is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 13, 24-12-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRISTAL EN STERREN

O, sterren, versplinterd heelal. Vuur langs den hemel heen O Christus, begraven kristal, Vuur dat bevroor in den steen!

Eer weerszij der wereld geplaatst Wordt der sterren koud firmament Eot een glinst’renden gletscher weerkaatst In de kern van elk element.

En tusschen hen beiden schuift Een schaduwspel door den tijd Van stervende vormen, en stuift Weer uiteen naar hun eeuwigheid

Welk een goedheid van God Heeft, toen de vloek was gesteld Over ons donkerend lot, De weinige eeuwen geteld.

En schiep uit zijn witten schoot Dit onuitputt’lijk geluk Eusschen licht en licht, en den dood Als een tintelend oogenblik! M. Nijhoff

Dit gedicht en de hierboven staande foto van een kristalvorming (aragoniet) werden ontleend aan het tijdschrift „Wendingen” (1924).

cMu2Leli

Kerstmis kan men zich niet denken zonder muziek. De Kerstboom kan desnoods ontbreken, de hulst kan achterwege blijven, cadeautjes zijn volgens sommigen niet eens gewenst, maar dat er met Kerstmis geen lied gezongen of gespeeld zou worden, kunnen wij ons nauwelijks denken. Men hoort het in alle variaties van vlug en langzaam, van licht en donker, van speelsheid en zware ernst. En toch is het bevreemdend, dat juist Kerstmis het muziekfeest bij uitnemendheid geworden is. Met meer recht komt Pasen in aanmerking om door het lied van de grote overwinning te getuigen. Kerstmis spreekt eigenlijk nog niet van overwinning, het is veel meer een geheim, een geheim, dat in stilte gehoord en dan ook in stilte bezongen kan worden. Maar met Pasen gaan alle registers open; dan klinkt het „Halleluja” zo machtig als het tevoren nog niet geklonken heeft. Dan stijgt het lied ten hemel met de beweeglijkheid van de leeuwerik, die aankondigt, dat de volheid tot doorbraak komt. Er zijn zovele oude Paasliederen, die eigenlijk niets anders zijn dan één „Halleluja”; wij beginnen hier weer iets van te ontdekken en het is te hopen, dat deze ontdekking niet meer te niet wordt gedaan.

Dit houdt echter geenszins in, dat wij het lied met Kerstmis van ondergeschikt belang achten. In zijn soort behoort het tot het mooiste, wat er op het gebied van eenvoudige, kinderlijke muziek te vinden is. Er is blijdschap in het Kerstlied, kinderlijke blijdschap, die helaas in al te zwaarwichtige en toch zo algemeen gewaardeerde Kerstliederen niet tot zijn recht komt. Zo langdradig als het in de bekende „Engelenzang” wordt uitgewerkt, hebben de engelen toch wel niet gezongen. De engelen, die aan het woord van God stem geven, hebben slechts een enkele toon nodig om de blijdschap te doen horen. Deze blijdschap is niet vermengd met allerlei gevoelens, die van Kerstmis al te gemakkelijk een sentimenteel feest maken, maar is zo zuiver en hard als kristal.

Voor deze blijdschap vlucht de zonde. De grote betekenis van de muziek is hierin gelegen, dat het zwaarmoedige tot zwijgen komt en het zondige vlucht. Het is ons in het Oude Testament zo duidelijk gezegd in de ontmoeting van de zwaarmoedige Saul met de begenadigd blijmoedige David. David speelt de somberheid weg en het zal velen van ons zeker niet onbekend zijn, dat muziek rust en hoop kan schenken. Juist door David wordt het ons duidelijk, dat het volkslied eigenlijk de oorspronkelijkste en misschien ook de waarachtigste vorm van muziek is. Het moge dan waar zijn, dat niet alle en waarschijnlijk slechts enkele liederen werkelijk op naam van David geplaatst kunnen worden, het wekt geen verwondering, dat men juist aan David gedacht heeft bij de keuze van de auteursnaam. Want David, kind van het volk bij uitnemendheid, wiens naam later onlosmakelijk aan de naam van de Messias gebonden is, heeft meer dan iemand anders van de diepte der zonde en van de verdrijving daarvan in zijn Psalmen getuigd. Men behoeft slechts aan Psalm 51 te denken.

Het oudste volkslied is echter door God zelf ingezet. Dit is het lied, dat door de engelen wordt overgenomen en met de