is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 17, 21-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Karl Barth, dynamiet in „Kerk en Vrede''?

Voor een jaar of twee is er een interessante perspolemiek geweest tussen de a.r. „Standaard” en de c.h. „Nederlander”. Het ging over de invloed van Karl Barth op politiek terrein. De redactie van de „Nederlander”, niet van Barthiaanse smetten vrij, werd er door de „Standaard” van beticht, dat zij met haar Barthianisme de hele christelijke politiek op losse schroeven zette. Het Barthianisme, scheiding brengend tussen christelijke verkondiging en bearbeiding der cultuur, maakt de christelijke politiek tot een bedenkelijke zaak, zoals Barth woordelijk gezegd heeft. Daardoor kon de „Standaard” niet geheel ten onrechte zeggen: Barth werkt in de christelijke politiek als dynamiet.

Hieraan dachten wij bij het lezen van de laatste nummers van het blad „Kerk en Vrede”. Dat juist Barth onder vooraanstaande leden van deze vereniging zoveel invloed heeft uitgeoefend, verwondere niemand. Èn „Kerk en Vrede”, èn het Barthianisme breken beide met de traditionele christelijke politiek. Waar beide zeggen, dat een samenkoppeling van Christendom en oorlog uit den boze is, vinden zij elkaar. Waar echter door „Kerk en Vrede” vastgesteld wordt, dat oorlog overal en te allen tijde zonde is, daar komen voor den Barthiaan de moeilijkheden. Die moeilijkheden uiten zich op het ogenblik in een merkwaardige discussie, die ik in dit artikel wil signaleren.

Ik wil dat doen, omdat het niemand, die ter zake kundig is, zal ontgaan ziin, dat er voor „Kerk en Vrede” critieke tijden aangebroken zijn. Voor deze Vereniging, verreweg de grootste en invloedrijkste pacifistische beweging, is deze tijd in de meest letterlijke zin van het woord crisistijd. Zij moet nu vaststellen, wat er waar is van wat zij van den beginne af getuigd heeft: Christendom en militairisme zijn onverenigbaar.

Het ambtenarenverbod had de regering gefundeerd in het feit, dat de vereniging verbindingen hield met anarchistische, althans extremistische bewegingen. Dit dwong „Kerk en Vrede” zich duidelijk te maken, welke plaats zij binnen het geheel der vredesbewegingen had. Nogmaals, en ten overvloede stelde zij vast: een geheel enige, n.l. die van getuigen binnen de kring van de christelijke kerk van de onverzoenlijkheid van oorlog en Christendom. Om dit nog sterker nadruk te geven, heeft zij alle verbindingen, die tot verkeerde conclusies konden leiden, verbroken. Zij kon dat des te makkelijker doen, omdat deze verbindingen inderdaad alleen maar formele betekenis hadden. „Kerk en Vrede” bekende zich daardoor zeer duidelijk als een beweging, die het uitsluitend om kerkelijke verkondiging en niets meer te doen is. Kerkelijke verkondiging van loyale staatsonderdanen.

Maar, terwijl naar de kant van de staat een duidelijke positie is ingenomen, komt nu van de andere kant de man, die juist door zijn markante theologie tot deze bewustmaking heeft medegewerkt, Karl Barth, nieuwe moeilijkheden geven. Hij antwoordde n.l. op de concrete vraag van een Nederlands „Kerk en Vrede”-lid over de waarde van deze verkondiging, dat deze verkondiging niet deugt. Daarmee wordt „Kerk en Vrede” voor een zeer ernstig probleem gesteld.

Niet zozeer, omdat alle „Kerk en Vrede”- leden Barthianen zijn. Integendeel: hun aantal is betrekkelijk gering. Maar omdat de veilig geachte grondslag der kerkelijke verkondiging nu van die zijde ondergraven wordt. Zou Barth wederom dynamiet blijken te zijn?

Het is niet zo eenvoudig, zich een beeld te vormen van de houding van Barth tegenover de politieke vragen. Hij is niet Rooms, zodat hij niet een vaste reeks van geboden en verboden kan opstellen, die overal en voor ieder gelden, en van waaruit elk zedelijk vraagstuk een klaar antwoord kan krijgen. Hij is geen humanist, die een zedeleer opstelt, uitgaande van de door cultuur en traditie gevormde gezindheid. Hij is niet orthodox in de gewone zin van het woord, zodat hij de in orthodoxe kringen geldende zedeleer, die het midden houdt tussen de roomse en de humanistische, niet kan gebruiken. Neen, hij is „reforma-

torisch”. Hij wil luisteren naar Gods Woord, in de concrete situatie.

Om dat laatste woord draalt alles. Daarin zit het onstabiele, wil men: het dynamische, of misschien beter: het dynamiet-achtige.

Dit is de achtergrond, waartegen wij de genoemde discussie moeten zien. Waartegen zij voor den niet ingewijden lezer wellicht duidelijk wordt.

Hoe liep deze discussie?

Barth schreef op 19 September een particuliere brief aan zijn Prager collega Hromadka. Daarin (hoe kon het anders voor een strijdbaar man) heeft hij over de dreigende gevaren voor Tsjecho-Slowakije geschreven. Hij schrijft o.a. het volgende: „Toch waag ik het de hoop uit te spreken, dat de zonen der oude Hussieten dan (d.w.z. als de westerse mogendheden aan Duitslands eisen toegeven) aan het verwekelijkte Europa zullen tonen, dat er ook thans nog mannen zijn. ledere Tsjechische soldaat, die dan strijdt en lijdt, zal dat ook voor ons, en ik zeg het vandaag zonder voorbehoud: ook voor de Kerk van Jezus Christus doen, die in de atmosfeer van Hitler en Mussolini slechts öf belachelijk kan worden, öf aan de uitroeiing worden overgegeven.”

Deze brief werd in de „Prager Presse” opgenomen en Barth heeft zich over deze indiscretie met geen woord beklaagd. Integendeel, hij heeft zich gezet tot nadere verklaring, toen iedereen riep: hoe nu? Dus toch samenkoppeling van Kerk en Staat? Zich nader verklarend heeft hij gezegd: Misstanden moeten langs de weg der internationale behandeling en oplossing worden weggewerkt. Als er echter eenzijdig gedicteerd wordt, dan staat het bestaan van de staat op het spel, en zal deze zich moeten handhaven. Vooral wanneer de staat als echte staat opkomt vóór orde tegenover de blinde dynamiek, en vóór vrijheid tegen brutale tirannie, heeft de Kerk zich niet op een afstand te houden, maar met de staat solidair naast hem te gaan staan!

Daarop heeft een Hollandse geestverwante van Barth hem de vraag voorgelegd, wat hij dan dacht van het standpunt van „Kerk en Vrede”. Barth antwoordt 24 October daarop het volgende:

„Als Kerk en Vrede een volstrekte aanvaarding van een onvoorwaardelijk pacifisme betekent, dan is dat theologisch onjuist. De Kerk kan het Gebod Gods met geen enkel principe, met geen enkel isme identificeren, zomin met het pacifisme als met het militairisme.”

En verder: „De Kerk moet hierom bidden en hierom moet zij er ook voor werken, dat de staat naar binnen en naar buiten een werkelijke staat zij.”

„En een werkelijke staat,” vervolgt Barth, „is een staat, die de vrede beschermt, een vrede, die de gerechtigheid en de vrijheid dient en in gerechtigheid en vrijheid tot stand komt.”

Verderop zegt Barth dan:

„De Kerk heeft om der wille van het Evangelie en door de verkondiging van het Evangelie de democratische staat op te roepen om tegen iedere prijs, ook die van nood en ondergang, een krachtige staat te zijn Zij heeft aan haar leden om der wiUe van het Evangelie te zeggen, dat er iets ergers is, dan sterven èn dan doden: het vrijwillig beamen van de schande van den anti-christ.”

Dat is duidelijke taal. En wat antwoordt „Kerk en Vrede” daarop? In het blad komen ds. Bus k e s en ds. F. Kuiper aan het woord. Het is kenmerkend, dat zij beiden hun antwoord eindigen met een vraag, niet met een positief afwijzen.

Buskes zegt: ~Het alternatief is niet: doden of vrijwillig ondergaan, maar doden of onvrijwillig aan de heerschappij van den antichrist onderworpen worden.”

Kuiper vraagt: „Is het mogelijk de dictatuur met al haar verschrikking uiteindelijk en definitief af te weren door de oorlog? Het militaire systeem daemoniseert de staat onvermijdelijk.”

Beiden hebben tegenover Barth m.i. gelijk. Het zijn echter detail-opmerkingen, die ons nog geen weg wijzen uit de knoedel van pro-

blemen. Het zijn vragen, die symboliseren, dat men zich niet gewonnen wil geven. Het zijn geen wegwijzers in een andere richting.

Persoonlijk is mij n.a.v. deze discussie duidelijk geworden, hoe onhoudbaar het Barthiaanse uitgangspunt is. Om twee redenen: vergeten wordt, dat het luisteren naar Gods Woord in de concrete situatie een menselijk luisteren is en dat de concrete situatie niet iets stabiels is, maar een dynamisch geval, dat van ogenblik tot ogenblik verandert en dus eigenlijk helemaal niet concreet is. Dat doet het verlangen ontstaan, toch weer te zoeken naar normen en vooral om de situatie nauwkeuriger, op haar innerlijke gehalte, dus ook onder politiek en economisch gezichtspunt te onderzoeken. Doet men dat niet, dan kon het wel eens gebeuren, dat men zich door die concrete situatie liet tyranniseren, ook al meende men te luisteren naar Gods Woord. Ik hoor het ~Neen” al, dat Barth zou zeggen tegen een dergelijke vorm van natuurlijke openbaring.... Het zij zo!

In de tweede plaats is hier duidelijk, dat het aanvaarden van een bepaalde staat' als echte staat verplichting met zich meebrengt zich meer in positieve zin met die staat bezig te houden, dan alleen omdat die staat ruimte geeft aan de prediking van het Evangelie. Het gaat, dunkt mij, niet op, alleen vrijheid en gerechtigheid van de staat te eisen ter wille van de Kerk; de Kerk zal deze ook moeten eisen, terwille van den mens. Maar dat zal wel weer humanisme zijn

Of Barth dynamiet zal blijken te zijn voor „Kerk en Vrede” vermag ik nu nog niet te zeggen. Maar met of zonder Barth, „Kerk en Vrede” zal zeer zeker zich moeten bezinnen op de vraag wat de inhoud en de consequenties zijn van haar kerkelijke verkondiging. Een zware taak, die zij bij een dreigende lucht moet voltooien.

L. H. RUITENBERG.

Herinnering

voor Dick Polak, die 28 Juli 1938 bij Gandesa viel.

De lijd die dwong de dood te dienen, heeft nu de dood tot jou gebracht. Héél hoog een grijze doodsmachine. Een stalen scherf; je kreunde zacht.

Er VMS een groot rumoer van moorden. De wereld brandde zich kappot

En ’t zand dat dof de kogels smoorde werd langzaam donker door dit schot.

Er waren vuren scherp als zonnen; De aarde brak uiteen in drek, De hel was in het dal begonnen. Je lag er als een doffe vlek.

Je was voor mens en tijd gevallen. Je bloed was zwart in ’t gore licht. Je zei alleen nog: Groet aan allen. Toen viel de wereld rond je dicht.

Ze hebben je naar ’t graf gedragen. Toen d’avond veld en hemel bond Met ogen die de waarheid zagen en vrede toevend om je mond.

Een gillend sein voor wie vergaten. Jouw dood, die ons bewustzijn riep. Om feller nog dan ooit te haten. Om lief te hebben, sterk en diep. 8.10.38 E. M. VAN LOGGEM.

Boekbespreking

„En zij loofden God”. Martin Niemöller, beide in Holl. vert. ƒ 1.25. Uitg. Callenbach Nljkerk.

Twee boekjes uit de Duitse Kerkstrijd, getuigenissen van een eenvoudige, zeldzame grootheid. Wat zou het een ontzaglijk ding zijn, wanneer in socialistische kring spontaan de zedelijke kracht van deze boekjes werd herkend. Men vindt hier geen enkel dik woord tegen het nationaal-socialisme, geen enkele uitbarsting van haat en des te scherper komt het onrecht van de terreur in het Derde Rijk tot ons bewustzijn. Het zijn zéér kostbare geschenken, deze boekjes. Zij kunnen ons helpen om te begrijpen waarom het wezenlijk gaat in deze tijd. W. B.