is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 13, 18-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lETS DROEVIGS

Er ligt lets droevigs over het politieke leven. Als het goed Is, went lemand die aan het politieke leven deelneemt hoe dan ook nooit aan die reden tot droefheid. Het Is het onvermogen van sommigen om het standpunt van de tegenstander recht te doen. Nu Is dat onvermogen op alle levensgebieden een bekend verschijnsel. Maar nergens heeft het zulke funeste gevolgen als In de politiek, nationaal en vooral Internationaal. Het Is daarom zo noodlottig, omdat dit onbegrip een wapen In de machtstrijd kan worden. Wanneer men de tegenstander met schijn van redenen boze plannen kan toedichten, dan Is ervoorwledoormachtswllbezeten Is, geen rem. En juist, omdat politiek een zaak van machtsvorming, van machtsbeïnvloedlng Is, kunnen dergelijke lieden hun rol op dat gebied gemakkelijk spelen. Op andere levensterreinen worden ze gemakkelijker ontmaskerd, en doen ze In leder geval minder. kwaad. De politiek trekt zulke figuren echter aan. Zij maken het politieke leven corrupt.

Els nu van een gezond politiek leven Is, dat deze figuren door de eigen kring worden weggewerkt. Dat Is vaak niet eenvoudig. Meestal Is daar enige tijd voor nodig. Vooral ook, omdat zulke polltlcasters bepaalde eigenschappen hebben, die hun aanhang, d.w.z. macht binnen de organisatie, verzekeren. En het Is óók een trieste wet van het politieke partljleven, dat een zekere ' zindelijkheid wel eens veronachtzaamd wordt uit angst voor de schade aan de partij. Ik meen, dat dit een gebrek aan dieper Inzicht In de zedelijke functie van een partij In het volksleven verraadt. Tijdelijk verlies moet men echter stellen boven de ongereptheid van de partij. De oude S.D.A.P. heeft, vlak voor de oorlog, zulk een probleem moeten doorworstelen. Zij heeft ten slotte néén gezegd tegen een demonlsch-begaafd man. Deze man stond voor een paar weken terecht voor het bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden....

Deze letwat zwaarwichtige Inleiding Is nodig, om een citaat te signaleren, geschreven door de heer H. A. Lunshof, hoofdredacteur van „De Nederlander”, chrlstelljk-hlstorlsch dagblad, In het nummer van 7 Dec. jl. Daar lees Ik: „De jubeltonen waarmee de

uitslag van de verkiezingen in West-Berlijn zijn begroet, vinden in ons geen klankbord, Vier en zestig procent van de Berlijnse inwoners heeft verklaard socialist te willen zijn. Met andere woorden: vier en zestig procent van de Berlijnse inwoners staat geenszins afwijzend tegenover geleide economie en de daaraan verbonden geestelijke dwang. Zij willen echter niet, dat de Russen die dwang uitoefenen. Zij willen dat zelf doen en dus in een toestand geraken, waaraan Adolf Hitler hen had gewend.”

Hier is geen sprake meer van een zakelijk meningsverschil waarover men ernstig kan discussiëren. Hier is een man aan het woord, die met wellust zijn giftige pen gebruikt om iets, dat hij haat, dodelijk te treffen. Die haat maakt het hem onmogelijk, zijn tegenstander recht te doen wedervaren. Hij ver-tekent een verschijnsel op infame wijze en gaat dan zijn slachtoffer te lijf. Moet ik uitleggen, waarom deze schrijverij ons onpasselijk maakt?

Omdat, ten eerste, de heer Lunshof net zo goed als leder ander weet, dat 64 pet der West-Berlljners door op de- S.P.D. te stemmen, niét verklaard heeft socialist te willen zijn, maar de S.P.D. daar en op dé,t ogenblik als de sterkste macht tegen het communisme te beschouwen;

omdat, ten tweede, het probleem der gelelde economie niet aan de orde Is In Berlijn. Zolang het voedsel uit de lucht druppelt, honger en koude regeren, spreekt het voor leder vanzelf, dat alleen een straffe distributie van absolute ondergang kan redden. Alle andere economische problemen zijn van later zorg;

omdat, ten derde, geestelijke dwang niet uit geleide economie behoeft voort te vloeien, al is het probleem dat hier ligt, op zich zelf belangwekkend genoeg. Maar men moet de voorstanders van geleide economie ernstig nemen als zij beweren, dat zij geleide economie begeren terwllle van de geestelijke vrijheid. Men kan niet in ernst volhouden, dat de geestelijke vrijheid waarlijk bedreigd wordt in Noorwegen, Zweden of Engeland. Zeker niet méér dan in de Verenigde Staten, om een land te noemen, waar het democratischsocialisme geen invloed heeft; omdat, ten vierde, het in verbinding brengen van de bedoelingen der democratisch-

socialistische beweging met de toestand, waarin Adolf Hltler de Duitsers gebracht heeft, schurkachtig Is.

Dit alles staat In een dagblad dat op een vrij losse, maar daarom toch niet te loochenen manier aan de Chrlstelljk-Hlstorlsche Unie verbonden Is. Zegt men tot een chr. historisch man, dat dit geschrijf minderwaardig Is, dan zal hij dit waarschijnlijk toegeven. Ik ken te veel chrlstelljk-hlstorlschen, waarvoor Ik hoge achting heb, om lets anders te durven veronderstellen. Maar hij zal zeggen, dat het juist zo heerlijk In de Unie Is, vanwege de vrijheid. Er Is een overeenstemming In de beginselen, maar verder...

Ondertussen wordt deze gesignaleerde heer toegejuicht. Ondertussen zendt de voorzitter van de C.H.U. brieven om christenmensen te bewegen zich op dit blad te abonneren. En daarmee hoe ook de juridische verhouding tussen „De Nederlander” en de C.H.U. moge zijn wordt deze politieke partij verantwoordelijk voor een man die journalistiek voor niets staat. Er Is In deze situatie lets bijzonder bitters. De C.H.U. Is een partij die vele leden en kiezers trekt uit de meelevende kringen der Hervormde Kerk. Deze Hervormde Kerk wil tot nieuwe vormgeving van het gemeenteleven komen. Nu speelt de politieke tegenstelling daarbij een rol. Dat Is moeilijk, maar niet onoverkomelijk. Geduld, vertrouwen van persoon tot persoon In eerlijke bedoelingen, een waardig zoeken naar de dieperliggende verschillen ook op politiek gebied kan het gemeentebesef zelfs op den duur ten goede komen. Maar hoe kan men een eerlijk, open gesprek verwachten tussen hen die democratische socialisten zijn en hen die verantwoordelijkheid nemen voor des heren Lunshofs geschrijf, hetzij omdat zij hem toejuichen, hetzij omdat zij zwijgen?

Daarbij gaat het niet om één zin, één citaat. Het gaat om de troebele bron, waaruit deze sulfers walmen. Dit te laten walmen, doet het politieke leven schade. Het minste dat wij vragen mogen van een partij, die een sterk geestelijke en zedelijke kracht vertegenwoordigt, Is, dat zij de moed heeft, wit wit en... Lunshof Lunshof te noemen.

L. H. RUITENBERG

EN TOCH ZIJN WIJ BROEDERS

Men kan tegenwoordig geen krant of weekblad opslaan of men leest indrukken van Duitsland. Familiebezoek aan Duitsland is nog niet toegestaan, zodat iedereen, die er komt, een bepaalde opdracht heeft te vervullen: men gaat naar een conferentie, naar een jeugdcentrum, naar een jaarvergadering, enz. Het zijn deze lieden, die het vaardigst zijn met de pen, vandaar de hoeveelheid, „verslagen” van reiservaringen in Duitsland.

Het allerliefst zou ik er over zwijgen, dat ik ook in Duitsland ben geweest. Mijn verblijf daar duurde slechts tien dagen en

was dus te kort, om een dieper Indruk te krijgen. Maar toch geloof Ik, dat Ik lets van mijn ervaringen vertellen moet, omdat ze zoveel gunstiger zijn dan wat Ik van anderen lees. Bovendien was de opdracht, die Ik In Duitsland te vervullen kreeg, een uitzonderlijke. Ik was nl. door de Oekumenlsche Kr els (een voortzetting van de Brltlsh Oerman Fellowshlp In wartlme) uitgenodigd, om deel uit te maken van een rondreizend team. Deze uitnodiging dankte Ik In ’t geheel niet aan eigen verdienste, maar aan het lijden van mijn man. Hij stierf In Dachau de ulthongerlngsdood.

Het Franse meisje, dat met mij deel uitmaakte van het team, studeerde In de oorlogsjaren aan De Sorbonne. Ze sloot zich aan bij de Illegale beweging en werd gearresteerd met een brief In haar zak aan een der leiders der beweging. In de gevangenis In Parijs werd ze gefolterd, omdat ze de naam van de geadresseerde niet noemen

wilde. Ze bleef zwijgen. Daarna werd ze naar het concentratiekamp Ravensbrück gestuurd en vandaar naar Koningsbergen. Daar werd ze bevrijd door de geallieerden. De Engelse dame, die met ons mee reisde, Is de leidster van een Engelse leken-orde, die In de oorlogsjaren dag en nacht werkte In de schuilkelders van Londen, en daar al de ellende van de bombardementen meemaakte.

De Duitse dame, de vierde van ons team, moest als Christen van Joodse afkomst In 1939 naar Engeland vluchten. Ze verloor alles, maar keerde na de oorlog naar Duitsland terug om daar onbezoldigd te werken voor de Inwendige zending. We waren dus allen „oorlogsslachtoffers”. We hadden allen de harde realiteit van de oorlog aan den lijve gevoeld. En we kwamen er allen open voor uit, dat het ons niet gemakkelijk viel om de Duitse kerken binnen te gaan en aan de daar verzamelde