is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 30, 28-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo als een meeuw

Zoo als een meeuw zoo licht en vrij,

die wiekt en zwenkt in ’t onbegrensde

firmament

zoo zweeft mijn ziel, aarde-bevrijd

in de wijde, wijde oneindigheid.

Zoo als een meeuw

die in zijn vlucht gestremd, zich keert en wendt.

en pijlsnel daalt

tot de gebondenheid der aard', zoo keert mijn ziel

van eindloos verre reis weer in, bereid

tot haar gebondenheid.

R. T.

Plattelandsleven |[|llllllll[||[|lllll

Landbouw en machine

De techniek heeft zich ook meester gemaakt van de boerderij. Dit is een proces, dat trouwens nog niet afgeioopen is. We krijgen op het piatteiand nog steeds meer machines. Gelukkig of jammer?

De boerenstand heeft in den beginne een diep innerlijk verzet gekend tegen de machine. Hier werkte de conservatieve trek van den boer in mee. Dr. Van der Zee beschrijft in zijn boek: „de Friesche boerencoöperaties” de tegenstand, die de eerste coöperatoren te overwinnen hadden, om de machinale boter- en kaasbereiding er door te krijgen. Nu ligt het probleem bij de zuivelfabrieken wel iets anders; hier gaf de boer een belangrijk deel van den arbeid uit handen, dit maakte de afkeer van het nieuwe des te sterker. Waar de melk aan de boerderij tot boter en kaas verwerkt werd, daar stond de boerin aan het hoofd van een bedrijf, dat vakkennis vereischte. Daar had de boerin een leven van hard werken, elke morgen van vier uur af, een slavenleven misschien, maar toch een leven dat haar voldoening gaf. De zuivelfabrieken veranderden dit leven ten eenenmale; vooral de oudere generatie wrokte hiertegen; het jongere geslacht als altijd beschuldigd van weelde, gemakzucht en trots, aanvaardde ook in dezen de fabriek als een verlossing van het juk der overmatige arbeid. I

Zoo is er ten opzichte van de machine op het platteland altijd een tweezijdige waardeering geweest. De ouderen zagen in de machine de voorbode van een nieuwen tijd, waarin zij niet meer thuis hoorden. Vandaar de argwaan en het verzet, waaruit verder pessimistische toekomstvoorspellingen voortvloeiden. De jongeren zagen nieuwe mogelijkheden.

De arbeiders hebben de machine zien komen als een gevaarlijke concurrent op de markt der arbeidskrachten. Was de voorwaarde van een massa-optreden er geweest, dan zouden zij in staat geweest zijn

de machines te vernielen, die hun de werkgeiegenheid en daarmede het brood dreigden te ontnemen. Toen tijdens de groote iandarbeidersstaking in Groningen de aardappeirooimachine ingevoerd werd, laaide het arbeidsverzet tegen de machine nog weer eens op. Overigens zijn de arbeiders van tegenwoordig geneigd de uitbreiding der machines als een noodlot te aanvaarden. Inderdaad zijn door de invoering van de machine veel arbeiders overtollig geworden; dat het toch nog meeviel, komt doordat de landbouw zelf intensiever werd. Zand- en veengronden kregen, dank zij de kunstmest en ook mede dank zij de machine, meerdere ontginningen, die toch ook weer arbeiderskrachten vroegen. De graanbouw nam af en de landbouw werd in veie streken heel of half tot tuinbouw.

Toch is door de machine het platteland in streken, waar noch ontginningen, noch intensiveering mogeiijk was, ontvolkt, b.v. in de weidestreken van Friesland en in de landbouw-gebieden van Zeeland en Friesland. Het geboorteoverschot van het zuiver-iandbouwende platteland is in de laatste tientallen van jaren telkens af gevloeid naar de groote steden en de industriecentra.

De machine had de arbeid in de landbouw kunnen verlichten en had aldus een zegen kunnen zijn. De machine enkel maar te zien als een vloek, berust op valsche romantiek. Want het is heel poëtisch om een vers te schrijven over de maaiers, die in rythmische slag, onvermoeid van den vroegen morgen tot den laten avond, hun zeisen door de grasvelden laten gaan, voor de arbeiders was het een sloopend werk, waarbij menige sterke voor zijn leven geknoeid is. Alléén als buitengewoon daggeld werd het maaien door de arbeiders gewaardeerd en wie zich tegen de machine verzette, was enkel bedacht op de goede zomerverdienste, die hij niet kon missen voor den langen, schralen winter. Hij dacht er niet aan, zoolang hij jong en sterk was, dat hij met de vijftig, zestig jaar ook bij de kromgebogenen zou hoor en. Bij de groote schaar van de vroegtijdig afgesloofden, die, ais de kinderen groot waren, in een vroege ouderdom, halfinvaiide met kleine verdienste weer aan den rand der armoede en temidden van de zorg voortieefden.

Waar de machine dit zware werk overnam had ze een zegen kunnen zijn. En meen niet, dat de arbeiders uit behoefte aan poëzie en romantiek naar dat zware, eentonige werk terugverlangen. Als ze er naar terugverlangen, dan is het, omdat zij werk noodig hebben, om te verdienen. Daar schuilt poëzie in het regelmatige kloppen van de dorschvlegels, op de winterdagen in de stille boeredorpen, en zeker gaf dit rythmische werk arbeidsvreugde. Maar niet om die poëzie verlangen de arbeiders het terug, en nog veel minder verlangen ze naar de stoffige, ongezonde braakhokken (vlasbewerking).

Ook de machine geeft arbeidsvreugde en de boerenzoon, die op den vroegen zomermorgen op de rikketikkende maaimachine zijn paarden bestuurt, beleeft meer vreugde aan zijn werk dan de maaier, die een ganschen dag van gloeiende zonnebrand, ais de droogte de zeisen stroef maakt, voor zich had. De bedrijvigheid rond de dorschmachine kan meer vreugde geven dan de eentonige viegelkiop in een donkere schuur. Dit alles nog afgezien van de technische voordeeien der machine. Het is niet waar, dat de machine de arbeidsvreugde in den landbouw doodt, integendeel.

Maar de vloek van de machine is, dat ze de werkgelegenheid wegneemt. De totaal-

opbrengst met behulp van machines is grooter, dus eenzeifde aantal menschen zou er beter door kunnen leven, met minder arbeid.

En toch werkt de machine verarmend op het piatteiand. Voor ons iand om dubbeie redenen.

De machine, zooals tractor, zaai-, maaien dorschmachine, maakt een intensieve graanbouw tegen uiterst lage productiekosten mogeiijk in de groote landbouwgebieden van Amerika en Rusland. Daardoor is de graanbouw in ons land slechts loonend met behulp van hooge invoerrechten en uiterste toepassing van machines: dus zeer weinig arbeiders zijn noodig. Tot voor de landbouwcrisis van 1929 nam de graanbouw dan ook steeds af en werd de werkbenemende invloed van de machine gedeeltelijk gecompenseerd door de intensiveering van den landbouw. Ons land was op weg de groote moestuin van West-Europa te worden. Slechts in de veeteelt en den groven landbouw nam het aantal arbeiders belangrijk af. Neemt de grove landbouw weer toe, dan gaat pas de verarmende invloed van de machine wegen.

Maar nog om een andere reden werkt de machine piattelandverarmend. Ze brengt minder arbeid, dus bij gelijke geideiijk opbrengst grooter overschot voor het kapitaal. Wat de machine op arbeidsioonen bespaard heeft, is voornamelijk in den vorm van hoogere pachten terecht gekomen in de zakken van het grondkapitaal.

En nu nog een verarmende invloed van de machine. De eenvoudige landbouwwerktuigen waren producten van dorpsnij verheid; de moderne machines zijn fabrieksvoortbrengselen, meestal uit het buitenland. De motortractie verdringt paard en wagen: het paard, dat met zijn verzorging en voedseibehoefte ook weer boerehanden werk gaf; de wagen, handwerk van de dorpsnijvere. Daartegenover de motortractie, die olie-, rubber- en staaikapitaal rijk maakt mede tenkoste van het platteland.

Zoo is de machine van verregaanden invloed. Haar terugdringen ligt niet in de lijn van de economische ontwikkeling; daarvoor zijn haar voordeeien te groot.

Maar wel ontstaat de behoefte aan een ingrijpen in de maatschappelijke structuur, waardoor de landbouw de plaats krijgt, die hem rechtens als zeer belangrijke functie toekomt. Dit wil in de eerste plaats zeggen een rechtmatig loon voor de bewerkers van den grond.

K. TERPSTRA.

Boekbespreking

G. van Nes—Uilkens: Eerwaarde. Van Holkema & Warendorf, A’dam 1934. 276 bladz. Prijs ingen. ƒ3.25, gebonden ƒ 3.90.

De dominee van het kleine Meerdorp, „die maar één liefde heeft: het water”, haalt het kind van een dronkaard in de pastorie, telkens als de vader z’n kwade dag heeft. Als ’t meisje grooter wordt, komt ze in de pastorie dienen, om oude Aagt, dominees huishoudster, het werk wat te verlichten. Maar nu begint de dorpslaster z’n werk te doen. Prachtig is dat beschreven, hoe de lasterpraat ’t dorpsleven vergiftigt; binnen de pastorie echter weet alleen Aagt er van. Maar langzamerhand weet ook Wietske, ’t meisje, en tenslotte ook „eerwaarde”. En het schijnt, dat de laster het wint: de dominee neemt z’n ontslag. „De schipper heeft zijn schip moeten verlaten... Hij glimlacht: Aagt heeft mij immers al voor jaren gewaarschuwd: „In jou steekt geen eerwaarde...”

Geen eerwaarde, neen, alleen een kostelijk menscïi, die ook uit een giftige bloem honig weet te puren, en een glimlach uit zijn maatschappelijk failliet...” (blz. 261). Een goed en zuiver boek, dat zeker waard is, in veel handen te komen. H. B.—S.