is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 21, 18-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanzien van onze religieuze overtuigingen, kunnen overwinnen.

Veel belangrijker en overtuigender is het tweede geschrift van H. C. Link. Ik wil eerlijk bekennen dat ik, toen ik in het voorbericht las, dat de schrijver de directeur is van een bekend bureau voor psychologische adviezen in New York, die vanuit de practijk van zijn werk de weg tot religie en kerk terug had gevonden, even mijn hart vasthield en zeer sceptisch aan het lezen toog. Ik dacht immers bij mezelf: alweer een psycholoog zeker, die op grond van wat hij aan levensmoeilijkheden bij zijn patiënten heeft ontdekt, als psycholoog er toe gekomen is om aan de religie toch wel een zekere waarde toe te kennen, omdat ze Immers de innerlijke leegte waaruit zoveel neurosen ontstaan op haar manier toch „vult” met een zekere positieve inhoud, al laat de psycholoog zelf geheel in ’t midden welk waarheidsgehalte aan deze religieuze overtuigingen toe te kennen valt en al acht hij zich zelf boven de vormen van het religieuze leven verheven. Zo dacht ik, want de schrik zat er waarlijk nog te diep bij me in als ik dacht aan de enorme invloed, die in onze kringen een op dergelijke wijze te werk gaand schrijver als dr. v. Schelven oefent met z’n eenvoudig ergerlijk oppervlakkig en onverantwoordelijk geschrijf.

Niets van dit alles echter in dit boek. Hier is een mens aan het woord met een rijke mensenkennis, die echter tegelijk als psycholoog bescheiden is gebleven: „Als psycholoog zal ik mensen, die in moeilijkheden verkeren, trachten te helpen en vooral als mens; maar ik weiger hun afgod te zijn en ik hoop dat ik het kan blijven vermijden om een individu zijn recht op onafhankelijkheid te ontnemen, en zijn recht op eigen ervaringen, op zelf doorstane smart en op het geluk dat zijn eigen streven hem heeft gebracht” (bl. 83). Met tal van voorbeelden, ontleend aan zijn practische ervaring omtrent mensen, die mislukten of die slaagden, is zijn boek een fors en meeslepend betoog en getuigenis geworden voor twee grondwaarheden, die de moderne mensheid de laatste eeuwen al te zeer vergat: 1. dat alle mensenleven naar zijn wezen heeft te zijn dienst aan hoger Doel (Wie zijn leven zal willen behouden die zal het verliezen, doch wie het zal willen verliezen die zal het behouden); 2. dat het gaat om de eenvoudige grondwaarheden van het menselijk leven, die in de religie gefundeerd zijn. Hoe geeft hij af op den modernen mens, die van louter minachting voor geloof bijgelovig is geworden: „De aanbidding van het verstand en de verachting van den intellectueel voor de religie hebben den mens tot een willige prooi gemaakt van ontelbare kwakzalvers, pseudowetenschappelijke theorieën, en politieke leuzen, die hem in onze tijd daemoniseren” (bl. 80)! „Wij zien dat men een zgn. redelijk programma aanvaard, dat in feite een beleefd excuus is om wat recht is uit de weg te gaan. Wij plaatsen den afgod van onze redenering of onze politieke noodtoestand boven den strengen God van onze Plicht. Hoe intellectueler iemand is, hoe alzijdiger ontwikkeld, des'te meer bedreigt hem het gevaar, dat hij de afgoden van het tijdelijk voordeel stelt in de plaats van den Enen God der eeuwige waarden” (bl. 82—83).

Deze citaten zijn karakteristiek voor de toon en het gehalte van het hele boek, dat sterke verwantschap vertoont met de eerder eveneens In het Nederlands vertaalde werken van den theoloog Weatherhead. Slechts één opmerking wii ik maken: de schrijver steit het hele boek door den geïntroverteerde (op het innerlijk ieven gerichte) mens gelijk met de zelfzuchtige, egocentrische, en de geëxtroveerde (op uiterlijke activiteit gerichte) met de beiangloze, onbaatzuchtige (vgi. bl. 55). Dit simplistische gebruik van Introvert en extrovert is psyochologisch toch niet aanvaardbaar en wijkt ook af van belangrijke moderne psychologische inzichten. Hoe beoordeelt de schrijver een figuur als Dostojewsky?

De vertaling laat zich vlot lezen. Het boek zij diegenen in onze kringen aanbevolen, die op een rake, betrouwbare wijze naast al het psychologische gedaas van onze tijd, vanuit hun eigen levenspractijk zoeken naar nieuw contact met een sinds lang verloren religieuze gedachtenwereld. F. SMITS

Van mensen en dingen

Dietse studenten

Het muzieklyeeum in Amsterdam-Zuid is een schoon gebouw, van buiten en van binnen.

Hier in te mogen treden als gast van de studerende jeugd is een dubbele vreugd: verkeren in een harmonische omgeving te midden van intellectuele jongeren.

Toch voel ik me wat onwennig en waarlijk, dat komt niet door den buigenden portier in blauw livrei, noch door het zo vriendelijk glimlachend vestiairemeisje en zelfs niet door de geunchtige in keurig jacquet gestoken bestuursleden van het 20ste „Dietsch Studenten Congres”. Maar ik loop, zo voor de aanvang van de congreszitting, onderzoekend rond, want ik wil me geestelijk wat meer oriënteren, ik wil graag weten in welk gezelschap ik ben beland. Ik blader eens in de congresgids en word al wat wijzer: „Het Dietsch Studenten Verbond staat op het standpunt van de onverbrekelijke eenheid der Nederlandse volksgemeenschap, zoals deze besloten ligt binnen de Nederlandse taalgrens. Het erkent, binnen de Dietse wezenseenheid, de gewestelijke gemeenschappen als grondslagen voor een bloeiend volksleven”. In mijn geheugen haakt zich dadelijk vast: Dietse wezenseenheid; het is nu nog een vaag begrip, maar ik voel instinctmatig, dat ik de term best zal kunnen gebruiken in mijn eerstvolgende rede tot de genoten in het Amsterdamse Sportpaleis.

„Het D.S.V. stelt zich ten doel mede te werken aan de bewustwording der Nederlandse volksgemeenschap. Het tracht zijn doel te bereiken (0.m.) door middel van de nationale (volks-Dietse) opvoeding der Nederlandse studerende jeugd”.

Het onwennig gevoel is verdwenen, er is eenvoudig geen plaats meer voor, want vol nieuwsgierigheid ben ik. Wat wil deze studerende jeugd, heeft zij alleen een cultureel doel of staat er ook een bepaalde politiek op de achter-, misschien wel op de voorgrond? „Wij staan buiten alle politiek”, verklaart me één der bestuurders met een nadruk, die zo’n indruk maakt, dat ik extra waakzaam word. Ik moet naar m’n plaats in één der lange stoelenrijen, maar er is nog alom gegons van stemmen ïk wend me nog vlug tot m’n beide buurlui. „Geen politiek” is weer het stellige antwoord; natuurlijk, zo zegt één van beiden, hebben sommige politieke groeperingen wél veel belangstelling voor het in vele opzichten zo verwante streven van het D.S.V. Zo ben ik hier als Diets student en tegelijk als verslaggever voor Zwart Front, en ik, voegt de ander eraan toe, voor het Nationale Dagblad.

Daar zit ik en rijs meteen omhoog, niet om smadelijk te vluchten, maar omdat vrij allen opstaan bij het binnenkomen van Z. Exc. Dr. H. B. van Broekhuizen, Gezant van de Unie van Zuid-Afrika, die met vlugge pas naar voren stapt, geëscorteerd door een lange stoet functionarissen van het congres- en hoofdbestuur.

Den Zuidafrikaansen gezant met zijn forse kop en vntte haren, de fronsende en wat stugge blik, had ik wel eens gezien en ik had hem mij altijd voorgesteld als een krachtig redenaar. Maar hoe zacht klinkt zijn stem en tegelijk hoe waardig, wanneer hij, sprekend in het Afrikaans, tot zijn jeugdig gehoor het vermaan richt om zich niet te begeven op de gevaarlijke banen van de politiek en hij tevens Nederland prijst als het land van geestelijke en politieke vrijheid. Was deze opmerking in dit milieu zonder zin of vond deze vertegenwoordiger van een uitermate vrijheidlievend volk het dringend noodzakelijk den Bietsers het ideaal van de vrijheid voor ogen te houden? Bitterheid is er in de toon, wanneer het verwijt wordt uitgesproken, dat velen in Nederland zich blijkbaar geroepen voelen om zich te bemoeien met de binnenlandse politiek van Zuid-Afrika. Velen van ons hebben nog de littekens in het karkas van de kogels van de vijand en dan zal men hier, op 6000 mijl afstand, ons vaderlandsliefde leren. Maar heel zacht wordt de stem, wanneer Dr. van Broekhuizen vertelt, dat Paul Kruger hem eens zeide „Zuid-Afrika wordt vrij, want God regeert”; zo zullen ook de Europese naties, die thans nog

op een vulcaan leven, eens gered worden.

Officiële openingswoorden zijn vaak zo inhoudloos, onpersoonlijk en voor alles welwillend jegens het auditorium. Dr. van Broekhuizen sprak uit het hart een ernstig woord, dat waarschijnlijk niet geheel viel in de sfeer van dit congres, dat hoopt te tonen, „dat deze jeugd paraat is zijn historische taak te vervullen tot heil van land en volk”.

Het beste deel van de eerste congreszitting heb ik gehad. Een Zuid-Afrikaan en een Vlaming brengen het congres de broedergroet uit hun gewesten, waarbij de blonde Vlaming op zijn zangerige wijze meedeelt, dat de voornaamste afgevaardigden verhinderd zijn te komen in verband met de Grammensactie. Ongewoon heftig is het applaus, dat op deze mededeling volgt, ik onderbreek mijn notities om m’n beide buurlui geïnteresseerd op de handen te kijken.

Prof. Dr. F. J. M. de Waele uit Nijmegen begint zijn rede over „Dietse Fierheid, Dietse Plicht” heel plechtig met de schone aanhef „Toehoorders uit Dietsland”, herinnert er vervolgens aan, dat het een voorrecht is, door een hogere beschikking zo gewild, te behoren tot de 15 mülioen mensen, die zich Dietser mogen noemen. Maar verder is de prof een echte grapjas, die wat scheldt op de pantoffelhelden en Pieter Stastokken, die met een lieve stem van zijn blaadje leest, dat het op de dynamiek aankomt en bij het opsommen der Dietse plichten er speciaal op wijst om bij fietstochten door Dietsland de bijna vergeten westhoek van Noord-Frankrijk, waar nog West-Vlaams wordt gesproken, niet over te slaan. Als Frankrijk nu maar geen Maginotlinie bouwt tegen een invasie van Dietse trekkers op Dietse tweefietsen.

Het is in deze rubriek niet de plaats nader in te gaan op de beginselverklaring van het D.S.V., met name op de verabsolutering van de taal, welke uit het Dietse streven blijkt. Taalgemeenschap moge zeer belangrijk zijn, het begrip nationaliteit bestaat uit veel meer factoren. Terecht schreef Mr. M. Kann in „De Groene Amsterdammer” van 26 Nov. ’3B (Het ethnografisch principe): „Tot uitsluitend richtsnoer wordt genomen: het idioom, de code waarin de militaire commando’s gegeven worden en waarin de meester zijn wil oplegt aan de geknechten”. En de verbanning van de politiek, is deze mogelijk bij een dergelijk verbond, althans wanneer men onder politiek meer wil verstaan dan het gewone spraakgebruik ermee pleegt aan te duiden; is een cultureel streven als van het D.S.V. los te denken van politiek, gezien als vormgeving aan maatschappelijke krachten ten bate van het gemenebest?

Maar de Dietse studenten verfoeien de politiek en ik blader nog eens in hun congresgids en lees drie maal een stelling van één der sprekers (Dr. T. Goedewaagen): „Een volk, dat bewust is van zich zelf, verbeeldt zijn eigen geest in een mythische gestalte, die voor alle leden van dat volk grijpbaar, zij het ook niet begrijpbaar is. De vitaliteit van een volk hangt voor een groot gedeelte van de werkzaamheid van zulk een mythe af”. Mij ontbreekt de vitaliteit om dit te grijpen nog meer om het te be-grijpen.

Tenslotte stuit ik op een advertentie, waarin speciaal worden aangekondigd: Adolf Hitler, Mein Kampf, Darré, Neuadel aus Blut und Boden, Dr. Goebbels, Kampf um Berlin, en ik weet, dat de Bietsers ons niet diets kunnen maken, dat zij niet Duits zijn georiënteerd. K.

VEHENICINCSLEVEN

Van de Federatie „De Spanje-actie"

Zevende verantwoording tot en met 11 Februari: C. B.—V. te O. ƒ2.—; E. S. te R. ƒs.—; E. S. te R. ƒl.—; mej. H. te R. ƒ2.—; P. L. J. S. te Z. ƒ2.50; mr. G. D. B. te O. ƒ1.80; A. H. M.—de R. te W. (Ü.S.A.) ƒ 1.—; mej. M. H. G. te ’s Gr. ƒ 5.—; mej. C. M. te A. ƒl.—; T. J. R. te Gr. ƒ6.25; Th. S. te Sn. ƒ2.15; P. T. v. d. S. te Z. ƒ0.40; M. J. de H. te A. ƒs.—; T. S.—K. te St. J. P. ƒ5.48; A. H. Jr. te A. ƒlO.—; totaal met vorige opgaven ƒ319.83. J. VAN RHIJN, penn. Doezastraat 8 b., Rotterdam. Postgiro 257553.