Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PRIJSSTIJGING Voor de Amsterdamsche arheidersgegevens thans sinds Augustus LI. 6.9 °/0 Het Bureau voor de Statistiek der gemeente Amsterdam heeft dezer dagen de kosten van levensonderhoud gepubliceerd van de arbeidersgezinnen te Amsterdam in December 1,1. vergeleken met Augustus, de maand vóór het intreden van de oorlogstoestand in Europa. Het indexcijfer van die kosten in het jaar 1911— T9!3 °P 100 stellende, waren die cijfers; Augustus '39 136.5 November '39 144.3 December '39 146.0 In December vergeleken met Augustus 1.1. een stijging van 9.5 punten of 6.9 %. Voor de voeding afzonderlijk waren de indexcijfers; 1911—'13 100 Augustus '39 124.4 November '39 136.2 December '39 137.3 of in December vergeleken met Augustus ’39 een toeneming van 12.9 punten of 10.3 %. _ De stijging bij de voeding wordt veroorzaakt door prijsverhogingen bij alle rubrieken behalve kaas, eieren en vetten, waarbij enige verlaging valt te constateren. Voor het eerst vertoont het totale indexcijfer thans een grotere toeneming sedert de voorafgegane maand dan het index-

cijfer voor de voeding afzonderlijk. Dit is te wijten aan het merkwaardige verschijnsel, dat de zgn. tweede helft van het budget, d.i. het totaal der uitgaven voor andere doeleinden dan voor voeding, in welke tweede helft de prijsbewegingen gewoonlijk langzamer en minder sterk tot uiting komen, ditmaal dooreen grotere beweeglijkheid wordt gekenmerkt. Verschillende van de desbetreffende rubrieken zijn betrokken inde algemene stijging en wel kleding, schoeisel, huisraad (huishoudelijk linnengoed), roken, verkeersmiddelen (rijwielen) en lichamelijke verzorging (toiletartikelen). Een aantal andere rubrieken bleef echter nog ongewijzigd. Onderstaande cijfers geven een overzicht van het verloop sedert het uitbreken van de oorlog. Totale uitgaven. Voeding. Index- Stijging Index- Stijging cijfers sedert cijfers sedert Aug. '39 Aug. ’39 Augustus 136.5 124.4 September 139.1 1.9% 128.2 3.1% October 142.8 4.6% 133.3 7-2% November 144.3 5-7 % 136.2 9.5 % December 146.0 6.9 % 137.3 10.3 % Als uitgangspunt is hierbij genomen de maand, welke aan het begin van de oorlog voorafging. Indien, ter verbreding van de basis van vergelijking, niet de maand doch het volle jaar vóór de aanvang van de oorlog, derhalve het jaar September 1938—-Augustus 1939, als grondslag wordt genomen, bedraagt de stijging in December 6.3 %.

VAN DE werklozenkas Hoger kasuitkeering (P*). Vrijwel dagelijks komen er uit de afdelingen brieven binnen met de vraag of de werklozenkasuitkering niet verhoogd kan worden.. Natuurlijk heeft het hoofdbestuur zich reeds lang hiermee bezig gehouden. Men heeft daarover reeds in U” kunnen lezen. Aangezien het niet een zaak voor onze bond alleen is, heeft het N.V.V. deze kwestie in behandeling. Ook heeft Hilgenga er over gesproken inde Tweede Kamer. Tot juist begrip willen wij er echter op wijzen, dat het hiermee heel anders ligt dan met de steunregeling of de werkverschaffing. De steunnormen en de lonen inde werkverschaffing worden vastgesteld naar gelang van behoefte; de lonen mede voor prestatie. De werkloosheidsverzekering is op andere grondslagen gebouwd. Uitkeringen van verzekeringen kunnen niet willekeurig worden vastgesteld. Die berusten op berekeningen naar inkomsten en uitgaven. Nu is een deel van de inkomsten, n.l. de subsidie van Rijk en gemeenten, wèl een vlottende factor, want die wordt vastgesteld naar behoefte van de kas. Maar dan zijnde uitkeringen nog weer gebonden aan de reglementaire bepalingen en in het bijzonder aan de lonen, in iedere plaats afzonderlijk. In vele plaatsen zal een algemene loonsverhoging noodzakelük zijn, om een hogere kasuitkering te kunnen verstrekken, tenzij het kasreglement gewijzigd zou worden. Het is dus hier niet een zo eenvoudige kwestie als met steun en lonen werkver-

schaffing. Maar met veel goede wil kan alles. Gelukkig heeft de Minister van Sociale Zaken aan zijn aanvankelijk besluit tot 5 % toeslag een zodanige uitleg gegeven met terugwerkende kracht dat kastrekkers, die onder de steunregeling vallen, de 5 % ook ten volle krijgen; dus ook op hun kasbedrag. Met een forse armzwaai heeft de Minister de ambtelijke Pietlutten opzij geschoven. Dat werd ook wel hoog tijd. Het grootste deel van -de leden profiteert dus volledig van de 5 % toeslag. Jammer genoeg blijven nu nog ineen nadelige positie .de leden die niet onder de steunregeling vallen. Daarvoor moet nu nog een oplossing gevonden worden. Men begrijpt nu wel, dat dit een lastiger opgave is. Maar nogmaals, als de wil er is, kan de weg gevonden worden. N.V.V. Tuberculose-Fonds * * * Inde maand November 1939 werden geheel of gedeeltelijk voor rekening van het N.V.V.-tuberculose-fonds uitgezonden naar sanatoria: 7 leden van aangesloten vakbonden, 2 echtgenoten van leden en ‘ 8 kinderen. Onder de echtgenoten was de echtgenoté vaneen onzer bondsleden te Philippine en van de kinderen x kind vaneen onzer leden te St. Maartensdijk. Op 30 November 1939 waren in verpleging 76 leden, 33 echtgenoten en 61 kinderen van leden. Aan 84 leden, 107 echtgenoten en 14 kinderen van leden werd op genoemde datum een wekelijkse bijdrage voor extra voeding, huishoudelijke hulp, huurtoeslag e.d. verleend.

FEITEN EN CIJFERS Blijkens de op 15 Januari 1.1. gehouden volkstelling bedroeg de bevolking van de Sovjet-Unie 170.467.000 zielen en wel 81.665.000 mannen en 88.802.000 vrouwen. Sedert 17 Dec. 1926 nam de bevolking toe met 23.4 millioen personen of met 15.9 pet. Het in September ingel-ijfde Polen telt ruim 12 millioen inwoners, zodat de Sovjet-Unie thans ongeveer 182 mill. inwoners telt. Het aantal jeugdorganisaties bedraagt thans niet minder dan 273. De ledentallen (in ronde cijfers) waren dit voorjaar: van de prot.-chr. 223.000, de rooms-kath. 375.000, de socialistische 33.000, de joodse 5.000, vrijz.-godsdienstige 16.000 en neutrale 108.000. Het vleesverbruik in ons land, dat inde laatste jaren regelmatig afnam, vertoont volgens het blad „De Vee- en Vleeshandel over het ie halfjaar van 1939 een stlJg'mg'- Het totaal verbruik van rund-, varkens-, paarden- en schapenvlees bedroeg in het ie halfjaar van 1939 160 millioei?kg- tegen 142.6 mill, kg. in het eerste halfjaar 1938 of een stijging van ongeveer 17 mill. kg. Het hoofdelijk verbruik steef van 16.4 op 18.2 kg. of met 1.8 kg., dat is 11 pet. Blijkens een nieuwe publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroeg het nationale inkomen van Nederland in 1936 4722 millioen gulden tegen 6279 millioen in 1929. Van dit nationaal inkomen bedroegen de lonen en salarissen. in 1929 2585 mill. gulden en in 1936 1936 mill. gld.Van 1929 op 1936 dus, een teruggang, van het gehele nationaal inkomen van 1557 mill. gld., en alleen van; lonen en salarissen van 622 mill, gld Van de verschillende bedrijfstakken was de stand in mill. gld. als volgt: Vefmin-1929 1936 dering land- en tuinbouw 663 422 290 industrie 2089 1316 – 773 verkeer 348 261 87 bank- en verzek.- ‘ Wezèn 194 168 26 overheid en onder. ,WIJS . 534 519 15 inkomsten uit buitenland 373 ig7 _ 1?6 Het inkomen van de personen, werkzaam in land- en tuinbouw, liepen dus van 1939 op 1936 terug met 290 millioen gulden, in industrie met 773 mill. gulden. . . Zzveden, een land van ongeveer 5 millioen inwoners, telde op 31 December 1938 898.000 georganiseerde arbeiders, verdeeld over 42 bonden met 7407 afdelingen. In 1938 nam het aantal georganiseerden met' 58.000 toe en het aantal afdelingen met 350. Zweden heeft een ongedeelde vakbeweging; Volgens eendoor het ministerie van sociale zaken ingesteld onderzoek wordt in ons land het aantal 65-jarig en en ouderen, die ouderdomsvoorziening ontberen, hoewel zij daaraan behoefte hebben, geschat op rond 120.000. Van hen bleken ongeveer 10.000 indertijd, niet bevoegd te zijn geweest een vrijwillige ouderdomsverzekering te sluiten. Het toekennen aan deze 120.000 personen vaneen kosteloze ouderdomsrente van ƒ 3.— per week (aan een echtpaar ƒ 5. per Week) zou het eerste jaar een uitgaaf van 16.8 millioen gulden vorderen. Onder de 120.000 personen vallen niet de 65-jarigen en ouderen, die ih het ''ez.it vaneen ouderdomspensioen, ongevallenrente enz. zijn van tenminste ƒ 156.— per jaar.

Sluiten