is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 7, 12-11-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraag of we dit zouden moeten afkeuren. Zeker is het evenwel, dat in de Bijbel de Liefde is het gebod tot zelfverloochening en dienst aan den naaste.

Maar ook met deze Liefde is het een moeilijk geval.

Dat komt omdat het woord zó is uitgesleten door het gemakkelijk en veelvuldig gebruik ervan door kerkelijke preektijgers en socialistische propagandahengsten, dat we niet goed meer weten, wat de Bijbel er eigenlijk mee bedoelt. Het 'meest populaire voorbeeld in de Bij bei is: de Barmhartige Samaritaan (Luc. 10). Hij is er de man van de Naasten-liefde. Maar juist die naasten-liefde maakt het geval moeilijk voor velen. Die maakt, dat de Liefde van Christus nog wel eens wat anders kan zijn dan wat velen er onder verstaan.

Die Barmhartige Samaritaan was een vent, die van aanpakken wist. Hij staat bij de gewonde Jood niet de handen te wringen en te jammeren over het lot van de man en de wreedheid der rovers. Hij steekt de handen uit de mouw (veronderstel dan, dat hij mouwen had) en helpt. Dat is zijn liefde: een daad. Het zal óók een gevoelsbewogenheid geweest zijn bij hem. Maar zonder de daad wordt „bewogenheid door ontferming” tot sentimentaliteit. Deze praktische man is niet sentimenteel. Hij toont Liefde.'Dat is: gevoel van erbarming; en meer nog: de daad van hulp. Het is: de bewogenheid om de ellende van de verworpenen der aarde; van de verwaarloosde proletariër in partij en vakbeweging. Deze beide zijden van het socialisme zijn een openbaring geweest van wat er leefde aan Liefde tot de vertrapte, uitgebuite, verworden mens.

Stefano della Pella (Italiaans tekenaar achttiende eeuw) Zoekande ruitar

En toch is het met die Liefde een moeilijk geval.

Juist in het socialisme. In het socialisme, ook in het reiigieus socialisme, heeft altijd sterk de gedachte van een algemene mensenliefde geleefd. Niet je familie alleen, niet je eigen volk bij voorkeur, zelfs niet de arbeidersklasse bij uitstek, valt binnen de kring der mensenliefde. Maar alle mensen hebben wij lief, ook de vreemde, ook de verre. Dan vervagen alle grenzen en wordt de mensheid gezien als één geheel, waarmee we ons verbinden. Deze liefde tot de mensheid is de Humaniteit. Die zingt: „Alle Menschen werden Brüder” in Beethovens negende symphonie. En nu hebben wij het moeilijk met deze humanitaire mensenliefde, als we lezen over de Barmhartige Samaritaan. Hoogstwaarschijnlijk heeft deze niet op zijn ezeltje zitten dromen van de broederschap der mensen. Hij zal ook wel niet veel met dat Joden volkje op gehad hebben. Doch toen er één mishandeld werd en uitgeplunderd aan de kant van de weg lag, werd hij bewogen; en hielp. Zijn Liefde is gekenmerkt niet door de idee Mens, maar door dat ellendige siachtoffer, dat hem op zijn weg lag. Hij heeft niet de abstracte mens lief, maar een mens in zijn „concrete situatie”, dat wil zeggen: een mens, die hij tegenkomt, die hem binnen zijn levenskring geworpen wordt. Daarom heet deze mens zijn „Naaste”. De Bijbelse Liefde is naasten-liefde, Liefde tot hen, die vlak naast u zijn komen staan, niet ver weg in het schemerig verschiet van de mensheid, maar vlak bij u, zodat gij met hen te maken krijgt, evenzeer naast u als uw buurman, uw inwoner, uw baas, uw vrouw. De aigemene mensenliefde wil geen uitzonderingen maken; voor haar zijn alle mensen gelijk in waarde en daarom richt zij zich in haar geestdrift tot alie mensen tegelijk. Naastenliefde maakt wél uitzonderingen. Voor haar is élke mens, die mijn Naaste

wordt een uitzondering op de mensheid door de toewijding, waarmee ik mij aan hem geef en de rest vergeet. Ben volstrekte tegenstelling ligt hier weliswaar niet in. Want uit de massa der mensheid, kan ieder mijn naaste worden; en omdat iéder dit kan, heb ik toch ook met die mensheid wel wat te maken. Toch kan de verhouding tot de mensen overal-op-aarde geen Naastenliefde heten. Zij zou moeten heten: „Versten-liefde”. De Naasten-liefde echter is het, die als Bijbelse opdracht tot ons komt. Een die het ons moeilijk maakt. Want het is niet moeilijk de Joden lief te hebben, zolang ze, ver weg, in vernietigingskampen worden vergast. Maar zwaar wordt de eis, als uw dochter u mededeelt, met de Jood zo-en-zo te willen gaan trouwen. Dan komt de Jood in de famiiie, naast u. En dan vinden sommige „goede Nederlanders” die Naastenliefde toch weer een moeilijk geval. Het Humanisme zegt: „De hoogste liefd’ is liefde voor de mensheid” (Garmt Stuiveling). De Bijbel zegt: De hoogste Liefde is Liefde voor de Naaste.

Waarom nu dit alles?

Omdat de Ronde-Tafelconferentie beëindigd is. Want nu gaat het gebeuren. Nu komt er een einde aan de ondergeschiktheid, de facto èn de jure. Nu komt ook de tijd van grote onrust en troebeien wellicht. Niet iedere mens kan de weelde van zijn vrijheid verwerken. leder volk evenmin, vooral een groep volkeren niet, die nog aan het begin staat van haar democratische en sociale ontwikkeling. Want democratie leert men al doende. En al doende wordt zij geleerd onder bloed en tranen. Wij hoeven ons geen illusies te maken over de toestanden in Indonesië na de souvereiniteitsoverdracht. Het leger houdt zich klaar, bang voor onrust. Ambtenaren leven in onzekerheid omtrent hun positie. De bevolking vreest terreur. Toch kan het niet anders. De onrijpe vrucht is afgevallen en kan nooit weer aan de tak bevestigd worden. De geschiedenis geeft geen retourtjes. We moeten er door, onder leiding van de jonge politiek bewuste en sociaal vooruitstrevende groep. Want in dit alles worden de grote veranderingen en vernieuwingen verwerkelijkt. Dat „het kolonialisme dood is”, wordt nu meer dan ooit werkelijkheid. Er zijn er, die dit niet willen weten, die

ziende blind zijn en de verzenen tegen de prikkels slaan. Zij wiilen de oude verhoudingen van overheersing en onderwerping, van superioriteit en serviliteit handhaven. Dat gaat niet en zij ervaren het aan de gewijzigde machts- en arbeidsverhoudingen, die zich aankondigen in Indonesië. Dat nemen ze niet en ze weigeren, deze nieuwe verhoudingen te aanvaarden. Dat voor de Indonesiër voortaan dezelfde betrekkingen toegankelijk zijn als voor hen, dat de Indonesiër aanspraak zal mogen maken op hetzelfde maatschappelijke aanzien als hij, is hem een ondragelijke gedachte. „Ik wil niet samenwerken met de zwarten”, zegt hij en in deze woorden legt hij zijn kolonialistische opvattingen open, maar doet tegelijkertijd voelen, wat de stemming is bij velen in Batavia: na het verlof niet meer terug naar Indië. Ze worden geremd in hun carrière. En dit alies, omdat zij niet aanvaarden kunnen, dat de „zwarten” niet meer onder ons staan, maar naast ons.

Dit is het, wat nu geschieden gaat: de zwartjes worden onze naasten. Zij waren het al lang, heel lang, voor zover we met hen te maken hadden in onze geschiedenis. Ze worden het thans op een bijzondere wijze: omdat overheersing heeft plaats gemaakt voor samenwerking naast elkander.

En nu is het met de Liefde weer een moeilijk geval. We zullen deze Naasten met de daad moeten liefhebben. Dat betekent in de praktijk, dat we zonder daadloze dromen aangaande onze „bruine broeders” naast hen zullen moeten leven en werken, hoe moeilijk dit in vele gevallen ook zal zijn en hoeveel nieuwe vraagstukken dit ook zal opwerpen. En dat we liefde hebben te brengen in menselijke verhoudingen, Naasten-liefde.

Dat deel van ons volk, dat geestelijk niet mee kan komen, wil dit niet. Zeg echter niet, dat zij geen Liefde hebben voor de „zwartjes”. Ze zullen u vertellen ontroerende verhalen over trouwe baboes en toch wel intelligente Javaanse jongens; die na de bevrijding uit de kampen terugkwamen bij hun vroegere meesters en jubelden, toen de politionele acties werden ingezet. Zou er geen hartelijke sympathie zijn voor deze oude getrouwen? Wanneer men u zijn