is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 3, 13-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet ieder, die zich verheft als socialist, is een sociaal mens. Het moet den socialist duideiijk zijn, dat hij gemeenschapsmens is. Dat hij een deel uitmaakt van de massa, die lijdt en zucht onder de maatschappelijke verhoudingen, die in strijd zijn met het recht van een menselijk bestaan. De Christelijk-sociale mens moet een mens zijn met een sociaai geweten en een ideaai: de vernieuwing der gemeenschap als eis van God. Hij moet de wereld anders zien dan zij, die alle stoffelijke en geestelijke nood voorbijgaan en aileen maar oog hebben voor eigen verbeteringen. Die, geregeerd door hun egoïsme, alleen maar strijden voor verbetering van eigen maatschappelijke positie. We moeten het lijden der massa niet voorbijgaan met een „eigen schuld” of „loon naar werken”. We moeten bezield zijn door de geest van den Christus, die niet rust, aleer het verloren schaap terecht is. In onze ziel moet een onstuimig verlangen zich baan breken door alle individualisme heen, om de maatschappelijke ellende en nood bij de wortel te grijpen. Ons Christelijk-socialisme zal bestaansrecht hebben alleen dan, wanneer de arbeiders hun egoïsme en afgunst laten varen. Wanneer ze elkander vinden onder het Kruis van Christus, waar alle wegen van het leven, samenkomen. Gedreven door de liefde van Christus, moet het onderlinge vertrouwen groeien, ook wanneer de éne arbeider een hogere maatschappelijke positie bekleedt dan de ander. Alleen staande onder de boog van Gods trouw, en doordrongen van de waarde der eenheid, zal er voor de arbeiders een betere tijd aanbreken; omdat een strijd, gestreden met God, niet anders dan gewonnen kan worden.

Voor de vernieuwing der gemeenschap moest Gods Zoon Zijn leven geven. Een sociaaal mens is een principe-mens. Hij moet vele moeilijkheden overwinnen ten opzichte van zich zelf en de gemeenschap. Het sociale vraagstuk, met zijn vele moeilijkheden, moet hij aanvaarden, gezien in het Licht van Gods Woord. Wanneer wij. met vele andere volksgroepen niet kunnen doorstoten naar het Socialisme, dan is het Christus, die hier de onvermijdelijke antithese stelt: „Wie niet voor Mij is, is tegen Mij.” Aan de roep om eenheid, die een wet is van onze geest en van de wereid, kunnen wij alleen gevolg geven, wanneer men Christus erkent, den volle Christus, als Meester van alle terrein des levens.

In deze tijd van verwarring op politiek en maatschappelijk terrein, waarin men streeft naar eenheid in politiek, vakbeweging, pers en radio, moeten wij als Christenen onze plaats bepalen. Waar veel op politiek en maatschappelijk terrein een ander, dikwijls een nieuw, fundament gekozen wordt, moeten wij rotsvast pal blijven staan op het enige goede fundament: Jezus Christus. O, neen socialistisch dichter, hoe edel Uw woorden, hoe schoon Uw droom ook mag zijn, het zijn niet de arbeiders, die zullen heersen over bergen en zeeën, over dorpen en steden; neen, het zijn niet de arbeiders, die de jeugd zullen maken tot een bloeiende boom, neen het is God, die deze wereld bestuurt en regeert. Het socialisme, hoe schoon ook gedroomd, maar gebaseerd op menselijke kracht en wijsheid, kan niet anders dan uitlopen op een wreed en nuchter ontwaken, waarbij niet het morgenrood zal schijnen aan de verre horizon, maar waarin men tastende zal dolen en zoeken in een dikke duisternis. Want: „Niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”

HARM DE JONG.

Zegen der poëzie

Ida G. M. Gerhardt, Het Veerhuis. uitg. c. A. Mee, Santpoort 1945. ƒ2.25.

Een van de allereerste boeken, waarin na de oorlog de Nederlandse literatuur zichzelf herneemt; naar mijn verwachting litterair gesproken ook een van de belangrijkste.

De „oude” lezers van Tijd en Taak kunnen zich het werk van Ida Gerhardt herinneren: hier verscheen het was in de zomer van 1936 haar eerste pubUcatie, en zij is Tijd en Taak trouw gebleven tot aan de opheffing. Het bundeltje „Kosmos” was toen al verschenen, en daarmee kon het voor den aandachtigen en ter zake kondigen lezer duidelijk zijn, dat hier een zeer apart dichterschap aan het woord was: een ingetogen kunst van fijne toetsen en strenge zelftucht, allerminst luidruchtig, maar ook alierminst onzeker van geluid.

Er heeft bij mij altijd een zekere schroom bestaan om de poëzie van Ida Gerhardt al te nadrukkelijk aan te prijzen; misschien omdat dit zozeer streed met de aard van het werk, maar zeker ook, omdat ik mij met persoon en werk zelf t e nauw verbonden voelde. Zegt men niet, dat de liefde blind maakt?

Toen Tijd en Taak verdwenen was, en weldra de tijdschriften onder Kultuurkamer-maatregelen vielen, was er geen gelegenheid meer het werk van Ida Gerhardt te volgen. Met het verschijnen van „Het Veerhuis” echter, meen ik goed te doen

mijn schroom opzij te zetten, en uit te spreken, wat ik denk: niet licht zal men, tenzij in het werk van de erkende, oudere meesters, zoveel zuivere, onaantastbare poezië bij elkaar vinden.

Het lijkt alsof deze kunst wat terzijde bloeit. „Bloeit” inderdaad wel, maar ergens aan een waterkantje, tussen de dotters en de pinksterbloemen, waar het moderne verkeer niet langs komt, en van de mensen en hun duistere problemen nauwelijks iets verluidt. Daar is natuurlijk iets weldadigs, iets kalmerends in, maar... heel de benauwende actualiteit der achter ons liggende jaren is hier slechts door twéé oorlogsverzen vertegenwoordigd; kan zo’n kunst voor den mens van 1945 nu werkelijk belangrijk zijn? Is strikt genomen Tijd en Taak de plaats om van zo’n afzijdige, eenzelvige poëtische bloei te getuigen?

Het is deze vraag, die, dunkt me, de critische lezer stellen zal, en het is deze vraag, die ik uit volle overtuiging met ja beantwoord. Het zou iets anders zijn, wanneer het hier ging om simpele, meer of minder geslaagde natuurimpressies in versvorm; dergelijke „prentjes”, hoe verdienstelijk ook getekend men denke aan Scheltema, de vroege Jan Prins, Bastiaanse en anderen —, moeten tenslotte onbevredigd laten. Zij liggen a.h.w. te uitsluitend in het platte vlak, en de lezer verlangt dan eindelijk eens diepte. In deze poëzie echter ontbreekt die diepte nooit. Elk aandachtig waargenomen en eerbiedig

GEBOORTE

Uit „Het Veerhuis”

Wanneer een vers is af gemaakt en tot zijn eigen vorm gekomen,

dan wordt het éven aangeraakt en gaat het leven er in stromen.

De kleuren gloriën langzaam aan, dan komt hetaderwerkverschijnen;

de bloedklop doet zijn stuwing gaan door nerven en vertakte lijnen.

Eén is er, die dit wonder ziet nog van het eerste waas beslagen: de maker zelf, die om het lied

zijn pijn en moeite heeft gedragen.

En diep verwonderd, oog in oog met dit voltooid, bewegend leven,

dankt hij wie hem tot arbeid boog

en zó zijn zegen heeft gegeven.

IDA G. M. GERHARDT