is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 37, 1930, no 21, 24-05-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Troelstra gestorven. (ƒ. H.) Naar het vleesch, maar niet naar den geest. Zijn werk, zijn geest zullen onsterfelijk voortleven. Een enkele schets, een enkele greep uit het geweldige levert van dezen grooten menschenvriend, moge hier volgen. OP DEN TWEESPRONG.1) Waarheen, waarheen ? . . . Een feest van eer en weelde en genot, Of een zwerftocht naar d’onbekenden God? In d’engen kring van ’t belang, bekneld, Oi m naam van het recht bekampt het [geweld ? Een parasiet aan de welvaart van ’t volk, Of der waarheid en vrijheid profeet en tolk ? Gevangen in geestesduisternis, Of geknield voor ’t Licht, dat rijzende is ? Een versierde pluim aan Mammon’s troon, Of een bloedig gelauwerde doornenkroon ? tt ... Wat wilt ge, zeg? Voor d Arbeid of voor ’t Kapitaal ? Of vóór, of tégen ons in ’t staal ? TT-.. Daar is geen middenweg! ) Uit: „fan Leed en Strijd”. Troelstra koos den zwerftocht naar den onbekenden God, hij verkoos de profeet te zijn van waarheid en vrijheid voor het arbeidende volk, hij koos de bloedig gelauwerde doornenkroon. De kroon is gróót geworden en zij is gelauwerd door bloed en opóffering van alles wat hij had. Met al zijn talenten, met heel zijn grooten zielenadel, met ai zijn geweldige krachten, heeft hij zich gestort m den strijd voor de geknechte, verdrukte, neergetrapte en verachte arbeidersklasse, die neerlag in stompzinnige onbewustheid en berusting, zonder hoop, zonder licht, zonder vertrouwen. In dezen stikdonkeren nacht van wanhoop, onwetendheid, ellende en anarchistische verwarring verhief hij de stem van den propagandist van den nieuwen dageraad van het socialisme. Hiermede kwam hij niet alleen in botsing met de kapitalistische machten. Ook de arbeiders, aanvankelijk zeer weinigen uitgezonderd, overlaadden hem met smaad en hoon. Met ruw geweld en wantrouwen traden zij hem tegen. Met zijn vader was de botsing zóó hevig, dat hij door dezen volkomen werd verstooten. Niets weerhield hem, moedig droeg hij het leed, de ontbering, het broodsgebrek zelfs, dat het deel werd van hem en zijn gezin. Heel, heel langzaam won hij terrein. Wie dezen man, dezen mènsch, niet heeft gekend, niet heeft hooren spreken tot de massa’s, die kan zich maar een zeer flauw beeld vormen van wat hij voor de arbeidersbeweging is geweest. Hoe kon hij daar staan op de „spreektnbune of het podium, met zijn machtige stem, de beide handen tot vuisten gébald schuin m de lucht, zijn geheele lichaam schokkende en schuddende, waarbij zijn redevoering trouw werd begeleid door de mtdrukking yan zijn aangezicht! Hoe kon hij op deze wijze het kapitalistische maatschappij stelsel geeselen en op meesterlijke wijze het socialisme daartegenover stellen! s Hoe was in zoo’n redevoering elke volzin een vurige vonk! Hoe groeide dit alles tezamen aan ’t einde uit tot een machtig vuur van laaiende geestdrift, waaraan de vertrapte proletariërs hun ijskoude harten en stramme leden konden verwarmen, waardoor zij weer lenigheid kregen, waardoor nun ruggen weer recht werden en hun hoofden weer hoog werden gedragen. Waardoor tientallen eerst, honderdtallen later, duizenden weer later hun plaatsen innamen in het leger van den arbeid, dat ’V aanvoerde van de eene glorieuze overwinning naar de andere. Wie, die er aan deelnam, denkt in deze droeve dagen niet terug aan de roode Dinsdagen te Den Haag, georganiseerd door partij en vakbeweging, onder zijn bezielen del ei ding. Vooral de tweede, die feitelijk als de kroon op den kiesrechtstrijd beschouwd kan worden, moet op alle deelnemers een overweldigenden indruk hebben achtergelaten. Burgemeester Van Karnebeek had geweigerd vergunning te geven tot het houden vaneen optocht. Troelstra stond op „Houtrust” op het spreekgestoelte inde houding zooals hierboven omschreven en gaf met g e w e 1 d i g e stem het antwoord : Partijgenooten en geestverwanten, wij mogen vandaag niet demonstreeren, . . . wij mogen geen optocht maken, ... we maken er niet één, we maken er acht!! En we zullen de machtige tonen van onze Internationale laten opschallen tegen de .muren van het parlement. Op zijn bevel „voorwaarts, er doorheen!,

werd de afzetting verbroken en bevonden we ons eenige oogenblikken daarna, hij vooraan, tusschen de paarden en sabels der huzaren voor het poortje van het Binnenhof, dat echter dien dag niet werd ~genomen”, en waarvoor wel een zeer ernstige reden zal zijn geweest, want als Troelstra opnieuw zou hebben gecommandeerd, zou ook deze toegang zijn geforceerd. Dien dag zouden inderdaad groote groepen van arbeiders en arbeidersvrouwen op zijn bezielend woord „dooreen muur van vuur” zijn gegaan. In November 1918, bij het einde van den wereldbrand, maakte Troelstra zijn ~vergissing” in het parlement, die alle burgerlijke partijen van democratie en vooruitstrevendheid deed overloopen. Een golf van socialen vooruitgang kwam los. Echter van den eersten schrik bekomen begon inde burgerlijke pers van alle schakeering een haat- en lastercampagne tegen Troelstra, die wellicht haar weerga nog niet had gehad. Vooral was men er op uit Troelstra te scheiden van de partij. Doel was de „beweging” tegen hem op te zetten en hem dan, alleen staande, neer te beuken. Het vereenigd congres van partij en vakbeweging vond plaatste Rotterdam. Troelstra was er niet verschenen in verband met het gebeurde. Toen het congres goed en wel aan den gang was, kwam Moltmaker op het podium en vroeg waar Troelstra was. Alleen deze vraag ontlokte aan het congres een geweldige golf van geestdrift. Troelstra moest komen en werd gehaald. Wat er gebeurde toen Troelstra op het podium .verscheen, tart alle beschrijving. Met een stroom van liefde, waardeéring en geestdrift werd de toen al .moegestreden voorganger ontvangen. Opnieuw werd daar voor de zooveelste maal de onwrikbare trouw aan den leider, in voor- en tegenspoed, bezegeld. De beweging is van Troelstra en Troelstra is van de beweging. Vleeschelijk is hij nu van ons heengegaan. Vrijdag 16 Mei heeft de Nederlandsche moderne arbeidersbeweging hem naar zijn laatste rustplaats gebracht. Grootsch en indrukwekkend. Zijn graf is gevuld en omgeven door de liefde van tienduizenden Nederlandsche arbeiders, arbeidersvrouwen en kinderen. Nog worstelen wij met de gedachte dat hij niet meer bij ons is. Instinctmatig verzetten wij ons daartegen. Ons hart is in rouw gedompeld en er is een gat in ons leven geslagen. Nóg wordt onze mooie roode vaan, die hij hier zoo fier en zoo hoog heeft geplant, belemmerd in het vrije uitwaaien door de banden van het leed, door het verlies er zoo klemmend omgelegd. Maar wij zullen de harde werkelijkheid hebben te aanvaarden, wij zullen in het vervolg verder moeten strijden zonder hem. Laten we het doen in zijn naam en in zijn geest met al de kracht die in ons is. Dan zal onze roode vaan weer fier uitwaaien boven het voortschrijdende leger van den arbeid. Dan zullen wij zijn nagedachtenis waardig eeren. De staking bij v. Wijk en Boerma te Vries=Zuidlaren. (W. H. S.) Belangrijke gebeurtenissen hebben zich tijdens deze staking feitelijk niet meer voorgedaan nadat de drie Duitsche vaklieden, waarover wij in ons vakblad van 19 April reeds schreven, weer vertrokken zijn. Schreven w ijtoen dat zij, nadat zij ons hadden toegezegd niet aan ’t werk te zullen gaan, Dinsdag dit toch gedaan hadden, zoo kunnen wij thans mededeelen, dat dit niet geheel juist was. Wel waren zij op Dinsdag 15 April de fabriek ingegaan, maar dit was slechts om te probeeren van de directie reisgeld los te krijgen om weer terug te kunnen gaan naar hun Heimat. Toen dit niet gelukte, hebben wij hen van reisgeld voorzien, waarna ze direct vertrokken zijn. Een dag of tien later ontvingen wij van hen een Duitsch vakblad, waarin zij een waarschuwing hadden geplaatst om op aanbiedingen van de N.V. v. Wijk en Boerma niet in te gaan. In alle bladen hier inde omgeving heeft de directie telkens weer geadverteerd om personeel en wij hebben er zooveel mogelijk (waarschuwingen tegenin geplaatst.

Veel succes heeft zij er tot op heden niet mede gehad. Alles met elkaar heeft zij momenteel 12 onderkruipers in haar bedrijf. Maar daar het op een énkele uitzondering na geen vakmenschen zijn, heeft ze er een bedroefd schijntje aan. Geproduceerd wordt er dan ook niets. Wat anders een jongen vaneen jaar of zestien in één dag deed, zijn nu drie man een heele week druk mee en wat dan z.g. klaar is, is nog niet bruikbaar. Neen, met dat stelletje maffers dat er nu zit, begint de directie niets en ’t is al zoover gekomen, dat de heer Boerma in eigen persoon met den bedrijfsleider, de heer Kilthau, in het zoutzuur aan ’t werk moesten. Even liet het zich aanzien, dat de heer Boerma een zet had gedaan die voor hem van beteekenis zou zijn. Het was hem namelijk gelukt om één van de stakers te doen omvallen. Deze makker had naast zijn loon vrij wonen en nu weigerde de directie overeen zekeren tijd de huur te betalen als hij niet aan ’t werk ging. De man in kwestie en vooral zijn vrouw, lieten zich hierdoor overrompelen. Wij zijn echter eens met zijn vrouw gaan praten en daarna een van de stakers met onzen kameraad en het resultaat was, dat hij er weer uitbleef. Het was hem aan te zien, dat liet een heele opluchting voor hem was dat hij zich weer bij zijn strijdende makkers had gevoegd. Zooals wij hierboven reeds schreven, aan het stelletje onderkruipers dat de directie bij elkaar heeft weten te trommelen, heeft zij heel weinig en daar komt nu nog bij, dat die kerels met hun verdiensten niet tevreden zijn. Op Zaterdag 10 Mei vertrokken ze eerst tegen half twee in plaats van om 12 uur. Ze hadden oneenigheid met den heer Boerma en den bedrijfsleider over hun loon. ’s Maandags daarop was het al weer zoo, terwijl er een paar niet meer gekomen waren. Als het een beetje wil, zullen wij het nog beleven dat de onderkruipers een loonactie beginnen met als resultaat .. . een staking van onderkruipers. – Als het niet zoo intreurig was, zou men er om moeten lachen. Feitelijk is het een stelletje stumperds, waar je medelijden mee kunt hebben. Afbreuk aan de staking doen ze niet. Ze kosten der directie alleen maar geld, waar deze zoo goed als niets voor terugontvangt. Op de stakers heeft het ook niet den minsten invloed. Opgewekt en monter verrichten zij de hun opgedragen taak. Kalm en waardig wordt er gepost. De onderkruipers worden zoo mogelijk bezocht en getracht hen tot andere gedachten te brengen. Hoe lang deze strijd nog zal duren, is bij geen benadering te zeggen. De heer Boerma. schijnt een koppig, reactionnair mensch te zijn. Zooals ons werd medegedeeld, moet hij zich als volgt hebben uitgelaten; ~Wat ze vragen, dat kan ik wel geven, maar al moet het mij tienduizend gulden kosten, toegeven doe ik nooit.” De heer Boerma schijnt één ding te vergeten en wij vreezen dat hij er later spijt van zal hebben een dergelijk standpunt te hebben ingenomen. Want als hij van plan is er een tienduizend gulden tegen aan t$ kletsen, dan kunnen wij dat ook. Eén verschil is er echter: het geld, dat het ons als organisatie zal kosten, is geld om zoo noodig te staken, terwijl het geld van de N.V. v. Wijk en Boerma bestemd is om er zaken mede te doen en niet om het over den balk te smijten. Dat de directie het gevraagde kan betalen, daarvan zijn wij overtuigd. Er worden in deze onderneming jaarlijks minstens 40.000 kannen gemaakt, terwijl er nog geen / 40.000 loon werd uitbetaald aan 56 man personeel. Dat is dus nog geen ƒ 1.— arbeidsloon per kan, terwijl de kannen gemiddeld voor ƒ 7.— per stuk verkocht worden. De prijzen zijn als volgt: 40 literkannen ƒ 8.75 per stuk, 30 bierkannen ƒ 7.75, 25 bierkannen ƒ 7.— en 20 literkannen ƒ 6.75, De overgroote meerderheid der productie bestaat uit 30 literkannen. Nemen wij daarbij aan dat bij afname van groote kwantums 10 pCt. korting wordt gegeven, dan komen wij aan een gemiddelden prijs van ƒ 7.—. Bovenstaande prijzen zijn ons, door middel vaneen strooman, door de directie zelf verstrekt. Het wil ons dan ook voorkomen, dat de heer Boerma volkomen de waarheid spreekt als hij zegt dat hij het gevraagde wel betalen kan. Op 16 April beweerde de heer Boerma ook al tegenover den Rijksbemiddelaar, den heer Westerdijk, dat als hij nu toegaf, ze het volgende jaar weer met wat anders komen. Daar zit hem dus de kneep en wij kunnen het dan ook niet anders zien, dan dat de heer Boerma de organisatie onder zijn arbeiders wil breken. Ze moeten weer als voorheen als weerloozen terugkeeren, opdat er naar willekeur mede gehandeld kan worden. Wanneer de heer Boerma deze hoop koestert, dan vreezen wij voor hem een desillusie. De stakers doorzien dit spel volkomen en zij denken er niet aan, nu niet en nooit, pm zich als

overwonnenen het slavenjuk weer op te laten leggen. Schouder aan schouder, als goede kameraden, staan ze inden strijd en zoo zal ’t blijven tot de overwinning een feit zal zijn. De actie in het loodgietersbedrijf te Groningen. (W.H.S.) In het orgaan van den Christelijken Bond van 3 en 17 Mei j.l. verscheen van de hand van Markering een tweetal artikelen, waarin hij een en ander over bovengenoemde actie schrijft. M. stelt daarin vast, dat hij zich tegenover zijn leden niet behoeft te rechtvaardigen. Dat kan wel zoo zijn, want voor de rol, die de Chr. Bond in deze heeft vervuld, is M. niet alleen aansprakelijk te stellen. Ook van zijn leden-loodgieters zijn er eenigen debet aan. Verder merkt M. op, dat wij in hetgeen wij over deze actie in ons blad van 3 Mei schreven, opnieuw trachtten zijn houding min of meer ineen belachelijk daglicht te stellen. Dat is onze schuld niet. Wij hebben de feiten vermeld zooals zij zich hebben voorgedaan. Als daardoor de houding van M. ineen belachelijk daglicht komt te staan, ligt dat niet aan ons. Trouwens M.’s eigen geschrijf doet zulks eveneens en heeft hij daarmede tevens nog eens bewezen hoe onverantwoordelijk hij over de feiten is heengegleden. Wij zullen dit aan de hand der feiten aantoonen. In het orgaan van den Chr. Bond van 3 Mei j.l. schrijft M. o.a. het volgende; Donderdag vergaderden wij. (Dit was Donderdag 3 April. S.) Inmiddels was een schrijven ingekomen, dat de werkgevers bereid waren in het contract een artikel op te nemen van den volgenden inhoud: ~In afwachting van het resultaat van verdere besprekingen inzake leerlingstelsel wordt vastgesteld, dat uitsluitend jongens zullen worden te werk gesteld in het loodgieters- en fi Persbedrijf, welke óf reeds in het loodgieters- óf het fittersbedrijf werkzaam zijn, óf drie jaar inde metaalindustrie werkzaam zijn ge, wees;, óf een ambachtsschool met goed gevolg- hebben doorloopen Gezien den toestand in Groningen was deze bepaling niet van belang ontbloot. Tot zoover M. in het orgaan van den Chr. Bond van 3 Mei j.l. Uit hetgeen wij reeds eerder schreven over deze actie, mogen wij aannemen, dat den aandachtigen lezer bekend is hoe wij over deze zaak denken. Het voorstel inzake het leerlingstelsel is trouwens op voorstel van ons bij de patroons ingediend en het is juist het groote belang dat daaraan verbonden is dat ons inspireerde al het mogelijke te doen om in deze iets te bereiken. Nu de feiten. Op 24 Febr. 1930 vond een conferentie plaats met het bestuur van de patroons en verklaarde dit zich ten laatste bereid tegenover zijn leden het opnemen in het contract vaneen artikel te verdedigen, waarmede het aanneroen van jonge krachten geregeld zou worden. In deze conferentie waren de vertegenwoordigers van den Chr. en den R.-K. Bond niet aanwezig en deelden wij hun bij schrijven van 27 Febr. het resultaat van de conferentie mede. Op 4 Maart d.o.v. verzonden wij aan Markering en Prinsen een expresse, waarin o.a. het volgende vermeld was: Hierbij een afschrift van het van den B.L.F.N. afd. Groningen ontvangen schrijven. Zoo u ziet, hebben de patroons in hun laatst gehouden vergadering ook het in de 2e conferentie bereikte resultaat ten opzichte van het leerlingstelsel verworpen en blijft er alzoo niets anders over dan de volle premie ten behoeve der zi ekte-u i tkeeri ng. Op 4 Maart verzonden wij dus aan M. een expresse, waarin hem werd medegedeeld, dat de patroons het geformuleerde artikel inzake het leerlingstelsel hadden verworpen, maar niettemin laat hij zijn leden op Donderdag 3 April tegen het stellen vaneen ultimatum stemmen, mede op grond vaneen toezegging, die M. van zoo’n groot belang achtte, maar inmiddels door de patroons was teruggenomen. Is het nu onze schuld dat M. met z’n houding in deze ineen belachelijk daglicht is komen te staan? Natuurlijk niet, dat heeft M. aan zichzelf te danken en aan niemand anders. Wij stellen vast, dat men van de zijde van den Chr. Bond met deze actie niet