is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 7, 09-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, enz. Aan de Zuidelijke Theemsoever zou het culturele centrum moeten komen: theaters, jeugdcentrum, regeringsinstellingen, openbare tuinen, enz.

Het oude centrum van Londen valt onder de verantwoordelijkheid van een afzonderlijk lichaam, de Corporation of London. Voor deze stadskern bestaat het plan, om de bevolking zoveei mogelijk te weren en uitsluitend te bestemmen voor kantoren, markten, winkeis, enz. De *St. Paul’s kathedraal wil men geheel vrijmaken uit het stadsbeeld, door de aanleg van een groot plein met daaromheen uniforme gebouwencomplexen.

De wederopbouw van Coventry werd speciaal op de tentoonstelling door een maquette gedemonstreerd. Hier is toch wei een uitermate fraai ontwerp tot gtand gekomen, waarbij licht en lucht wel de dominerende factoren zijn geweest.

Een apart probleem nog weer vormen de mobiele industrieën, fabrieken, die nieuw zullen verrijzen, die moeten worden overgeplaatst of uitgebreid, enz.

Een idealistische oplossing van het woningvraagstuk is wel de tuinstad. Reeds in 1902 en 1920 werden Letchworth en Welwyn af gebouwd. Het zijn gemeenschappen, die gelegenheid moeten bieden aan industriële, maar evenzeer aan volledige sociale activiteit. Daarnaast zijn ten aanzien van de grootte en de uitbreiding bindende beperkingen gesteld, zodat dus een gefixeerde samenlevingsvorm is geschapen. Daarbij liggen de tuinsteden temidden van agrarische gebieden, zodat werkelijk hier stad en land tot een synthese ineenvloeien. In de practijk bleek het wenselijk om de tuinsteden niet boven 30 k 50.000 inwoners te doen uitgroeien, met een gemiddelde dichtheid van 62 personen per ha. Zulk een tuinstad heeft dan een straal van 1,6 km.

Wanneer men verder ziet, wat de Britse architecten presteerden bij gemeenschapsinstellingen als St. Duncan’s Hospital, Richmond High School in Yorkshire, het Volksgezondheidscentrum te Tecton, de Dudley dierentuin, enz., dan zal men toch moeten erkennen, dat het conservatieve Brittannië danig in een nieuwe koers is geraakt. Stellig leefden de nieuwe vormen al jaren geleden bij de architecten, maar na het strekken van de wapens en na de Labourzege konden de plannen eerst goed tot hun recht komen. Was het juist niet het woningprobleem, dat Labour tot oplossing wilde zien gebracht?

Het in 1941 verschenen Scott-rapport geeft een overzicht van de ontworpen voorzieningen voor het piatteiand: woningen voor iandarbeiders, modelboerderijen, sociale dorpscentra, sportvelden, energielevering, bebossingen, natuurreservaten, dorpsscholen, enz.

De Britten verzuchten, dat er zoveel te doen is in zo weinig ruimte. Uiteraard is dat in Nederland een nog groter probleem. Maar ook hier zullen we toch in snel tempo tot „gemeenschapsbouw” moeten komen. Juist hierom was de tentoonstelling „Replanning Britain” van zo groot belang. Leerzaam vooral om te zien, hoe het vaak ook niet moet. Wat we evenwel bij vergelijking met de Rotterdamse opbouwplannen opmerken is, dat in Rotterdam toch o.i. te weinig aandacht is besteed aan voldoende parkaanleg in het stadscentrum ten behoeve van de recreatie van de duizenden werkers, speciaal in de rusttijden. Wie zich aan een ander spiegelt ...

H. KROOK.

Een vredig tafereeltje. Traag sleept het kleine bootje de grote, logge aak over een der uitgestrekte Friese meren. Ligt de boot zo diep geladen met aardappelen, of is ’t meel, of veevoeder of zijn het misschien wel industrieproducten? Wat doet het er toe, al varende doet zij haar onmisbare plicht. Door de kanalen, die ons land doorsnijden brengt zij het aardewerk uit Limburg naar Twente en de textiel uit Twente naar Limburg; lampen en radio’s uit Eindhoven vervoert zij naar Groningen en Friesland en zij laat het Zuiden van het land genieten van de kostelijke producten der Friese zuivelindustrie en menig Amsterdammer trekt een mooie acht op de Nooit Gedagt-schaatsen ui IJlst. Dat is de onmisbare taak van de zich zo traag voortbewegende binnenvaart

’t Is laat zomer 1940. Nederland en België liggen nog verdoofd ter neer van het krijgsrumoer; het arme Frankrijk bloedt nog uit ontelbare wonden. En de zegevierende Teutonen maken zich op voor de grootste en beslissende slag. (ledere grote slag heette beslissend, al kwam de beslissing pas na vijf jaar).

Botters en Rijnaken worden gevorderd. Van die grote aken, de trots van de binnenvaart, worden de koppen afgezaagd. Twee aan twee worden de mismaakte schepen aan elkaar gekoppeld. Aan de IJ-kant in Amsterdam kan men de Duitse militairen zien oefenen. Bepakt en beladen dalen ze af in het binnenste der schepen. Er in, er uit er in, er uit. Alles op commando. Proefvaarten worden er mee gemaakt. De wildste geruchten doen de rondte.

Maar hun bestemming is gemakkelijk te raden; deze honderden, nee duizenden schepen, waaruit het zo typische en vreedzame schippersvolk met Befehl zus en Befehl zo verdreven is, deze schepen zijn bestemd voor een landing in Engeland ... De fantasie heeft vrij spel.

De Duitsers zouden reeds geprobeerd hebben, hoever ze kunnen komen. Maar de schepen blijken niet zeewaardig te zijn. En de kust voor Engeland zou met brandende benzine over goten zijn om den vijand op een afstand te houden. Wilder, steeds wilder worden de geruchten ...

De waarheid is, dat de landing niet mis lukt is; zij heeft nooit plaats gehad. Maar hoe zou deze oorlog verlopen zijn, als die invasie wel gelukt was? Duitsland zou de oorlog tóch verloren hebben, maar het zou langer, véél langer hebben kunnen standhouden en ...

Laat zomer 1945 vielen er twee Amerikaanse atoombommen op Japan. Het hadden de eerste atoombommen voor Europa kunnen zijn. M. K.