is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 10, 30-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENZAME STRIJDER

Het bekende spreekwoord „een mens wordt na zijn dood pas geëerd” heeft zijn waarheid, jammer genoeg, ai dubbel en dwars bevestigd. P

Dit kwam mij weer helder voor de geest te staan, toen ik de dissertatie van den Franciscaner monnik Dr. T. de Ruiter, las over minister A. S. Talma. Doch niet alleen het opgaan van dit laffe spreekwoord wekte ergernis bij mij op, maar ook en dit in bijzondere mate het droeve misbruik, dat men tegenwoordig met den persoon en de idealen van dezen eenzamen strijder maakt.

Aan alle kanten probeert men den veel verguisde in politieke en sociale systemen te wringen. Dr. de Ruiter plaatst hem in het raam van het corporatisme, de tegenwoordige leidslieden der A.R. plaatsen hem in het raam der Christelijke politiek. We laten in het midden, in hoever dit gerechtigd is. Het gecoquetteer met grote figuren kan ik niet .aanzien, zonder in alle ernst te vragen: „Weet ge wel, met wien ge coquetteert?” Om deze vraag voldoende te laten doordringen moeten we teruggrijpen op de historie van Talma’s veelbewogen leven.

De predikantenzoon Aritus Sybrandus Talma, 19 Febr. 1864 in het dorp Angeren geboren, volgt de voetsporen van zijn vader en gaat theologie studeren. Kenmerkend is, dat tijdens zijn studietijd, het sociale vraagstuk zijn leven reeds kwam verontrusten. De sociale bewogenheid nam echter toe met de jaren van zijn predikantenloopbaan.

Door de omgang met zijn gemeente, die een trouwe pastor overigens altijd moest hebben, leerde hij de noden kennen, die in het einde der negentiende eeuw onder de arbeidersbevolking leefden. Dat Talma geen figuur is om in een schema te plaatsen, blijkt overduidelijk uit de zelfstandige houding, die hij aannam bij zijn politieke keuze.

Het feit, dat Talma, die Ned. Herv. predi-

kant was en nog wel ethisch, bovendien in het geheel niet sympathiserend met de doleantie, zich desondanks aansloot bij „Patrimonium”, toont duidelijk aan, dat Talma de kerkelijke en confessionele tegenstellingen als een hinderpaal zag voor het bereiken van een sociale welvaartspolitiek.

Indien Talma een anti-thetische figuur was geweest dan zou hij zich zeker aangesloten hebben bij de kerkistische „Christelijk Nationale Werkmansbond” die het aankweken van liefde tot de Herv. Kerk in haar programma had staan. Daarbij kwam, dat Talma in Patrimonium, geestelijk, een kat in een vreemd pakhuis was.

Zijn vurige drang naar sociale gerechtigheid was zo groot, dat hij zelfs zijn theologisch uitgangspunt hiervoor naar achteren schoof en de aanvallen o.a. op de jaarvergadering van Patrimonium, gehouden op 7 en 8 Sept 1903, daarop gedaan, op meesterlijke wijze naast zich neerlegt, als hij zijn belagers antwoordt: „Indien ik de overtuiging had, dat Calvinistisch en ethisch een tegenstelling vormde, zou ik nooit de moed hebben gehad mij op sociaal en politiek gebied te laten horen.

Maar deze overtuiging heb ik: (nu niet over theologie gesproken!) „dat wat het Calvinisme op sociaal en politiek gebied wil, precies hetzelfde is, wat ik wil. Ethisch en Calvinistisch vormen in dien zin geen tegenstelling. Het ethische zit niet in dogma’s maar in de methode, waartoe men komt”. Hoe Talma verder over de antithese dacht, welke wij nu bestrijden, blijkt uit hetgeen hij hierover in de Kamer heeft gezegd, n.l. „De anti-these als scheiding tussen de groepen, die nu links en rechts zijn, bestaat alleen, zolang het volk niet gevoelt, dat bij de regering van welke kant zij ook komt, die edele grote volksbelangen veilig zijn.” Men ziet, dat Talma in Patrimonium, geestelijk, een eenzame was.

doch niet alleen geestelijk was hij dat, ook sociaal en economisch, zoals direct zal blijken. In 1894 houdt hij te Dordrecht zijn eerste grote politieke rede onder het motto: „Mammonkiesrecht of mannenkiesrecht”, waarin hij op vurige wijze de uitbreiding van het politiek kiesrecht voor de arbeiders verdedigt.

In 1900 begint voor Talma eerst goed zijn politieke carrière, door zijn verkiezing in de Tweede Kamer. Door zijn geweldige activiteit op sociaal en economisch gebied ontplooid, wachtte hem in 1908 als vrucht hiervan het ministerschap over het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel in het rechtse kabinet Heemskerk. We besparen u de details van de vele sociale wetten die Talma heeft ontworpen en ingediend. De Bakkerswet en de Radenwet, zijn wel de meest bekende en hebben ook het meeste stof doen opwaaien. Als men leest, dat deze man zelfs door zijn politieke medestanders als staatssocialist is gebrandmerkt, dan kan men niet nalaten, een vergelijking te trekken tussen de pogingen, die Minister Vos na ruim dertig jaar aanwendt om in gemoderniseerde vorm iets dergelijks tot stand te brengen en de pogingen van Talma toen.

Treffend is echter, dat de A.R.- en C.H.- nazaten, Vos evenzeer hebben verguisd, als hun voorgangers dat Talma hebben gedaan, alleen is er dit vreselijke verschil: de nazaten wagen het, zich op Talma te beroepen. I

Men zou over het steeds weer naar voren halen van een staatssocialistischen boeman, kunnen zeggen; „er is waarlijk niets nieuws onder de zon, doch helemaal juist zou dit niet zijn, want in de antieke verhoudingen van Nederland is toch iets, dat de naam nieuw met ere kan dragen, en wel de doorbraak en de opkomende vloed van het (al of niet staats-) socialisme. Aan de andere kant is het sociale element, dat in Talma’s tijd de A.R. nog sierde nu ingeteerd, tot een Dr. Kuyperstichting, vol dierbare herinneringen.

Zoals men weet zijn herinneringen aan vervlogen tijden, niet bepaald de meest

koningen regeerden dan wel Romeinse proconsuls, Arabische sultans, Turkse viziers of Engelse adviseurs.

Sedert Egypte door Alexander den Groten veroverd was en eigenlijk reeds voor die tijd was de macht over het land in handen van vreemdelingen. De Griekse kooplieden van Alexandrië hadden en hielden er een enorme invloed en verder wisselden de bezetters van de sleutelposities der administratie, maar de gemakkelijke beheersing bleef. Pas het réveil van de Islam in het begin van de vorige eeuw (een tamelijk onbekend gebleven maar gewichtig historisch verschijnsel) gaf de stoot tot het ontwakend nationalisme, dat zich bewust werd in de strijd tegen Turkije en later tegen Engeland. Een volksbeweging was het nationaiisme evenwel niet. Het bleef een aangelegenheid van de hogere standen, de grondbezitters en inheemse kooplieden in de steden. Hun ging het er meer om de macht voor zichzelf uit de handen van de vreemdelingen over te nemen dan dat het hen ergerde onvrij te zijn.

Het Engelse gezag had zich stevig in Egypte genesteld; van daaruit kon het Britse rijk het oostelijke deel van de Middellandse Zee beheersen om de weg naar India vrij te houden. In de vorige wereldoorlog beloofden de Engelsen Egypte afschaffing van het protectoraat, doch geheel tot tevredenheid werd de zaak niet afge-

wikkeld. De Soedan immers, van oudsher tot Egypte gerekend, kwam buiten de grenzen te iiggen en in plaats van het protectoraat kwam een verdrag, dat Engeland permitteerde troepen op Egyptisch grondgebied te legeren. Herhaaldelijk bleven de betrekkingen over en weer moeilijk. De Engelsen konden hun vlootbasis Alexandrië niet missen. Terzelfdertijd nam de nationalistische agitatie vooral onder de studerende jeugd aan de Mohammedaanse universiteit van Cairo hand over hand toe; de nationalistische partij steeg in aanzien en kon zich ze werd toch niet tot de regering geroepen permitteren hoge eisen te stellen. Onder de bedreiging van Italië met het lot van Abessinië voor ogen voelde Egypte zich nu werkelijk bedreigd sloot men het vriendschapsverdrag van 1936. De betrekkingen bleven goed, zij het nimmer innig, gedurende de oorlog, die ten dele op Egyptisch gebied gestreden werd; de grote veidtocht van Montgomery gebruikte Egypte als basis. Een goede tijd voor Egyptische handelaars, industriëlen en arbeiders. Men kon op de Engelsen schelden en tevens aan hen verdienen.

Belangrijk was, dat de Engelse coalitieregering juist in oorlogstijd haar greep op de Levant trachtte te bevestigen door op opvallende wijze de Arabische liga tegemoet te komen. En daar in het land der

blinden eenoog koning is, kwam Egypte als economisch en cultureel meest ontwikkelde der Arabische landen sterker naar voren dan men met het oog op de stabiliteit der binnenlandse verhoudingen en zijn jongste geschiedenis verwachten zou. Egypte telt thans mee in de wereldpolitiek, niet omdat het uit zichzelf zoveel betekent, maar omdat het er de Arabische groep representeert, die door het Westen wordt ontzien, opdat de Sowjetunie zijn macht niet naar het Midden-Oosten uitbreidt. Vandaar ook de Britse inschikkelijkheid van onlangs. Bevin is met Sidky Pasja overeengekomen, dat de Engelsen het land uiterlijk in 1949 ontruimd zullen hebben en dat de Soedan onder de Egyptische kroon komt.

Maar evenals het Egyptische nationalisme en de daarbij behorende aspiraties slechts door een dunne bovenlaag gedragen worden, komt de versterkte machtspositie ook slechts aan de „rycdom ende wysheit” zoals het in onze 17e eeuw heette, ten goede. Egypte’s huidige gunstige internationale positie is een verschijnsel van een toevallige constellatie, niet bepaald door een gunstige structuur. Naar de schijn is er in veertig jaar veel veranderd. In wezen is het nog eender als onder de vroege dynastieën, de Grieken, de Romeinen, de Turken en... de Britten. 20 November 1946. A. E. COHEN.