is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 13, 30-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDEJAARSNACHT

Wij staan te nachte bij de baar van het gestorven oude jaar Nog zijn de plagen niet geëind,

nog heerscht wat hart en rede schrijnt. De logen met haar monsterkop, al vretend menschenvreugden op, al klemmend met haar klauwen.

is nog niet neergehouwen. Nog wijlt er overal geschrei.

geperst uit onrecht: „maakt ons vrij; wij wachten hulp en handen

die scheuren schand’ en banden”.

We neigen lokkend naar ’t beleid

van Mensch-zijn dat van vloek bevrijdt. We beiden ’t mededoogen

dat dweeploos breken kan de boei en wreede ban van lij denszwangre logen, die kwade bron is van geweld

dat recht en rede schendt en scheldt.

Te nachte bij de baar van ’t jaar belooft de liefde: ’k Maak je klaar het Licht te zaaien en te zijn, te ontmaskren tirannie van schijn. Ik open je het boek van schuld, waarin de iogen wordt onthuld. Ik zal door godlijk schamen

je tot je Taak bekwamen.

K. BRANDWIJK.

Waf is Waarheide

XI. Het Vrijzinnig Protestantisme

w ij naderen het einde van wat wij wilden behandelen in deze serie van artikelen. Menige lezer (of niet-lezer) die ze wat moeilijk vond, zal daarover ook niet rouwig zijn. Het spreekt van zelf dat hier nog allerlei ter sprake komen kan, geestelijke en godsdienstige denkwijzen en stroomingen ook van dezen tijd. Wij willen nog slechts een woord zeggen over twéé daar van, het „Vrijzinnig Protestantisme” en het „Religieus Socialisme”.

Over het „Vrijzinnig Protestantisme” bestaat veel misverstand, bij tegenstanders, en ook wel bij aanhangers. De naam duidt in elk geval wel aan allereerst wat het niét wil wezen: het is geen Roomsch-Katholicisme en geen orthodox-Protestantisme; het erkent geen onfeilbaar kerkgezag, waarvoor het zich moet buigen, het erkent ook geen uiterlijk gezag van bijbelsche overlevering of kerkelijke belijdenis waaraan het zich zou moeten onderwerpen. Ook is naar het eigen wezen geen gesloten leer, die, onveranderlijk, aller instemming verlangt, en die twijfel en tegenspraak uit zou sluiten. Het is veeleer een levend beginsel, het beginsel eener zedelijke geestesreligie die zich slechts beroept op het innerlijke getuigenis van den eigen waarheidszin, en die, diep in de historie wortelend, tegelijk open wil staan voor de waarheid van het heden en van de toekomst. Historisch en ideëel heeft men bij Vrijzinnig Protestantisme te denken aan eene onafhankelijke, dynamische werkelijkheids- en waarheidsreligie, die een eerlijke eenheid van wetenschap en geloof bedoelt, en die midden in de wereld haar godsdienstige roeping wil trachten te vervullen.

Dat men zulk een religieuze denkwijze niet aanstonds algemeen verstaat, noch

aan de rechter-, noch aan de linkerzijde is geen wonder. Evenmin dat hare aanhangers niet eene eens voor al geformuleerde confessie kunnen overleggen, waaraan zij zich allen gebonden achten. Er doet zich onder Vrijzinnig Protestanten allerlei verschil van opvatthig en tegenstelling voor, zoowel ten aanzien van hunne geloofsovertuigingen als van de practische toepassing daarvan; zij geven een veelheid van getuigenissen, waarbij zij zich dan, in meerdere of mindere mate, vereenigd blijven weten door het ééne beginsel. *)

Aan één van de getuigenissen, bovengenoemd, moge hier worden gedacht. Het is de „Beginselverklaring van het Vrijzinnig Protestantisme” opgesteld door de „Centrale Commissie” in het jaar 1931, waarin een poging werd gedaan tot nadere aanduiding van de beginselen en den geloofsinhoud van de groepen die zich tot het Vrijzinnig Protestantisme willen rekenen. Ook deze „beginselverklaring” moet men niet opvatten als een bindende geloofsbelijdenis en in den aanhef van het stuk kan men lezen hoe ook in den boezem der C.C. verschil van inzicht bestond ten aanzien van deze geloofsverklaring. Bij de besprekingen heeft schrijver dezes tegen schijn van een bindende belijdenis nadrukkelijk willen waken en ten aanzien van sommige formuleeringen ernstig bezwaar gemaakt. Intusschen ligt hier een waardevol document voor ons, welks strekking naar ik meen hartelijke instemming verdient en welks grondgedachten wij hier, op wat vrijere wijze, willen weergeven. Het stuk in zijn letterlijken vorm moge dan wie wil aanvragen bij het Bureau van het Vrijz. Protestantisme, Nieuwe Gracht 27, Utrecht.

Wij, Vrijzinnig Protestanten, aldus deze gedachtengang, verdeeld over verschillende kerkgenootschappen, kringen en organisaties, vinden onze eenheid in overeenstemming van godsdienstig beginsel. Den inhoud van dit geloof kunnen wij niet bevredigend uitgedrukt achten in de formuleeringen die gangbaar zijn in de christenheid, en wij erkennen de noodzaak van eene ontwikkeling der belijdenis. Dus verlangen wij vrijheid om onbelemmerd te zoeken naar en te getuigen van de godsdienstige waarheid, zooals zij tot ons komt in het heden en zal komen in de toekomst. Wanneer wij van godsdienst spreken, dan bedoelen wij dat wij ons eigen leven, met de beteekenis en de roeping daarvan, niet zelf hebben gemaakt en dat het in laatste instantie ook niet gemaakt is door de menschenmaatschappij, maar dat het zijn oorsprong vindt in dieper en eeuwiger werkelijkheid: „dat wij gelooven, wil zeggen dat wij den zin en de bestemming van ons leven niet vinden in ons eigen believen, noch in het believen van eenige menschelijke gemeenschap, doch in die grootsche en verheven werkelijkheid, die wij aanduiden met den naam van God”. Wanneer wij ons aan den zin en het bedoelen dier hoogste werkelijkheid overgeven, begrijpen wij dat wij daarmede de volheid van het Godsmysterie niet • omvatten, wij weten slechts van wat het aan waarheid en heil voor ons beteekent.

Den inhoud van ons geloof hebben wij voorts niet door eigen nadenken en ervaring alleen verworven, maar wij wortelen in de historie en weten dat wij door deze historie gevormd en gedragen worden. Ons innerlijke leven danken wij niet het minst

*) Vgl. „Het Vrijzinnig Protestantisme” door Dr. K. F. Proost en G. Horreüs de Haas, Huis ter Heide 1926—1928.

aan wat ons gegeven is in den schat der christenheid, die teruggaat op Jezus Christus. „Op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus heeft de christenheid voortgebouwd, gelijk ook wij dat willen doen volgens de beginselen van het Protestantisme; het Protestantisme gezien in zijn breeden, niet leerstelligen vorm, dien wij sedert eeuwen als Vrijzinnig Protestantisme kennen”.

Erkennen wij in ons geloof eene levensbestemming die boven rlle menschelijke wiliekeur uitgaat, wij mogen daarbij verzekerd wezen dat de zin des levens door den dood niet kan vernietigd worden, al blijven hier verschillende geloofsopvattingen mogelijk: „zoovele geloovigen, zoo velerlei aanschouwing van den dood”. Omdat wij weten hoe het geloof der eeuwen zich voortplant en ontwikkelt door bemiddeling, begrijpen wij de beteekenis van eene geloofsgemeenschap; de „onzichtbare kerk”, als de innerlijke geloofsgemeenschap der waarheid „neemt op aarde gestalte aan in kerken, die aan haar deel hebben”. Maar wij weten hoe het in het geloof ten slotte niet gaat om eenige kerkelijke organisatie, maar om ons hart en ons leven, en wij begrijpen dat ons levensgedrag slechts dan inderdaad door ons geloof bepaald mag heeten, wanneer wij eigenwaan, eigenzucht, eigenliefde zondig hebben leeren achten. Daarbij willen wij alle anderen zien in het licht eener alies omvattende liefde; in het geloof van anderen willen wij het deel van gemeenschappelijke waarheid trachten te erkennen; onze kinderen willen wij, begrijpend dat zij en wij hebben te gehoorzamen aan wat méér is dan wij, tot vrije geloofsovertuiging en levensdienst trachten te vormen.

Tenslotte spreken wij ons vertrouwen uit dat het menschdom door verwilderingen en verscheuringen heen in toenemende mate een gemeenschappelijke geschiedenis zal krijgen en „levende uit de kracht Gods die onze harten verandert, gelooven wij, dat de menschenwereld de heerlijkheid van het Godsrijk openbaren zal van geslacht tot geslacht”.

Vindt men in het bovenstaande de beginselen weergegeven van deze Vrijzinnig Protestantsche geloofsverklaring, het is, nog eenmaal, wel duidelijk, dat hierbij verschil van inzichten naar allerlei zijde mogelijk blijft.

De zwakheid maar ook de kracht van de Vrijzinnig Protestantsche denkwijze is nu eenmaal in dat „vrijzinnige”, dat alle uiterlijke binding uitsluit en het volle recht wil geven aan eigen nadenken en twijfel, onderzoek en ervaring. De zwakheid daarin begrepen is het gemis aan uiterlijke geslotenheid; in de Vrijzinnig Protestantsche wereld bestrijden wij elkaar in allerlei opzichten, bij vragen van wetenschappelijke en godsdienstige, van •maatschappelijke en staatkundige aard staan wij in mindere of meerdere mate tegenover elkander. Maar deze zwakheid is de prijs die wij betalen voor een kostbaar bezit het eerst-geboorterecht van onzen vrijen waarheidszin, van ons geestelijk en godsdienstig persoonlijkheidsrecht. Ook is er in dat beginsel een innerlijke eenheid mogelijk die alle uiterlijke binding te boven gaat: het is de eenheid van wie bij alle verschil van inzicht met verstand en hart naar het ééne, hoogste Waar en Goed willen staan gekeerd.

Van de hooge roeping van zulk eene denkwijze en levenshouding en van de levende toekomst daarvan houden wij ons meer dan ooit verzekerd.

G. HORREÜS DE HAAS.