is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 22, 26-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Bijbel, het boek voor ons persoonlijk en gemeenschappelijk leven

DE TIEN GEBODEN

Wat Is nu de stuwende onvergankelijke geestelijke waarheid in deze tien geboden zo zeer, dat zij als norm en maatstaf kunnen, neen moéten gelden voor elk mens afzonderlijk en voor het volk als gemeenschap van mensen?

Het is deze waarheid en waarde, die voor alie mensen in alie tijden bindend is en yoorwaarde tot een waar achtige geestelijke levensbloei: dat zowel de mens als de gemeenschap, door zich vrijwillig te voegen naar deze wetten, de waarlijk zuivere vrijheid, vrede en levensvreugde, die eeuwig is, ontvangen en verkrijgen kan. De bevrijding, niet alleen van zijn eigen zinnelijke driften, waarin de mens van nature maar al te gaarne verstrikt zit, verlossing niet alleen van zijn blinde zelfen hebzucht, die toch ook weer afhankelijk is van den evenmens, daar hij zonder hen die driften niet kan uitleven, maar juist door deze vrijwording van zijn ik-drift, verlost wordt ook van zijn vernederende afhankelijkheid der anderen. Deze wetten scheppen orde en evenwicht in het chaotisch denk- en dadenleven van de individuen, waarin zo talloze belangen en behoeften tegen elkaar in- of uiteenlopen. Zij willen samenhang brengen in het verschillend veelvuldige, saamhorigheid en verband, ordening en regelmaat in een wereld, waar de mensen geneigd zijn langs elkaar of over elkaar heen te lopen, eigen verrijking van lichamelijk en geestelijk leven te zoeken en door te zetten, vaak tot schade en ten koste van dat der anderen. En nu moet men niet denken wat vaak gedacht wordt dat het voor ons mensen onmogelijk is, deze goddelijke wetten te volvoeren en te vervullen. „Want deze geboden, die ik u heden gebied, zijn voor u niet verborgen of onbereikbaar-ver. Zij zijn niet iets boven-aards, iets hemels, zodat ge zoudt kunnen zeggen: Wie zal voor ons in de hemel opstijgen om ze voor ons te openbaren, opdat wij ze horen en doen? Zij liggen ook niet aan de overzijde van de zee, zodat ge zoudt kunnen zeggen: Wie zal voor ons de zee oversteken om ze voor ons te halen, opdat wij ze horen en doen? Want dit woord, deze geboden zijn heel dicht bij u: ze zijn in uw mond en in uw hart, ze vormen een natuurlijk deel van uw mensenaard, opdat ge ze spontaan en vrijwillig kunt doen.” (Deuteronomium 30 : 11-14.). Leiders of dictators, die ons him wil opleggen, hebben we hiervoor niet nodig. Wellicht wel voorgangers, maar dan in de werkelijke, levende zin van het woord.

En nu moet men ook niet denken, dat deze wetten van de levende mensen zielloze mechanismen zouden maken (de wetten staan sinds de prediking van Paulus bij de Christenheid in een kwade reuk!), dat ze elk spontaan

gevoel en levend geloof in het mensenhart zouden kunnen belemmeren of verstikken, de ontplooiing van de menselijke persooniijkheid tegenstaan doordat ze de mens, die de wetten als norm voor zijn eigen en gemeenschappelijk leven aanvaardt, tot werktuigelijk en fanatiek volgeling of aanhanger van de leer verstarren. Zeker, dit gevaar is niet denkbeeldig bij hen, die aan de letter hangen we vinden er voorbeelden genoeg van in het type van de schijn-heilige, geveinsde priesters en schriftgeleerden uit de nieuw-testamentische periode (ook Saulus was aanvankelijk een verblinde ijveraar voor de wetten, dreiging en moord stokend tegen de eerste weerloze Christenen terwille van de abstracte verheerlijking van de wet!) (Handelingen 9 : I—2). mensen die de wetten wel gaarne met de lippen belijden, maar ze niet doen (Matth. 23-2-3-4 etc.) tegen wie Christus dan ook op ongewoon-felle wijze met vernietigende veroordeling in het veld trad. Een hardnekkig mensentype, die wij ook nu nog in de 20e eeuw overal kunnen aantreffen, daar ze een bepaald schema, een dogmatische Christus-ieer aanvaarden en deze met geweld desnoods, te pas of te onpas in alle mogelijke levensverhoudingen willen wringen, zonder acht te slaan op wat er nieuw woelt en bloeit in de harten en hoofden der mensheid. Zij maken van het levende Woord, van de innerlijke levenswetten een star stelsel, dode letters; zij maken van de Geest een afgod, wringen de mens in één bepaalde gestalte, beelden hem af in één steriotiepe figuur en in hun ijveren voor de overgeleverde leer der vaderen overtreden zij met gedachten en daden dezelfde wetten, die zij met de lippen iuid verkondigen en belijden. Zij bannen de levende profetische Geest uit hun midden, achtervolgen en geselen een nieuwe, heilige geestdrift met hun hoon en spot, doden en kruisigen het lichaam van hen, die het zaad dragen voor hernieuwde opbloei, en menen in hun ijver voor de instandhouding of herziening van overgeleverde formatie (organisatie) mét dit lichaam ook de kiemen van de heilige Levensgeest te hebben gedood. Zij beseffen niet, dat de Geest een stroom van heilige geestdrift is, een machtig vuur, vloeiend en vonkend in vele harten, die zich niet vastzet in één bepaalde historische persoon, maar als een wind waait waarheen hij wü, dan ais een niet te keren storm de harten aangrijpt, af brekend wat molmde en wankel stond, daar het niet gebouwd was op het hechte fundament der goddelijke levenswetten.

Bezien wij nu deze goddelijke wetten der mensheid eens nader:

Meester, wat is het grootste, voornaamste gebod in de wetten?

Gij zult God, uw God, de God der mensen, liefhebben met geheel uw wezen, met hoofd en hart, ziel en zinnen; Gij zult uw evenmens

liefhebben zoals ge u zelf lief hebt. (Deut. 6:5; Leviticus 19 ; 18).

Aan deze twee geboden hangt de gehele wet en de getuigenis der profeten. Zij zijn de spil waarom het wezenlijk deel der heUige Schrift draait, het fundament waarop Gods Pian, de goddelijke Idee Zijn koninkrijk in de mensheid op aarde optrekt, voltrekt. Vraagt niet het eerste gebod een volkomen overgaaf van ons aan God, de Vader en scheppende Oppermacht van het Leven? Zoals de bruid zich geeft, zonder terughouding, on voorwaardelijk 2dch geeft aan hem die zij liefheeft, in'hém al haar kinderlijk, maar rotsvast vertrouwen steit, al haar gedachten en daden gaan van en naar hem uit, hij is het centrum van waar zij uitgaat en waarnaar zij keert (het motief van het Hooglied!) zo, even natuuriijk en spontaan, even vrijwillig maar gebonden door inneriijke noodzaak, zal de verhouding tussen de mens en God, de Schepper der mensen, dienen te zijn. In God dient de mens, het volk, al zijn vertrouwen te stellen. Niet steunen op, niet aanhangen de macht van mensen, prinsen, priesters, dictators, koningen; niet onvoorwaardelijk bouwen op paarden en vechtwagens, tanks, kanonnen, mortieren, houwitsers, bommenwerpers, pantserplaten, betonnen schansen en wallen, geweren, bajonetten, gifgassen, rook en vuur en bloed, (en al wat de mens nog meer tot vernietiging van zijn evenmens bedenkt en bedrijft), maar zich zelf, in dienende eerbied, in vroom en geduldig geloof, overgeven aan God, de hoogste Macht van wijsheid en rechtvaardigheid, het Leven. Hoe moeilijk is dit! Hoe onmogelijk lijkt het voor ons mensen, om deze vervuiling en vrijheid in God te vinden, God, die wij belijden te zijn onzienlijk, onbegrijpeiijk. Hoe kunnen wij in Hem de hoogste Macht zien van volkomen wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en de overvloeiende bron van zegen en zaligheid. Hem als het centrum van ons leven begrijpen? Verliezen wij niet eik houvast, wanneer wij ons aan deze niet waarneembare, niet tastbare, niet te begrijpen God willen overgeven, wij, die in onze nood en ellende, verstrikt in de opeenvolging van momenten, dag in dag uit overstelpt door de stroom van feiten en gebeurtenissen, van daden en gedachten, ons vastklampen aan vast-omlijnde vormen, bepaalde begrippen en formules, om ons althans staande te kunnen houden, innerlijk en uiterlijk, voor wat er stormend op ons af en in ons opkomt.

Goed, grijpen we dan naar een houvast! Grijpen we dan naar een dagelijkse taak, een plicht, die ons kan aansporen tot het hoogste der liefde; laten we dan ons innerlijk leven regelen en richten naar de mensen om ons heen, die onze even-mensen zijn. Laten we hen liefhebben, zoals we ons zelf liefhebben, dat wil zeggen: Hen niet aandoen wat we ons zelf ook niet willen zien aangedaan; hen niet belasteren, beliegen, bedriegen; beroven van goed en bloed; hen niet doden, niet verdoemen en vervloeken, ja, al waren ze ook onze vijanden! Laten we onze evenmens opnemen in onze gedachten- en dadenwereld, inkerend tot ons zelf, om ook onze gedachten en gevoelens heen te keren naar ~andere” mensen, in wie wij toch ook ons eigen menszijn terugzien, terugvinden, zij het dan ook in verschillende gestalte. Dan staan we op werkdagen en wekelijkse rustdag niet aUeen met onze nood en vreugden, niet sidderend alleen voor God, maar vinden een deel van ónze zorgen, smarten, vreugden en verrukkingen terug in de mensen, die onze even-mensen zijn, omdat wij gelijke rechten en plichten hebben, een gelijk lot van leven en dood dragen, omdat ons „ik” niet meer-, niet minderwaardig, maar gelijk is aan het „ik” der anderen. Dan kan het zijn, wanneer we deze tien goddelijke geboden gewillig als ónze taak in ónze tijd aanvaarden, ze als het centrum, het fundament van onze geloofs- en levensbelijdenis in eigen innerlijke staat en in de staat buiten ons opstellen, dat we na een tijd van worsteling met de weerstand van onze hebzuchtige, zelfzuchtige natuur en die der anderen, komen als één volk van vrije, fiere, zelfstandige mensen tot de dienende overgave aan God, de Schepper van het Leven, ANDREAS GLOTZBACH,

vrede tot stand komt, maar op een basis van openlijke wederkerigheid en wederzijds respect”.

Internationaal is Chamberlain’s plan, met de dictatoriale staten tot een accoord te komen onder de leuze van vergeten-en-vergeven, gevaarlijk, om de daarin verborgen opvatting van de internationale politiek als een koehandel. Wij hebben hier, en ook in een uitgebreider studie, naar aanleiding van de voorstellen van Lord Halifax te Berlijn, getoond, begrip te hebben voor een economische strategie, teneinde het dreigende oorlogsgevaar in Europa te bezweren. Wat ons thans ter ore komt over het karakter van de volkomen geïsoleerde Engels—ltaliaanse ruiltransactie, waarbij in de practijk de Spaanse republiek aan ae fascistische overweldigers wordt uitgeleverd (wanneer Franco oorlogsrechten worden verleend, kan Mussolini desnoods het gros van zijn vrijwilligers terugtrekken: de dan geoor-

loofde blokkade, natuurlijk met Italiaanse steun, zou eenvoudig de Spaanse democratie kunnen „wurgen”!) vervult ons met afgrijzen voor een dergelijke „pacificatie”. In zijn bovenaangehaalde rede tot de jeugd zeide Eden nog: „Indien wij vrede willen hebben ook in Uw tijd, betekent dit, dat er in de overeenkomsten, die wij thans aangaan, geen opoffering van beginselen en geen onttrekking aan verantwoordelijkheden mag voorkomen, louter met het doel, snelle resultaten te behalen, die niet duurzaam zullen zijn.”

De vrede is reeds eenmaal bezoedeld door ordinaire kwanselarijen: dat was in 1935, toen Laval de Volkenbond voor het bondgenootschap met Italië verried. Moge de naam van Chamberlain niet verbonden worden aan een ondergang van de Spaanse democratie, die een smaad voor de mensheid zou zijn. B. W. SCHAPER.