is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 50, 20-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de christelijke gezagsopvatting op het staatkundig leven bevruchtend zal inwerken. Het nieuwe beginselprogram van de Partij van de Arbeid levert daarvan reeds de bewijzen. Daarin wordt erkend de eigen waarde van het gezag als een waarborg voor het recht en de vrijheid der burgers. Daarin wordt ook gezegd, dat de Overheid geroepen is het geestelijke leven van het volk te beschermen en te bevorderen. Daarin wordt zelfs ruimte gevraagd voor de verkondiging der kerk en voor haar dienstbetoon aan de wereld. In hpt beginselprogram is zeker niet de christelijke gezagsopvatting als zodanig neergelegd, maar wel vindt men daarin verschillende elementen, die in de christelijke gezagsopvatting passen en er staat niets in wat daartegen ingaat. En wij kunnen op onze beurt van de buitenkerkelijke socialisten dit leren, dat wij levend moeten houden het besef, dat de Overheid inderdaad een roeping heeft.

Het blijft altijd denkbaar, dat de politiek van de Partij van de Arbeid op een of ander punt met de christelijke gezagsopvatting in conflict zou kunnen komen. Maar waarom zou ik mij daarover zorgen maken voor zich dat voordoet? Bovendien kunnen dergelijke ontsporingen zich bij de christelijke partijen niet evenzeer voordoen?

Trouwens, de practijk van de laatste jaren heeft bewezen, dat het aanvaarden van de christelijke gezagsopvatting geen waarborg biedt voor het volgen van éénzelfde politiek. Ik denk hier aan het Indonesische vraagstuk. Ik sta vierkant tegenover de politiek van de Anti-Revolutionnairen ten aanzien van Indonesië, hoewel wij samen de christelijke gezagsopvatting tot uitgangspunt nemen. Naar mijn mening is de wijze waarop de Anti-Revolutionnairen in de Indonesische kwestie met het gezag opereren verwerpelijk en wel omdat zij hen leidt tot een verabsolutering van de formele gezagsverhoudingen. Daardoor staan zij bloot aan het gevaar dat hun gezagsopvatting hen tot een afgod wordt. Zij kunnen de juiste christelijke houding tegenover het Indonesische vraagstuk niet vinden, omdat zij alleen zien naar de gezagshandhaving en doof zijn voor de roep om recht en gerechtigheid in het streven naar vrijheid en zelfstandigheid voor Indonesië.

Daarom is juist het Indonesische vraagstuk een bewijs te meer dat de doorbraak gerechtvaardigd was. De Partij van de Arbeid staat een Indonesische politiek voor, waar ik mij, ondanks alle verschillen in levensovertuiging, die er binnen de partij zijn, krachtens mijn verantwoordelijkheid als christen achter kan stellen. Hoe zou ik ipij echter thuis kunnen gevoelen in een partij, waarmede ik wel de christelijke gezagsopvatting gemeen heb, maar die daaruit consequenties afleidt, die voor mij volstrekt onaanvaaiidbaar zijn?

IN DE VEILIGHEIDSRAAD

II

In het vorige artikel, dat wij over de internationale zijde van het Indonesische vraagstuk schreven, vestigden wij de aandacht op de belangrijkste factor in deze zaak, n.l. dat wie aan de Republiek raakt, aan Azië en het gehele koloniale probleem raakt en vanaf dat moment rekening heeft te houden met reacties over de gehele wereld. Dit zal echter de verbazing van vele lezers niet hebben weggenomen omtrent de behandeling van deze kwestie in de Veiligheidsraad. Hoe was het mogelijk, dat het hoogste politieke orgaan ter wereid, waarvan men meer dan van enig ander lichaam een objecctieve en ter zake kundige behandeling van zaken verwacht, zo duidelijk partijdig en in het licht van zijn eigen reglement op aanvechtbare wijze is opgetreden? Velen, die in internationale samenwerking hebben geloofd, voor Volkenbond en vrede hebben geijverd en met enthousiasme de Verenigde Naties hebben zien tot stand komen, die zich de verklaringen van de grote staatslieden gedurende de oorlog nog herinneren en het ideaal van een internationaal bestuur steeds voor ogen hebben gesteld, zijn in hun verwachtingen teleurgesteld. Herhaaldelijk kan men de opmerking horen, dat al die idealen dus wel erg weinig waard blijken te zijn.

Het is goed eens op dit punt in te gaan om een veel voorkomend misverstand te kunnen wegnemen. De Verenigde Naties en hun organen lij ken'veel minder op een in verhevenheid zetelend college van platonische wijzen, dan op de gemeenteraad van een grote stad. Het is een diepgeworteld misverstand te denken, dat internationale, politieke samenwerking zou bestaan in de toepassing van verheven idealen. Wat geeft ons trouwens het recht om dit te verwachten? In een wereld, waarin iedereen uit is op de behartiging van zijn eigen belangen de noodzaak daarvan geldt voor ieder-

een, van het Christelijk onderwijs tot onze vakorganisaties toe zal een internationale vergadering' evenveel verdedigers van die belangen als leden tellen. Daarom zijn de Verenigde Naties niet een soort samenspanning van boosaardige diplomaten, die het op de wereldvrede gemunt hebben in hun verblind egoïsme, zoals dit ons b.v. in „Der grüne Tisch” van Kurt Jooss’ ballet wordt gesuggereerd, maar een getrouwe weerspiegeling van de internationale werkelijkheid. Zoals een vergadering van de Verenigde Naties een onverkwikkelijk beeld van vechten om positie en berijden van stokpaarden oplevert, zo is het leven. De kunst van de politiek is nu om een redelijke overeenstemming te vinden, die het samenleven van zo tegenstrijdige elementen mogelijk maakt, zonder dat een aantal grondbeginselen en de vrede gevaar lopen. Het charter van de Verenigde Naties heeft een minimum aan gedragsregels vastgelegd, waaraan de leden gebonden zijn zich te houden. Telkens zal men weer constateren, dat er landen zijn, die de neiging hebben om het charter in hun eigen belang te interpreteren en de artikelen als elastiek uit te rekken naarmate dat in hun kraam te pas komt. Waarom zou men er zich over verbazen, wanneer men om zich heen in eigen land niet anders ziet? Men zou de gehele advocatenstand kunnen opdoeken, wanneer de menselijke natuur deze neiging plotseling niet meer zou blijken te hebben. In wezen is het veel merkwaardiger, dat ondanks dit alles het charter van de Verenigde Naties toch tot het in acht nemen van bepaalde regels dwingt, daar men een bepaling wel als elastiek kan rekken, maar er toch niet ongestraft onderuit kan kruipen. Vijf en twintig jaar geleden bestond or vrijwel nog niets van deze aard. In de 19e eeuw beperkte de practijk van het volkenrecht zich tot het in acht nemen van

JAN VAN GOYEN. LANDSCHAP MET TWEE ZWARE GEKNOTTE EIKEN. NEDERLAND 1641. RIJKSMUSEUM

„Hoe mooi en goed zouden alle mensen zijn, als ze elke avond voor het inslapen zich de gebeurtenissen van de hele dag voor ogen riepen en dan precies nagaan wat goed en slecht is geweest in hun eigen optreden. Onwillekeurig probeer je elke dag weer van voren af aan je te verbeteren, allicht dat je dan na verloop van tijd heel iaat bereikt. Dit middeltje is voor ieder te gebruiken, het kost niets en is beslist erg nuttig. Want loie het niet weet, moet het leren en ervaren: „Een rustig geweten maakt sterk!" uit Anne Frank, Het achterhuis, A’dam Contact.