is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 27, 01-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Palmzondag

FERRARI

Lk. 19 : 29—40. Na dit gezegd te hebben, vervolgde hij zijn reis naar Jeruzalem. En toen hij nabij Bethfagé en Bethanië kwam, aan de berg die de Olijfberg heet, zond hij twee van zijn leerlingen met de last: Gaat naar het dorp daar vóór ons; als gij dat ingaat zult gij er een veulen vastgebonden vinden, een waarop geen mens ooit gezeten heeft. Maakt het los en brengt het hier. En als iemand u vraagt: waarom maakt gij het los? moet gij zeggen: de Heer heeft het nodig. Toen brachten zij het aan Jezus, wierpen hun klederen op het veulen en zetten Jezus erop. Toen hij voortreed, spreidden zij hun klederen op de weg, en nauwelijks kwam hij aan de afgang van de Olijfberg, of de gehele menigte der leerlingen begon vol vreugde, met luider stem, God om al de wonderen die zij gezien hadden te prijzen; zij zeiden: Gezegend hij die komt, de koning door de naam des Heren; vrede in de Hemel en ere in de hoge! Sommige Parizeën nu uit de schare zeiden tot hem: Meester, bestraf uw leerlingen. Maar hij antwoordde: Ik zeg u, als dezen zwijgen, dan zullen de stenen roepen.

Wie niet veel bijbelse herinneringen in zich omdraagt, ziet misschien allereerst een rooms dorp voor zich: De zon schijnt, maar de wind is nog scherp, en uit de geopende kerkdeur komen de Zondagse mensen, ieder met het zojuist gewijde palmtakje (van een buxus) in de hand. Of u denkt aan een fleurige kinderoptocht, oud of herlevend oud gebruik, met „palmpaasjes”. Zij weten alleen van dit feest en niet van Petrus die door het gekraai van den voorvader der broodhaantjes tot zichzelf werd geroepen, niet van die andere weg, met „takken van de bomen” versierd. Nog anderen herinneren zich een verre palmzondag toen

zij lidmaat werden van de kerk die zich naar Christus noemt, toen plechtig en feestelijk een nieuwe bereidheid tot dienen hun hart binnentrok.

Maar de plaat wil ons brengen tot de achtergrond van dat alles, naar die verre Zondag voor het Paasfeest, toen volgens de oude verhalen Jezus binnentrok in de Godsstad Jeruzalem, toen volgens het Joh.ev. de talrijke schare der feestgangers hem begroette met Hozanna! (een roep om hulp, waarmee men den koning eerde). Hebben wij tijd en rust om zóver terug te kijken? Het kost wel moeite. Ook de kranten hadden berichten over een intocht. De machthebbers van deze tijd, speciaal de nieuwe machthebbers houden van een goed geënsceneerde entree. Dat het soms mislukt door een restje moed in de harten der onderworpenen, is niet hun schuld.

Wij weten niet of de kaart en de gezindheden in Europa op de aanstaande Palmzondag zullen zijn als vandaag. Wij durven haast geen week vooruit te zien. Er is het heden, dat in zijn verwarde hulpeloosheid onze daad schijnt te vragen. Maar welke daad? Zou toch tenslotte een oud verhaal daaraan richting kunnen geven? Het is allereerst het verhaal van de wisselvalligheid der volksgunst: Heden hozanna, morgen: kruisigt hem! Gelukkig blijft het bij deze trieste constatering niet.

Wij kunnen ons nauwelijks bewust maken, hoe diep het evangelische beeld van de intocht joodse mensen uit die eeuwen, die ook eeuwen van vrees en van verwachting waren, moet hebben beroerd. Jezus’ intocht in Jeruzalem, de stad. En het is niet het binnentrekken van een willekeurig Paasfeestganger. Van de Olijfberg komt hij, vanwaar het volk zijn redder verwachtte.

INTOCHT IN JERUZALEM

Op een veulen gezeten is hij, dat nog nooit eerder is bereden. En werden dergelijke dieren niet voor heilige doeleinden afgezonderd? Als voor een koning bekleedt men de aarde

met zachte klederen en sierend groen. Hoort men niet de oude roep: Effent zijn paden?

Ja, als een heilig koning, waarlijk als de reddende messias, reed de man uit Nazareth naar Sion. Historie? In deze vorm wel steUig niet. Maar met hoeveel liefde en geloof is de geschiedenis in deze vorm gekleed! Zo moest het immers gebeuren? Zo is het gebeurd! En met hoeveel ontroerde vreugde zal er naar het verhaal van die ene grote, blijde dag geluisterd zijn.

Maar er dreigt al iets. Sommige farizeën (vlgs. Lk.) zien we de hoofden bij elkaar steken, en zo dadelijk komt hun vraag: Meester, verbiedt dit de mensen toch, laat u dit eerbetoon niet aanleunen.

Het is d.e vraag, die zal aanzwellen in de komende dagen: Houdt hij zichzelf voor de messias? is dat niet het duidelijkste bewijs van zijn dwaling? Het is de vraag, niet van stokende vijanden, maar van ernstige Joden, die de proclamatie van het heil midden in een verdorven wereld als heiligschennis moeten zien.

Gelukkig hoeven wij hier niet in een historische situatie partij te kiezen tussen het te spontane vertrouwen en de te koele reserve.

Wij mogen mee luisteren naar het sprookje van de ene dag, dat hij, in wien wij nog altijd zien het beeld onzer menselijke bestemming, als de heiland van zijn volk werd begroet. Volmaakt past het huldebetoon bij het innerlijk koningschap der Christusgestalte. Men geeft het eigene, legt de zopas nog gedragen kleren als zadel en als staatsieloper neer, en het frisse groen, de schoonste en simpelste versiering, maakt het pad tot een ware koningsweg.

Maar blijvend bogen de mensen niet voor deze in eenvoud gehulde hoogheid. Het stil verhevene van waarheid en zuiverheid en dienende liefde kon hen een ogenblik sterk bekoren, ja overwinnen, maar daarna kwamen de vragen.

Is met deze „zachte krachten” een volk, een wereld te redden? Wij, mensen, willen meer weten dan de juiste houding in dit ogenblik, wij vragen: „maar hoe dan?” en „als nu eens?” Wij zijn ook te ongeduldig om aan wat in het verborgene werkt zijn tijd te geven. Wij kunnen niet wachten tot het heus tijd is voor de seringen, maar „trekken” ze in kassen. Zo „trekken” wij aan alles, aan kinderzielen en aan de wereldgeschiedenis.

En dus komt de Goede Vrijdag, dus schijnt de stille luister der waarheid onder te gaan. Een schok? een diepe teleurstelling na die intocht? Ach nee, het was eigenlijk alles in dat ene ogenblik bijeen: Vertrouwen en wantrouwen, uiterlijke erkenning en innerlijke hoogheid (waarvan zelfs de stenen zouden hebben gewaagd, als de mensen hadden gezwegen), vreugde om dit uur en tegelijk de smart om de stad, die daar vredig lag en die wélgezind scheen. Ook in de Christusfiguur op onze plaat is dit alles bijeen. De smart om Jeruzalem, de stad die de profeten doodt, is aan dit zonnige uur toch niet vreemd.

Maar velen zullen schrikken als deze mens straks in de tempel toornt. Het was nu Immers juist alles goed? Nee, het was niet goed, ook niet op de Palmzondag. Was het misschien pas goed, even goed, op de Goede Vrijdag? Was er misschien een kans op een nieuw begin toen de mensheid het beste kruisigde; is er alleen in die radicale schuld, waarin niemand zich kan troosten met wat goede wil of een wat beter vooruitzicht, de kans zichzelf te herkennen en daarmee de kans op de bekering?

Palmzondag, een glimp van inzicht, een uiting van goede wil, maar vluchtig. Wij kennen de Palmzondag in ons leven, zijn vreugde is bedrieglijk. Het moet Goede Vrijdag worden, voordat in de Paasvreugde alle duisternis is overwonnen in hope.

F. KALMA—KOOPS.