is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 37, 11-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Renteniersgezindheid

De .schrijver der Schetsen van Oeld- en Fondsenmarkt in de N. R. Crt. maakt bezwaar tegen het sterke verlangen, om bij ongeschiktheid voor het werk en ouderdom zekerheid van bestaan te hebben door een pensioen. Er wordt voor alle overheidsambtenaren, zo schrijft hij, pensioen gespaard; daarbij komen dan nog de grote particuliere pensioenfondsen; hij maakt vooral ook bezwaar tegen de drang naar grote en vroeg ingaande pensioenen. Hoewel verreweg de meesten hun pensioen zelf betalen en het rechtvaardig is, dat zij, die wel werken, maar te weinig verdienen, eens premievrij hun pensioen ontvangen en vervroeging van de leeftijd, waarop de arbeid neergelegd en het pensioen ontvangen wordt, aan jongeren de zo dringend nodige kans geeft, om aan hun tijd en kracht een doel te geven, ondanks al deze grote voordelen is de schrijver in de N. R. Crt. van oordeel:

„Pensioen is tenslotte een vorm van volksinkomen, dat de productieven voor de nietmeer-productieven moeten afzonderen. Die kant moeten wij niet verder op. Men moet van een volk geen volk van renteniers willen maken”.

Wij achten het integendeel toe te juichen, dat de jongen ook voor de ouden, de sterken ook voor de zwakken werken; wij vinden hierin een der grondbeginselen van het Christendom. Premievrij pensioen is een uitzondering; de verzekering, die men zelf door premies betaalt, is een voorzichtige en verstandige vorm van sparen, die verre te verkiezen is boven het zelf oppotten. Er is ook een verschil tussen den gepensionneerde en den rentenier. De eerste kan zeggen: Ik heb gewerkt, totdat ik oud of voor het werk ongeschikt werd; een niet gering deel der laatsten moet daarentegen verklaren: Ik heb zelf weinig of niet gewerkt, maar voor mij laten werken; ik heb mijn tijd niet besteed en mijn kracht niet versleten door enige arbeid en zou toch rustig en makkelijk kunnen leven, als er maar niet de zorg was over de lage rente en over een veilige geldbelegging in deze tijd.

De felle veroordeling in de N. R. Crt. treft niet de gepensionneerden, maar wel hen, die ook in de jaren van hun kracht reeds leven van een arbeidsloos inkomen. Dat is een vorm van volksinkomen, dat de productieven moeten afzonderen voor hen, die laten werken, maar er zelf geen deel aan hebben, die oogsten, wat een ander gezaaid heeft. Zonder het te bedoelen, heeft de schrijver in de N. R. Crt. met zijn critiek hen getroffen.

De begeerte naar zekerheid van bestaan, ook wanneer men door invaliditeit of ouderdom niet meer zal kunnen werken, is wel te onderscheiden van renteniersmentaliteit.

Verdraagzaamheid en Rome

Mensen, die zelf geen eigen overtuiging bezitten en zich uit gemakzucht of geestelijke traagheid buiten elke strijd houden, zijn vaak zeer verdraagzaam en verzekeren, dat ieder het maar zelf moet weten, tot welke partij of kerk hij behoort; ze willen ieder daarin vrij laten. Die verdraagzaamheid is echter niets anders dan lamlendigheid. Maar er is een andere, edeler verdraagzaamheid, die voortkomt uit het verlangen, om ook den tegenstander geestelijke vrijheid te geven, uit het besef, dat men nooit aan de ene zijde de waarheid tegenover de dwaling aan de andere kant vindt en het verstandige inzicht, dat men door bespotting of verdrukking nooit een tegenstander overtuigt en voor zich wint, waarbij nog komt de begeerte, om den andersdenkende niet nodeloos te grieven in hetgeen hem heilig en waar is. Bestrijden en verdraagzaamheid, trouw aan een eigen, sterke overtuiging en verdraagzaamheid sluiten elkaar niet uit.

Rome blinkt niet uit door deze verdraag-

zaamheid en daarom wijzen we op een bijzonder mooi voorbeeld van verdraagzaamheid in de echte en edele vorm bij een gemeentebestuur en een gemeenteraad, voornamelijk uit Roomsen bestaande.

Een gemeenteraadslid van Ginneken stelde voor, in de raadszaal een kruisbeeld op te hangen. B. en W. gaven over dit voorstel hun prae-advies, waarin dit college erop wees, dat er in de raad een minderheid is, die wel de diepste eerbied voor Christus koestert, maar aan dat gevoel geen uiting meent te moeten geven door het plaatsen van een kruisbeeld. Onder de bezoekers der raadszaal zouden er ook kunnen zijn, die dit beeld niet met de vereiste eerbied zouden bejegenen; dit zou wellicht niet uiterlijk worden getoond, maar inwendige gevoelens zijn van diepere betekenis dan uitwendige tekenen. Ook wezen B. en W. er in hun prae-advies op, dat de raadszaal niet is voor een deel der bevolking, maar voor de bevolking in haar geheel.

De Roomse gemeenteraadsleden, de overgrote meerderheid, hebben de voorlichting gevraagd van den deken, den oudsten pastoor en deze verklaarde het geheel eens te zijn met het prae-advies van B. en W. Met slechts twee stemmen er tegen besloot de raad daarop, geen kruisbeeld in de raadszaal te plaatsen.

Meermalen zijn er in gemeenteraden onverkwikkelijke debatten gehouden over een voorstel, om de zittingen met gebed te openen; men heeft daar dan meestal bij meerderheid van stemmen het gebed gekregen. Een bepaald formulier wordt dan door den voorzitter voorgelezen. Een van de diepste en heiligste opwellingen uit het hart van den mens voorgeschreven bij gemeenteraadsbesluit door meerderheid van stemmen!

Aan anderen wordt het gezamenlijk bidden opgelegd, of zij worden gedwongen, eerst na opening ter vergadering te komen. Tegenover het heilige past schroom, opdat het niet ontwijd worde. Men dringe het ook niet bij anderen op, want zij worden er juist door afgestoten. Dat men! zo ook niet krachtens een stemming een kruisbeeld in een raadszaal moet plaatsen, heeft men te Oinneken begrepen.

Schone verdraagzaamheid heeft daar zich verzet, een deel van de leden van gemeenteraad en gemeente te betrekken in de publieke plaatsing van het kruisbeeld, dat een teken is van Roomse Christusverering.

Christelijke politiek

L—l et Kamerdebat over de bestrijding der ' ' werkloosheid is niet vergeefs gevoerd. Wel schaarde zich de grote meerderheid der Kamerleden achter de regeringen werden de moties van prof. Van Oelderen verworpen, maar de noodzaak, om het grote kwaad der werkloosheid met grote middelen te bestrijden, zal door deze besprekingen wel sterker bewust zijn geworden en dit zal zeker ook niet zonder invloed blijven op de maatregelen, die de regering zal nemen.

Bij’ het debat vroeg de chr. dem. Van Houten, of de regeringspolitiek ten opzichte der werkloosheid wel christelijk verantwoord is en hij ontkende dit. Hij noemde het niet genoeg, dat de regering zich christelijk noemt; zij moet ook christelijke daden verrichten. Jhr. De Oeer verzette zich ertegen, dat men op grond van verschil in economisch inzicht een ander verdenkt van afwezigheid van christelijke naastenliefde. De chr. hist. heer Bakker wees op het internationaal karakter en de internationale oorzaken der werkloosheid en noemde het onchristelijk, tegenover internationale verschijnselen van deze aard de regering onchristelijk gedrag te verwijten en daarbij Christus’ woord eigenlijk te misbruiken.

Oodsdienstige en zedelijke beginselen spreken ook een woord mee in staatkundige en economische vraagstukken; het gaat daarbij om zedelijke beginselen, om belangen en om

de techniek der maatregelen ter oplossing; maar men moet voorzichtig zijn en de beginselen niet met de poUtiek vermengen, noch minder ze als een etiket met aanbeveling ervoor gebruiken. We hebben eens horen zeggen, dat de werkloosheid nooit zo grote omvang zou hebben gekregen en eerder zou zijn verdwenen, als men geen steunmaatregelen voor de werklozen had ingevoerd. De dokter met harde hand en middelen' zou hier de beste dokter geweest zijn. Het was niet de eerste de beste, die dit zeide en meende; wij zijn het allerminst met hem eens, maar we zouden hem om zijn mening toch geen gebrek aan naastenliefde durven verwijten.

De aanhangers der christelijke politiek hebben het aan zichzelf te wijten, dat zij van een onchristelijke politiek beschuldigd worden. De heer Bakker noemde het onchristelijk, de regering onchristelijk gedrag te verwijten. Maar wie zichzelf aankondigt als de brenger van een christelijke en nog wel positief christelijke politiek, stempelt daarmee een andere als een onchristelijke politiek. Wie kaatst, moet de bal terug verwachten. De bal kwam uit de hand van den heer Van Houten tegen de neus van minister Colijn. De politiek van den heer Van Houten inzake de landsverdediging is zozeer in strijd met het Christendom geacht, dat hij uit de kerk, waartoe hij behoorde, uitgebannen is. De C.D.U. wordt ook niet tot de christelijke partijen gerekend.

Uit het debat bleek, dat minister Colijn gans andere inzichten heeft over de werkloosheid en de middelen om haar te bestrijden, dan prof. Van Oelderen. Zou de eerste daarom niet even vurig wensen, dat ook de laatste werkloze weer aan de slag kwam als zijn tegenstander? Wij durven in deze niet oordelen. Wel trof het ons, dat de minister de kwestie bijna uitsluitend technisch behandelde en dat er in zijn betoog zo weinig bleek van bewogenheid over het grote lijden der werklozen en hun gezinnen.

Zijn rustig betoog werd alleen door momenten van hartstocht onderbroken, waar hij zijn tegenstanders bestreed. Overigens had hij even knap en koel kunnen spreken over een of andere belastingkwestie of over een petroleumconcessie op Ned. Ouinea.

In het betoog van Colijn hebben we gemist de bewogenheid en de deernis over hen, voor wie de toekomst even donker is als het heden. We oordelen niet over het hart, maar in het woord en de redenering van Colijn misten we de toon en de warmte van den christen tegenover de nood van een groot deel van het volk.

J. A. BRUINS.

BOEKBESPREKING

J. Huizinga. De wetenschap der Geschiedenis. Ing. ƒ 2.90, geb. ƒ3.90. Uitg. Tjeenk Willink. Haarlem 1937.

De Leidse hoogleraar Huizinga behoort tot de niet zo tairijke geieerden die tot een ruimer beschaafd pubiiek spreken. Men ieest hem nooit zonder hoog geesteiijk genot; een mooie stiji, gewooniijk prachtige definities, nieuwe inzichten en uitzichten, een diep indringingsvermogen en een zeer grote kennis. Toch ook niet althans zo gaat het mij zonder een zekere teleurstelling. Huizinga’s levensideaal is sterk aristocratisch met een dunkt mij pessimistische onderstroom, die ik ook dan aanwezig voel wanneer de woorden liet ontkennen.

Na de „Cultuurhistorische Verkenningen” waarin Huizinga reeds methodologische beschouwingen gaf, brengt dit boek (ontstaan uit voordrachten in 1934 in Spanje gehouden) voor zover ik zie geen wezenlijk nieuws (zelfs niet in de vorm van grondig ingaan op de bezwaren van critici (ik denk met name aan dr. J. Romein). Dit laatste vooral betreur ik. Toch; een boeiend geheel, dat voorlopig wel het laatste woord van Huizinga over deze kwestie zal blijven en dus in zekeren zin fundamenteel voor zijn theorie. Theologen en cultuurfilosofen zullen, wanneer zij het hunne trachten te zeggen over b.v. het vraagstuk „Geloof en Geschiedenis” aan deze beschouwingen niet voorbij kunnen gaan. Zij mogen dan ook kennis nemen van Romeins kritiek (in Het Onvoltooid Verleden) en van Bartstra's analyse: ~Het gestaakt dispuut” in Nederlandse Historiebladen van Jan. 1938. Voor zover ik weet, heeft Huizinga op dit laatste (nog?) niet geantwoord. W. B.