is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 36, 04-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te maken; dit is het einde van deze film en het begin van een discussie rondom deze rolprent', die het probleem niet zuiver heeft gesteld, ofte wel twee vraagstukken ih het geding heeft gebracht: de abortus provocatus en de sterialisatie. Want, ja, de schuldige kan niet worden gestraft, hij ioopt vrij en vrij triomfantelijk rond; het laat zich aanzien en door het laatste tafereeltje wordt ons zulks gesugger reerd dat hij met zijn liefdesavonturen door zal gaan.

Doordat de arts als reden voor de verleende hulp niet de sociale indicatie opgeeft, niet het feit, dat het meisje, indien hij haar niet ter zijde had gestaan, vermoedelijk zelfmoord zou hebben gepleegd, maar

zien alleen beroept op ae erfelqKe belasting van de verleider, wordt het „brandende vraagstuk” niet zuiver gesteld, en dat is jammer. Het is jammer, dat op deze wijze het probleem der sterilisatie op de voorgrond komt te staan, ja, méér nog; goed beschouwd, wordt door de makers van de film, die geïnspireerd waren op het geval-Leunbach die de vrouwen echter alleen op grond van sociale, indicatie hielp . —, de sterilisatie als noodgedwongen oplossing aan de hand gedaan. Na de ervaringen met de misdadigers van het derde rijk, die op grond van een superieure rastheorie, zo gemakkelijk van de sterilisatie „gebruik maakten”, moeten wij zeggen, dat, zo noodzakelijk zij misschien in een enkel geval blijkt, haar toepassing door ons verworpen wordt.

Desondanks is het goed, dat „Een brandend vraagstuk” ook in Nederland wordt vertoond, aangezien het ons toch ook confronteert met een probleem dat waarempel niet alleen in de theorie bestaat („zelfs” Nederlandse artsen zullen dit grif bevestigen); ook in óns land is het een brandend vraagstuk; maar zover zijn we nog niet om het als zodanig te onderkennen. Het is goed, dat wij door deze Deense film een ander werk was er niet, zodat er geen keuze kon'zijn met de neus ook op déze harde feiten worden geduwd. Deze film kan de functie van een knuppel in het hoenderhok vervullen een functie, die, naar me dunkt, in onze maatschappij van grote betekenis kan zijn.

H. WIELEK

„Oom" Ariks van Nieuw-Guinea

Enkele weken geleden kwam de radio met een bericht, dat de meesten in Nederland waarschijnlijk wel met hun gewone kalmte hebben aangehoord. Voor ons, die Nieuw-Guinea kennen en iiefhebben, had dit bericht wèl grotere betekenis. Wij gingen in ieder geval na het nieuws niet over tot de orde van de dag, maar spraken over het bericht nog lang na.

Het bericht luidde ni. dat „Johan Ariks” als vertegenwoordiger van Nieuw-Guinea in audiëntie was toegelaten bij de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon te Batavia. Hij had daar uit naam van zijn volk gevraagd om onder rechtstreeks Nederlands Bestuur te mogen blijven, als een zelfstandige negara Nieuw-Guinea.

in een van de Februari-nummers van „Oost en iVest” wordt een artikel gewijd aan deze Johan Ariks en men noemt hem daar „Oom”, een titel, die men in Indonesië gewoonlijk geeft aan oudere heren van Indonesische landaard. Dat „Oost en West” aan deze Papoea aandacht schonk, is een reden te meer, dat ook wij wat meer aandacht aan hem schenken.

Wie en wat is „Oom Johan Ariks”? Johan Ariks is de zoon van Jonathan Ariks, een pleegzoon van zendeling J. L. van Hasselt. Jonathan Ariks, de vader dus, was een zgn. vrijgekochte, een slaaf, die door de zendeling was vrijgekocht. Deze vrijgekochten, die vaak ver van hun volk waren weggevoerd, konden, na hun vrijkoping, niet naar hun volk terugkeren. Zij bleven dus te Mansinam, de post van zend. Van Hasselt vormde daar langzamerhand een Gemeente. Onder de Christenen in die Ge-

meente worden Jonathan en zijn vrouw steeds met ere genoemd. Jonathan was afkomstig uit de Vogelkop, hij behoorde dus tot de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea en niet tot de Kust-Papoea’s. Toen de harten van de Papoea’s eindelijk opengingen voor het Evangelie, omstreeks 1906, werden mensen als Jonathan Ariks gaarne gebruikt als evangelist. Als zodanig heeft Jonathan Ariks gewerkt, o.a. opMeosWaar.een eiland in de Geelvinck-baai. Johan Ariks, de zoon, is op school geweest op het eiland Mansinam. Het was in die dagen ook al de gewoonte, dat de zendelingen een oogje in het zeil hielden, om eventueel een pientere knaap verder te laten opleiden. Zo is het gegaan met Petrus Kafiar, met Willem Roemainoem en ook met Johan Ariks. Hij is naar Depok op Java gezonden, naar de Theologische School aldaar, de voorloper van de tegenwoordige Hogere Theol. School te Batavia, een school, die vele uitstekende krachten met „Diploma Depok” heeft afgeleverd, mannen, die goed werk hebben verricht in Gods Koninkrijk.

Als Goeroe met „Diploma Depok” kwam Ariks op Nieuw-Guinea terug, waar hij uitstekend gebruikt kon worden. Want naast een chronisch tekort aan geld heeft de zendehng, vooral op Nieuw-Guinea, altijd te kampen gehad met een tekort aan arbeiders. Johan Ariks sprak Biaks-Noemfoors, maar ook Windessisch, hij was dus bij velen welkom. Maar voor hem was grotere taak weggelegd, dan alleen Goeroe in een Gemeente en aan een kleine dorpsschool. Toen de opleiding voor Papoese Goeroes

kon worden uitgebreid, werd Johan Ariks onderwijzer aan die school en leverde aldus zijn aandeel in de ontwikkeling van zijn volk.

Toen schrijver dezes in 1931 de Directeur van de Opleidingsschool voor Papoese Goeroes, toen nog te Miei gevestigd, ging vervangen, ontmoette hij daar ook Goeroe Johan Ariks. Een eenvoudige man, die les gaf in de laagste klas, die leiding gaf aan het fluitcorps van de school en in het fanfare-corps een flink nummertje weggaf. Maar hij deed meer. Onze Papoese knapen, nog niet altijd even goed gewend aan de regels van de schooi moesten wel eens kort gehouden worden en Ariks was er dan om deze knapen duidelijk te maken, dat als ze wat wilden worden voor hun volk, zij de schoolregels moesten aanvaarden als middel naar dat doel. En velen, die het bijltje er reeds bij neergegooid hadden en gevraagd hadden om naar huis teruggezonden te worden, kwamen na een gesprek met Ariks „ampon” vragen en werden dan meestal weer in genade aangenomen. En omdat de eigenlijke Goeroe-Voorganger van Miei volkstaal nog niet machtig was, nam Ariks, op verzoek van zendeling Starrenburg, de diensten in het mooie kerkje van Miei waar, een taak, waarvoor hij bijzonder geschikt was.

Ariks is een zoon van Nieuw-Guinea met talenten, maar ook met gebreken. Deze gebreken leidden er ten slotte toe, dat Ariks ander werk moest gaan doen. Ariks keiide geen Nederlands. Maar in een boekje geschreven door zendeling F. J. F. van Hasselt las hij vaak, met behulp van een woordenboek. Nog zie ik zijn stralend gezicht voor mij, toen hij mij vertelde in dat boek gelezen te hebben over zijn vader Jonathan en de lof, die zend. Van Hasselt deze trouwe medewerker toezwaaide.

De Pacific-oorlog heeft Nieuw-Guinea weinig goeds gebracht. Veel Papoea’s zijn omgekomen in arbeidskampen, die door de Japanners eenvoudig aan hun lot werden overgelaten. Een Papoea kan, ver van zijn eigen dorp, ook niet „zo maar” aan de kost komen, vooral niet als hij met velen bij elkaar is. Ariks kwam als invalide te voorschijn, beri-beri maakte hem het lopen onmogelijk. Maar hij deed zijn werk nog, zo goed en zo kwaad dat ging, als Goepoe van Kwawi en ook hielp hij in de Gemeente Manokwari, de vroegere hoofplaats van Nieuw-Guinea, die in de oorlog zwaar had te lijden gehad. Door geneeskundige hulp, die ook te Manokwari weer kwam en betere voeding is Ariks weer opgeknapt.

En nu is hij weer terug geweest op Java, waar hij zijn opleiding genoot te Depok en bij niemand minder dan de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon is hij op bezoek geweest. Na Frans Kaisiepo, die als vertegenwoordiger van Nieuw-Guinea te Malino het woord voerde en Jacob Roemainoem, die op de Conferentie van Kerken van Oost-Indonesië te Makassar zijn volk vertegenwoordigde is nu Johan Ariks naar Batavia geweest.

„Oost en West” neemt een artikel over hem op. Een telegram, naar de ondertekening te zien, door Ariks opgesteld en verzonden, wordt in extenso opgenomen. Nieuw-Guinea vraagt rechtstreeks onder Nederlands Bestuur te mogen komen of blijven.

Hier schuilt een addertje onder het gras. Want Johan Ariks en velen met hem op Nieuw-Guinea bedoelen niet hetzelfde als „Oost en West” bedoelt, al zeggen zij hetzelfde. Want „Oost en West” legt de nadruk op „onder Nederlands Bestuur” terwijl