen ultimata verzonden konden worden. Te Hengelo, zoo goed als elders, hebben wij ondanks ons afwijzend advies, de beslissing gelaten aan hen die eventueel aan een staking zouden hebben moeten deelnemen. Te Deventer heeft één personeel daar ook gebruik van gemaakt en tegen ons advies in tot staking besloten. Het vereischte percentage was er en een ultimatum is ook verzonden. Ten slotte wenschen wij nog op te merken dat zoo goed als overal waar de leden zich vóór verzet uitspraken, geen geloof werd geslagen aan de mogelijkheid dat door staking de verlaging zou zijn tegen te houden. Niet onduidelijk werd te kennen gegeven dat men wilde staken omdat het nu eenmaal toch een „rotzooi” was. Dat de bondsleiding zich dooreen der gelijke wanhoopsstemmlng ook al is die te verklaren niet kan laten leiden, zal ieder die z’n verstand gebruikt, moeten toegeven. Wij zullen geval voor geval- blijven beoordeelen en al naar gelang van onze inzichten, ons advies uitbrengen. En overigens zullen wijde gedragslijn blijven volgen dat de personeelen de einduitspraak krijgen, ook al geeft ons reglement het bondsbestuur de bevoegdheid om te beslissen. Maar het percentage van 70, zullen wij onder geen beding prijsgeven.

OFFICIEELE MEDEDEELINGEN Over de week van 19 Oef ober 1931 tot en met 24 October 1931 wordt het contributiezegel op de 43e week in het bondsboekje geplakt. Prae-advies van I. G. Keesing aan de Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid, Op verzoek van de redactie van „De Strijd”, het orgaan van het N.V.V., schreef onze bondspenningmeester, vriend Van den Born, een beschouwing over het praeadvies-Keesing inzake werkloosheidsverzekering. Onze collega machtigde ons zijn beschouwingen over dit prae-advies ook in ons blad en dan gelijktijdig met de verschijning in „De Strijd” op te nemen. * * * (H. J. v.d. B.) Op de agenda voor de op Zaterdag 24 October a.s. te houden jaarlijksche vergadering van de Nationale Vereeniging tegen Werkloosheid, komt o. m. voor: Behandeling van de prae-adviezen van de heeren I. G. Keesing en mr. P. W. J. H. Gort van der Linden over het vraagstuk; „welke grondslagen der Nederlandsche regeling der werkloosheidsverzekering moeten bij de a.s. wettelijke regeling dier verzekering overgenomen worden, gelet op de ervaring, de laatste jaren verkregen in het buitenland betreffende de wettelijke regeling dier werkloosheidsverzekering, in het bijzonder wat Duitschland en Engeland aangaat?” Het prae-advies van mr. Gort van der Linden is negatief en geeft naar mijn meening geen antwoord op de gestelde vraag, maar heeft als eind-conclusie, dat er geen wettelijke regeling moet komen. Hij schrijft o. m.; „Het Nederlandsche stelsel, gebaseerd op vrijwilligheid en dat voor een deel gebruik maakt van de diensten der vakverenigingen, moet, ondanks bezwaren, waarop wij niet verder ingingen, worden bestendigd. Dit stelsel echter is onvereenigbaar met een medebetalen der werkgevers, waartegen op zichzelf in Engeland van de zijde van het Trade-Uniqn Congress ernstig is gewaarschuwd.” Het stelsel van vrijwilligheid moet ondanks de bestaande bezwaren gehandhaafd worden, waarin een medebetaling der werkgevers niet past. Ziezoo, die last is weer afgeschoven van de schouders van de werkgevers. Zelfs deze tijdsomstandigheden waarin wij beleven een economische crisis, met als gevolg een aantal werkloozen als nimmer daarvoor, waarbij bovenal duidelijk is gebleken en elke dag opnieuw wordt gedemonstreerd, dat de huidige werkloosheidsverzekering in ons land ten eene male onvoldoende is, gaan aan deze vertegenwoordiger der werkgeversklasse onbewogen voorbij en hij blijft op het standpunt staan van in deze grootsche taak der gemeenschap als toeschouwer te willen blijven fungeer en. Hij adviseert het maarte laten zooals het is, m.a.w. laat ze maar doorkrukken; als het ons werkgevers maar gen centen kost, zal de rest ons een zorg zijn. Onze sympathie gaat in deze uit naar het prae-advies van de heer I. G. Keesing, die zijn sporen op het terrein van de werkloosheidsverzekering zeer zeker reeds heeft verdiend. In 1909 was hij lid van de ingestelde Staatscommissie ter zake de werkloosheid, daarna is hij werkzaam geweest als referendaris bij de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling. Hij is tevens de man, die een

DE STAKING TE ZEIST.

voorname rol heeft gehad inde administratieve opzet van de verzekering, zooals die is omschreven bij het Werkloosheidsbesluit-1917. Dat de heer Keesing man van realiteit is, moge mede hieruit blijken, dat hij in zijn prae-advies o. m. met gespatieerde letters heeft laten afdrukken: „Ik aarzel dan ook niet, van deze oorspronkelijke ook door mij voorgestane en met mijne hulp opgebouwde „Verzekering”, te getuigen, dat zij ongetwijfeld hare deugden heeft gehad, doch dat zij voor de arbeidersklasse onhoudbaar onvoldoende moet worden geacht.” De heer Keesing is begonnen met er aan te herinneren dat reeds 25 jaar geleden het eerste artikel is verschenen, waarin werd aangedrongen op de verplichting van de werkgevers tot bijdrage in ds werkloosheidsverzekering. Zeer scherp, doch op geestige wijze plaatst hij de opmerking: „Er is gepolemiseerd, gediscussieerd, ge-prae-adviseerd, gepropageerd, geconfereerd, gecongresseerd, ge-troonrcdeneerd, geïnterpelleerd en gerapporteerd, met het resultaat, dat wij nu een knoop hebben, dermate gecompliceerd, dat dien te ontwarren een hopeloos werk schijnt te zijn. Niettemin gelde ook hier het advies hetwelk wij met de schrijver gemeen hebben Ende desespereert niet!” Het prae-advies van de heer Keesing getuigt van ernstige, diepgaande studie van het vraagstuk. Het beantwoordt echter, dit in tegenstelling met het prae-advies van Mr. Gort van der Linden, volkomen aan de gestelde opdracht. Het geeft een chronologisch overzicht van „het Engelsche Stelsel” en van „het Duitsche Stelsel”, het biedt daarna enkele vergelijkingen tusschen deze beide stelsels en iaat dan volgen een overzicht van „de Nederlandsche Regeling”, om dan ten slotte, na bestudeering van de opgedane ervaringen met de verschillende stelsels, als slot van de op zich genomen taak, tot zijn „Conclusies” te komen, nader ineen 19-tal punten omschreven. Het is mij niet mogelijk van de verschillende buitenlandsche stelsels inde mij toegestane ruimte eenig overzicht te geven, of alle 19 punten van de conclusies in extenso weer te geven, doch ik wil volstaan, met eenige van de voornaamste gedachten uit de 19 punten voor het voetlicht te brengen en voorzoóver noodig, te toetsen aan de inzichten van onze eigen beweging. In punt 3 wordt betoogd, dat de maatschappelijke oorzaken van werklooshèid in het algemeen, niet aan bepaalde werkgevers, bedrijven, arbeiders, of gemeenten geweten kunnen worden en om die reden het principiëel onjuist is, alleen van deze groepen of organen bijdragen voor uitkeering aan werkloozen te vorderen. In punt 4 wordt m.i. terecht de meening uitgesproken, dat de werkloos gewordenen niet langer wenschen als beweldadigde bedelaars behandeld te worden, doch zich schuldeischers gevoelen der gemeenschap. In punt 5 wordt er nadruk op gelegd, dat de regeering als representante der volksgemeenschap verplicht is, de Nederlandsche arbeiders, werkloos geworden buiten eigen grove schuld, het wettelijk recht op uitkeering bij onvrijwillige werkloosheid moet verzekeren. In punt 9 doet de prae-adviseur uitkomen dat de gansche gemeenschap gelijkelijk belang heeft bij de instandhouding der volkskracht en van de koopkracht van het volk. In punt 11 concludeert hij, dat de speciale belastingopbrengst ten behoeve van de werkloozenzorg, eveneens aangegeven in punt 9, moet worden beheerd als een afzonderlijk werkloozenfonds, staande onder leiding vaneen bestuur waarin de vakbeweging, ook inde dagelijksche leiding, de helft van de zetels bezet, gekozen uit de door Vakvereenigingscentralen ingediende voordrachten. In punt 12 wordt als eisch gesteld, dat elke bonafide werklooze recht heeft op uitkeering uit Rijks-Werkloozenfonds tot ten hoogste 60 pCt. van het gederfde loon. In punt 13 wordt in verband met punt 12 verder gevorderd, dat aan de vakbonden, die onder de huidige subsidle-regeling vallen, het recht wordt verleend, aan hun leden toeslag pp de werkloozenuitkeering van genoemd Rijksfonds te geven tot ten hoogste 20 pCt., zoodat het gezamenlijke uitkeeringsbedrag tot 80 pCt. van het gederfde loon kan stijgen. Door deze toeslagen wordt het bestaande belang van onderling deugdelijk toezicht bevestigd. Uit hoofde van het daarin voor het werkloozenfonds gelegen voordeel, ontvangt de vakbond 75 pCt. dezer verleende toeslagen uit het werkloozenfonds terug. lii punt 18 klinkt de forsche vordering, dat de rechtspraak zoodanig wordt geregeld, dat zij het rechtsgevoel bevredigt.

De totaal verlaten „$ola”-tabriek van de firma Gerritsen te Zeist,