is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 24, 11-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Teereld ran het boek

Jan en Annie Romein. Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen. II Zeventiende eeuw, geïllustreerd Uitg. Em. Querido, Amsterdam 1938.

De lectuur van het He deel der Erflaters is geen geringer genot dan die van het eerste. Integendeel komt het ons voor, dat de auteurs met dit boek waarin karakteristieken en biografieën van * Sweelinck, Grotius, * Coen, De Geer, Vondel, * Rembrandt, *De Ruyter, De Witt, Christiaan Huygens en Spinoza nog weer een belangrijke stijging in hun oeuvre bereiken. Grotere warmte nog, zuiverder billijkheid, bewonderenswaardige klaarheid in zijn dikwijls diepgaande uiteenzettingen, onderscheidt dit deel van het vorige, waarbij nog komt waar dat lag aan het onderwerp dat sterker eenheid de onderscheidene figuren bond: de stoere voornaamheid van de grote tijd van Noord-Nederlands burgerij. Wanneer de lezer nu door mij, als ~vakman” de geschiedkundige waarde der essays bepaald wil hebben, moet ik bekennen lang niet overal daartoe in staat te zijn.

Waar ik de inhoud der opstellen aan de vakliteratuur heb kunnen toetsen, bleken de schrijvers zich vrij nauwkeurig daaraan te houden, behalve dan altijd dat zij veel beter schrijven èn dat zij veel beter geschoold zijn op het gebied der moderne maatschappij-wetenschap en der psychologie. Het meest in hun element zijn de Romeinen dat weet ieder op het terrein, dat nog altijd (ofschoon eigenlijk onjuist) dat der „cultuurgeschiedenis” heet. Het fraaist zijn ditmaal hun schetsen over Vondel, Rembrandt, Huygens en Spinoza, waarmee tevens uitkomt want de titels met een voorzien zijn die van studies van Annie —, dat de weegschaal volkomen in evenwicht hangt, wanneer men probeert af te wegen, wiens of wier bijdragen het waardevolst waren voor de bundel.

Is politieke, koloniale, krijgsgeschiedenis minder hun fort? Des te verdienstelijker is de billijkheid en toegewijdheid waarmee zij hun Coen, * De Ruyter en De Witt schetsen. Mag ik tenslotte, evenals in mijn recensie van het eerste deel, één détailpunt aanstippen, waarin ik het met den schrijver niet eens ben? De Witt heeft zijn catastrofe van 1668 en vlg. jaren te danken aan zijn „fatsoenlijkheid”, zegt Romein en hij kan zich daarbij beroepen op Japikse, die van De Witt’s „antimacchiavellistische” politiek spreekt. Is deze psychologische verklaring echter niet wat al

te eenvoudig? Was De Witt’s politiek van de Triple Alliantie dan wel zo bijzonder „fatsoenlijk”, gezien de royale manier waarop Lcdewijk XIV ons in de Tweede Engelse Oorlog geholpen had? En was De Witt’s binnenlandse politiek naar aanleiding van de geschiedenis van de Acte van Seclusie zegt Romein zelf, dat De Witt een „gewiekst parlementair tacticus” was zo bijzonder ~fatsoenlijk”? De Witt’s ondergang, evenals die van Oldenbarnevelt, is een duistere geschiedenis, die niet zo gemakkelijk ~verklaard” kan worden. Ik zoek haar nog het liefst in deze richting, dat hij dcor allerlei factoren, die eenmaal zijn succes veroorzaakten, in een onhoudbare positie gedrongen was. Vast staat bij mij, dat hij het ultimatum van Lodewijk XIV om de Triple Alliantie te verlaten, niet aan kon nemen, omdat ons land daarmee een Franse vazalstaat zou zijn geworden, zoals hij ook niet mee kon werken aan de verheffing van Prins Willem 111, omdat hij niet anders menen kon, dan dat ons land daardoor een Engelse vazalstaat worden zou (vgl. Geyls Oranje en Stuart). J. S. BARTSTRA.

De Populieren fluisteren. Lode van der Schelde. Zuidhollandse Uitgeversmij., Den Haag.

De passiebloem, eertijds het symbool van Christus' kruisiging, staat in volle bloei.

Eerlijk gezegd liet ik mij vangen door de titel van dit boek. Ik dacht: klinkt wel aardig, echt voor een jong schrijver, die misschien nog een idylle in het leven gewaar wordt. Maar ik kwam van een koude kermis thuis. Er komt hoegenaamd niets voor van het fluisteren der populieren, niets van een idylle. Slechts één keer wordt van dat fluisteren gesproken. Maar dan hangt het er zo’n beetje bij. Nu kon ik nog wel verrukt van dit boek zijn. Maar dat ben ik niét. Het is een wat geforceerde zedengeschiedenis uit het leven der vlasboeren van Vlaanderen, maar deze historie kon zich overal elders afspelen. Men komt niet onder de indruk van het landwerk, niet van het boerenleven, niet van dat zwoegen op de velden. Streuvels’ Vlaschaard doet het ons anders verstaan. En wat zou Querido er niet van hebben gemaakt.

De geschiedenis is insinuerend-griezelig en van een dubbel-overgehaalde romantiek. Maar daarom kon er toch wel iets doorheen-laaien van felle karakters en hun weergave. Nu, felle karakters komen er wel voor in dit boek, maar ze zijn niet verantwoord, zielkundig gesproken. Men heeft er geen houvast aan. Wat eerst fel en heftig scheen te leven blijkt

op ’t end een pop met zaagsel.

Of de auteur stuurt zijn sujetten naar de gevangenis, en dan hoor je niks meer van ze. Zoals die arme Jules van het Schuttershof, vrijer van Monica, en vadermoordenaar wegens die slet.

Ongerijmd is de levensgeschiedenis van deze Monica, dochter van Virgienke, eerst waardin in het kleine kroegje, dan huishoudster bij den jongen pastoor, die zo sterk, zo geleerd, enz. enz. is.

Monica loert op het geld van Jules, en legt het onderwijl ook aan met het halve dorp; vraagt ook gèld. Daar rookt Jules z’n pijpje van Maar als Jules dan voor twintig jaar in het gevang zit, komt Monica in nadere aanraking met den jongen pastoor.

Ze blijkt een begaafde pianiste te zijn, al ontbreekt er veel aan de techniek. Nu moet het naar ik vermoed zó lopen, dat Monica de liefste van den pastoor wordt, en wat vroeger bij haar omgang met andere mannen uitbleef zwanger wordt.

Charles, aan Monica niet onbekend, wordt tot vader en echtgenoot geproclameerd. Dan wordt Monica in eens braaf en ze heeft maar werk aan de opvoeding van haar kiemen jongen, Pol, ook wel Duvelke genaamd om z’n streken. Zij wordt, intuïtief, een paedagoge.

Als dan het Schuttershof afgebrand is door de roekeloosheid van Jean, en Charles, haar man, die dikwijls ”uit de stad door een overmatig gebruik van alcohol, in beschonken toestand was thuisgekomen” (o, zinnetje uit een politierapport!), onder de trein raakt, is Monica weer alleen. Alleen met haar jongen. En die jongen groeit vreemd op. Het is, of de heksenstreken van zijn moeder, toen zij nog een vrije meid was, in hem herleefden.

Na zijn, heus aangaande, nog onschuldig avontuur met Emmaken, de kleine, geraffineerde, is het mijnheer pastoor weer, die den waren schuldige aanwijst. Dit en andere verhalen moeten dan een inzicht geven in de macht der priesters.

Maar aan Lieske, het herbergmeisje uit een naburig plaatsje, komt Pol in de perikelen: Het meisje deugt niet, maar hij is verliefd. Zij zet hem aan cm geld te brengen. Hij steelt voor haar. Wordt een kerkdief.

Pastoor ontdekt wie de dief is: PoTs ring, van zijn muzieklerares, zuster Angélique gekregen, en verloren bij de vlucht uit het klooster, door pastoor opgeraapt, verraadt hem.

Pastoor dekt deze misdaad, na Pol tot bekentenis te hebben gebracht.

Maar als Pol dan wéér steelt, en wel het diamanten kruis van de lijkbaar der oude abdis, en hij met de keten van dat kruis Lieske worgt, die hem bedroog, dan kan pastoor hem niet langer sauveren, ofschoon hij het nog graag gedaan zou hebben

Dat zijn allemaal vreemde dingen. Wel wat melodramatisch-onmogelijk. Ook, wat men te vermoeden krijgt over dat vaderschap van den priester.

Eerlijk gezegd, houden wij hier niet van dergelijke half-insinuerende priester-histories.

Het schema van de wilde moeder, die een wilden zoon baart, is wel begrijpelijk. Maar aan dat schema hebben wij niet genoeg: het moet bekleed worden met het vlees van het warme leven en dat ontbreekt. De moeder wordt plotseling een gewoon mens, de jongen een lijkrover.

De sfeer, ik zei dat reeds, mist het echte dorpsleven. De klooster-rijkdom, en dat is een fout, wordt overgebracht op de kloosterzusters en de abdis, die geen eigen bezit mogen hebben. Dat had de auteur wel kunnen weten.

De taal is niet zuiver. Het Vlaams is min of meer opgelegd. Het culmineert in het tot vervelens toe herhaalde woordje: rap. Op de eerste pagina gebruikt de auteur reeds dit totaal verkeerde beeld: het „vroor dat het kraakte, en de Rivier dicht lag lijk een meiske in de armen van haar vrijer”. Allerlei beelden spelen hier door elkaar, en een lelijke alliteratie doet de rest.

Grove effecten komt men telkens tegen: beide slechte liefjes van Pol fungeren als Maria in de processie.

Ik begrijp eerlijk niet, dat dit boek zó royaal met rode margines, vignetten en tekeningen van Pieck moest worden uitgegeven. Deze vlag dekt de lading niet. J. J. MEIJER.