is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 41, 13-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTMOETING EN GESPREK

„Ondergetekenden zijn mannen, die als belijdende Christenen met volle overtuiging'lid zijn van de Partij van de Arbeid”. Met deze woorden begint de open brief, die door twintig leden van de Partij van de Arbeid aan de A.R. Partij en de C.H. Unie gezonden werd. Tot de briefschrijvers behoren o.a. Prof. Kraemer, Prof. v. d. Leeuw, Prof. Lieftinck, Dr. Patijn, Mr. Dr. van Rhijn, Dr. Rozemond, Mr. Schol ten, N. Stufkens en Mr. v. Walsum. 1

Desse open Drief is een overtuigend bewijs, dat er in het politieke en geestelijke leven van ons vaderland toch wel iets veranderd is. Twintig mannen. Belijdende Christenen. Hun namen zijn in de Hervormde Kerk bekende namen. Het zijn geen randfiguren. Deze twintig zijn als belijdende Christenen met volle overtuiging lid van de Partij van de Arbeid geworden. De antithese is in feite doorbroken. Maar dit is het toch niet, waarin wij de betekenis van deze open brief zoeken. Die zoeken wij in iets anders.

~ Dat deze belijdende Christenen lid van de Partij van de Arbeid zijn, wordt door velen van hun medechristenen als een ernstige en gevaarlijke dwaling gewaardeerd. Welke bezwaren heeft men? Een formeel bezwaar: een belijdend Christen behoort lid van een Christelijke politieke partij te zijn.

Een materieel bezwaar: een belijdend Christen kan geen socialist zijn en kan al evenmin instemmen met het beleid, dat de Partij van de Arbeid ten opzichte van Indonesië voorstaat.

De verschillen zijn groot en snijden diep in het leven in. Zij liggen voor deze twintig en voor hun a.r. en c.h. medechristenen zeker niet aan de buitenkant. Zelfs, indien de politieke discussie een edel en voornaam karakter blijft dragen, dreigt het gevaar van misverstand en vervreemding.

De politieke discussie blijft echter geeri voornaam karakter dragen. Vooral niet in een verkiezingsstrijd, die ons allen. die toch al na vijf jaar oorlog zo uitermate gevoelig zijn, prikkelbaar maakt. Anton van Duinkerken heeft gesproken over de waarde van fatsoen. Uit de wijze, waarop rnen laatste maanden in Nederland elkaar bestreden heeft, kan een obj’ectief buitenstaander geen andere indruk krijgen, dan dat het fatsoen inderdaad weg is. Het is immers onfatsoenlijk te menen, dat beginselen dingen zijn, in vvier naam men een ander mens verkeerd moet voorstellen, grieven of beledipn. Wanneer dit fatsoen in de politieke discussie tussen belijdende Christenen zoek is, zijn de gevolgen niet alleen voor het volksleven maar ook voor het kerkelijk leven noodlottig,

De betekenis van de open brief van Prof.

Kraemer en de zijnen zoeken wij daarin, dat deze mannen zich niet bij deze noodlottige feitelijkheden wensen neer te leggen, maar tegen zich zelf en hun medechristenen zeggen: zo mag het niet, het moet anders!

Zij weten zich verantwoordelijk gesteld voor wat voor hen zelf en hun medechristenen het hoogste belang is, dat zij samen kennen: de plaats en de invloed van het Evangelie van Jezus Christus voor ons volk. Daarom richten zij zich tot hun a.r. en c.h. broeders. Er is een diepgaand verschil van inzicht openbaar geworden over de koers, die gekozen moet worden in de grote vragen van politiek en sociaal-economisch beleid, maar vooral over het vraagstuk, welke houding een belijdend Christen ten aanzien van het levensgebied der politiek moet innemen. Vooral dit laatste vraagstuk houdt Prof. Kraemer en de zijnen bezig.

Het zijn drie redenen, om welke deze twintig zich tot hun a.r. en c.h. broeders wenden.

1. De eenheid en verbondenheid in Christus gaat, trots de diepgaande verschillen, boven alle verschillen uit. Deze eenheid moet ter wille van de gehoorzaamheid aan Christus worden vastgehouden als aan een werkelijkheid, die ons met gezag oproept elkaar in vruchtbare aanraking te ontmoeten.

2. De discussie over de verschillen kan waardig of onwaardig zijn. Is zij waardig, dan oefent zij een invloed ten goede, is zij onwaardig, dan oefent zij een invloed ten kwade ten aanzien van de waardering van het Christendom als geestelijke kracht. In het recente verleden is er in dit opzicht in woorden en daden zwaar gezondigd. Dat mag zo niet langer voortgaan, om des Evangelies wil niet en om der wille van ons gehele volk niet.

3. De loop der geschiedenis, die niet buiten Gods leiding omgaat, plaatst ons voor de onverbiddelijke eis, de verhouding van den Evangeliebelijder tot de vragen der politiek, der economie en de maatschappij. zoals zij zich in het heden voordoen, als Christen-staatsburger opnieuw te doorden-

ken. Als Christenen mogen wij, om Christus’ wil en ter wille van ons volk, niet voortgaan dit te doen als louter vijandige, uit de verte elkaar bestrijdende groepen. Wij moeten in gesprek met elkaar komen op de grondslag, dat wij van elkaar aannemen, dat een positie kiezen voortkomt uit de ernstige begeerte werkelijk de Bijbelse boodschap te horen, en bereid zijn, elkaar tot steeds ernstiger en nauwlettender horen op te roepen.

De open brief eindigt met het verzoek van deze twintig aan de A. R. Partij en de C. H. Unie, om samen een gelegenheid tot gesprek en ontmoeting te scheppen.

Wat het resultaat dezer ontmoeting kan zijn, weet geen mens. Men kan optimist, men kan ook pessimist zijn. Dit is echter niet belangrijk. Belangrijk is, dat wij niet in onze schuilkelder blijven zitten en van elkaar vervreemden, maar elkander in een ernstig gesprek ontmoeten. Ook dat behoort tot de vernieuwing van ons volksleven. Er is veel dat teleurstelt. Maar zo’n open brief is te midden van alle teleurstellingen een bemoediging en een verkwikking. I

Wij kunnen alleen maar hopen, dat van uit de kring van de Partij van de Arbeid nu ook wordt aangestuurd op een ontmoeting met links. Evenals bij de ontmoeting met rechts mogen daarbij niet belangen van partijpolitiek, maar de belangen van oDI gehele volk de drijfveer zijn.

J. J. BUSKES Jr.

De actie die de ganse oorlog door heeft geduurd ’is eerst in Januari 1946 stop-

Na de dood van Ragaz is de vereniging voor de grote vraag gesteld geworden: Wat ™Top lo Jaguar! ?an dit Jaar heett aij in 7ürich een iaarvergadering gehouden, Se ln™S teïervanTe vrafg leeft staan De inleiding tot de gedachtenwisse-Ung hierover werd gevormd door een voordracht van den Züricher predikant Paul Trautvetter over de religieus-sociale beweging en haar huidige toestand. Deze bewelinl was wel kleil maar behoefde niet klein van zichzelf te denken, waar zij een man als Ragaz in haar midden had. Nu hij die zo levend was, dat hij op zijn eentje een bLegVng genoemd kon was heengegaL, drong des te ernstiger de Sg naar Voren: hoe staat het met onze bewogenheid? Wat wil zeggen: hoe staat het met onze overgave aan de zaak? Want daarop komt het aan; Ragaz’ kracht lag SarïS mrdTSen''Sf zTÏafhTook en van daamit o Trautvetter hoogte vanwaar TandenTeveS, waaruit hij ’ de wetenschap ’ God en met Christus, het geloof en het vertrouwen, het bewustzijn om gedragen

te worden, het speuren van de nabijheid Gods en de zekerheid van de overwinning van Zijn rijk. |

De stemmen, Ine zich na deze voordracht I lieten horen, getuigden alle van een sterke bereidheid de door Ragaz nagelaten erfenis niet slechts vol piëteit in zijn geest te beheren, maar vooral ze levend te houden en verder te dragen. Ook werden allerlei nieuwe vraagstukken naar voren gebracht, aan welker oplossing de religieussociale beweging moest medewerken: de verhouding van Zwitserland tot de UNO de strijd om de invaliditeitsverzekering, de oorlogsbegroting. Men ziet, hoeveel meer dan bij ons de religieus-socialistische beweging, zonder dat zij verpolitiekt wil worden, haar stem in het openbare leven wil doen horen. Maar wat het voornaamste is: men wil werken in de wetenschap, dat de oogst groot is, maar de arbeiders weinige zijn, verder bouwend aan het werk van Ragaz, dat was God en Zijn rijk te dienen.

Dat gold niet slechts het werk der vereniging zelf, maar ook dat der zusterverenigingen, in het bijzonder die der Freunde der „Neue Wege”, waarvan de redactie aan den reeds genoemden Paul Trautvetter en Hugo Kramer werd toevertrouwd. In dat blad zijn zelfs de door Ragaz verzorgde rubrieken „Zur Weltlage” en „Zur Schweizerischen Lage” (over de wereldtoestand en de toestand in Zwitserland), waarin deze steeds zijn meesterlijk geluid had doen horen, blijven bestaan, zij het uit piëteit onder enigszins andere naam.

Zeker, Zwitserland heeft de oorlog niet meegemaakt, weet noch passief noch actief wat dit inhoudt, maar de Zwitserse religieus-socialistische beweging is zich haar geestelijk bezit en de verantwoording, die dit haar oplegt, terdege bewust.

M. J. A. MOLTZER.