is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 5, 04-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

CADENABBIA

De heilige Magdalena

De eeuwige vraag, die mogelik in de herfstdagen wat sterker op ons toetreedt dan in de bloeiende lente of in de volrijpe zomer: wat houden wij blijvend in onze handen? Dagen rijen zich aan dagen, natuurnoodwendig; lotgevallen stapelen zich op lotgevallen; leed en vreugde, pijn en geluk wisselen elkaar af, zonder dat wij hun geheimzinnige samenhang doorgronden. Alle dingen van het leven glijden door onze handen; het leven zelf is als water dat tussen de vingers doorstroomt wat is in dit rusteloos vlietende leven het eeuwige?

Is het misschien niet anders dan de dood? Naast de vragende vrouwenfiguur, die met heel haar wezen, met de diepste

spanning van haar ziel vraagt, het antwoord in de vorm van het doodshoofd. Zeker, het is èen antwoord: alle leven vindt zijn einde in de koele, verheven, zwijgende majesteit van de dood. Toch is het niet hèt antwoord, dat alle vragen oplost. Ook met dit antwoord naast zich, blijft Magdalena vragen.

Het wezen van het leven is niet het rusteloos voortstromen. Dit is slechts verschijning. Tot de verschijning behoren lotgevallen, smartelike en vreugdevolle. Het wezen ligt dieper, in het mysterie van de ziel. Het wezen van ons leven is: streven naar innerlike goedheid, strijden voor gerechtigheid en waarheid; rusteloos zich richten naar die geesteswaarden, die als

sterren stralen aan een eindeloos diepe hemel. Het wezen van ons leven is: dienen.

Vraag niet, of eigen verlangens en wensen bevredigd worden; ga niet onder in het streven naar tijdelik sukses of aardse macht. Alles glijdt door de vingers heen als water. Vraag slechts of ge met uw leven dienen moogt die geesteswaarden, die het leven verlichten en doorstralen. Vraag slechts of ge God moogt dienen met uw klein bestaan.

Dan hebt ge de antwoorden niet op de vraag, die de nieuwsgierige mens steeds stelt: de vraag naar een hiernamaals. Maar dan kent ge wel de stille vrede: ik heb mijn God, dat is genoeg.

Boekbespreking m iiiiiiiiiiiiiiiiiiii, ■ iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil =

Ina Seidel. Het Wensch-Kind. Nederlandsche bewerking van Tony de Ridder. 1933. Van Holkema en Warendorf’s U.M., Amsterdam.

Dit is een rijk en levenswarm boek. Er hangt een rijpheid in als van een van vruchten overvolle herfst, er drijven ontroeringen door heen, die ons hart vullen met een zwaar en onmachtig verlangen, er worden woorden gefluisterd, zoo stil en liefelijk, alsof er een hemel achter opengaat er zijn stemmen in, trillend van wilde tragiek en daden, donker van onontkoombare noodlottigheden.

Het is niet mogelijk in kort bestek van dit boek van 682 blz. een inhoudsoverzicht te geven. Het behandelt gebeurtenissen, die zich afspelen tusschen 1792 en 1813 in het door de Franschen overvleugelde Duitschland. Het is echter geen gewone historische roman (al is het van de sfeer van de toen heerschende toestanden en denkwijzen doortrokken), maar een boek van menschelijke ontroeringen, waarvoor reëele feiten slechts de op den

achtergrond blijvende aanleidingen zijn. En het zijn vooral de innerlijke ervaringen van de Moeder. Het is een boek van het Moederschap; de eeuwige drang tot vervulling, tot overgave, tot bescherming en offering stuwt door de bedding der gebeurtenissen heen en breekt de dammen van verbod en conventie door. Cornelie, de moeder van het „wensch-kind” is hoofdpersoon, de Mecklenburgsche, met haar zware teederheid, haar sterke verknochtheid aan de aarde en haar eigen menschen. We zien haar in een mystische verhouding tot alle levensverschijnselen, er is iets boventijdelijks in haar relaties, omdat alles opgenomen wordt in een verband met kosmische wetten, met eeuwige waarheden.

De titel heeft betrekking op het wonderlijke vermogen van haar zoon Christoph, het wensch-kind, om plotseling te weten, wat er gebeuren zal. Dan is er een geweldige spanning in hem, het is, of hij de toekomst beheerscht en wenscht, wat later gebeurt. Hij meent, dat hij het lot beïnvloeden kan, omdat hij ervaart, dat op een sterk geconcentreerd wenschen de vervulling volgt. De schrijfster heeft er goed aan gedaan, deze gave niet te gaan verklaren van uit metaphysische of parapsychologische opvattingen, maar geeft ze een enkele maal aan om voelbaar te maken die andere Werkelijk-

heid, die achter dit leven staat, sterk en zeker en stralend. Het is deze Werkelijkheid, die aan het hier geboden lange levensrelaas een dieperen zin, een verlossende aanvaardbaarheid geeft. En zoo geeft dit boek, dat groote menschelijke smarten beeldt en vol is van geweldige bewogenheden, troost en rust ook waar alles donker is van ondoorgrondelijke tragiek. j. T.

Het Evangelie in de vier Evangeliën. Een bijdrage tot samenschouwing der vier Evangeliën door Lic. Robert Goebel. In het Nederlandsch vertaald door Dr. P. C. J. Los. (Van Gorcum & Comp. Assen. 1933. ƒ 1.25.)

De schrijver beschouwt het Evangelie als kunstwerk in zijn viervoudig karakter, als samenvloeiing van geestelijk-historische stroomingen, als samenvloeiing van vier zielegesteldheden en als samenvloeiing van een viervoudige Christus openbaring.

In „Ter inleiding” zegt de vertaler, dat de schrijver de bezwaren van den moderne vaktheoloog tegen zijn manier van beschouwen zeer goed kent, maar uit het geschrift zelf blijkt, dat hij • aan die bezwaren maling heeft. Het laatste zal voor sommige een aanbevehng zijn, anderen zal het afschrikken. v. K.