is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 18, 04-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De weg terug

Wij hebben in Nederland een Rijks-Filmkeuring; zij heeft gedurende bijna een kwarteeuw, voornamelijk onder de uitstekende leiding van onze vriend van Staveren, bevredigend gewerkt. Zij past wat men noemt „negatieve normen” toe, d.w.z. men keurt niet op de norm „geschiktheid”, doch op die van „toelaatbaarheid”. En dit is dan ook de enige manier voor een lichaam als de Filmkeuring, waarin vertegenwoordigers van alle godsdienstige en maatschappelijke richtingen zitting hebben, om een stuk werk ten behoeve van allen te verzetten. Waar de Filmkeuring zich op het gladde ijs van „positieve normen” heeft gewaagd, is zij prompt uitgegleden; neem bijv. het toekennen van -het praedicaat „cultureel waardevol” (hetgeen inhftudt, dat de bioscoopexploitanten die een dergelijke film in hun theater vertonen, hiervoor maar een vierde van de gewone vermakelijkheidsbelasting moeten betalen); in „Tijd en Taak” heb ik herhaaldelijk er op gewezen, dat juist enkele onbenullig-stompzinnige rolprenten het culturele erepraedicaat hebben gekregen.

Maar goed, behalve deze Schönheitsfehler, kunnen wij de Rijks-Filmkeuring niet veel verwijten. Waarom is dan in ’s hemelsnaam een „herziening” van de Bioscoopwet noodzakelijk? Ach, dit maar een technische herziening, proberen sommige kringen ons wijs te maken; en zelfs hoge regeringsfunctionarissen zijn, zoals mij is bekend, er in gevlogen. Het is de plicht van allen die op de bres staan voor de democratische vrijheden en de dictatoriale pogingen niet alleen in vreemde landen bereid zijn waar te nemen, zo scherp mogelijk de zo onschuldig klinkende „herziening” van de Bioscoopwet te ontmaskeren en onmogelijk te maken.

Ik zal hier niet op alle bijzonderheden ingaan, op alle dubbelzinnige definities, zoals zij geformuleerd zijn in het verslag, dat over enkele weken door de Regering aan de Staten-Generaal zal worden voorgelegd. Wat zal dan toch worden herzien enkele technische gebreken? Wel neen, de leuze verborgen en gecamoufleerd is: alle macht aan de plaatselijke na-keuring! Wat betekent dit? Wat tot nu toe incidenteel mogelijk was en een euvel is gebleken, zal nu bij de wet voor heel het land verplicht worden ingevoerd, indien de Tweede Kamer het wetsontwerp aanvaardt. ledere normaal- en smalfilm zou voortaan niet alleen de Rijkskeuring, maar ook die van de plaats waar de betreffende film vertoond zal worden, moeten passeren; en deze plaatselijke keuring zal dan het laatste woord, ja, zelfs het recht hebben, om in de film coupures aan te brengen, het recht ook om bepaalde voorstellingen afhankelijk te maken van alle mogelijke en vaker nog: onmogelijke voorwaarden. In feite zullen die lui het voor ’t zeggen krijgen, die zo ras voor de bedreiging van „relletjes” zwichten, zij die het monument in Schiedam, Van Dongen in Rotterdam, Slauerhofs „J. P. Coen” in Amsterdam en é,lles in andere plaatsen verboden hebben. Zij zullen dus bepalen, welke films goed en welke kwaad zijn, welke taferelen en welke titels er uit moeten. Dat is hun goed recht? Zij moeten waken over het wel en wee van hun gemeentenaren? Het naar hartelust

knippen en couperen, verbieden en knoeien kan hen niemand kwalijk nemen?

Maar wanneer een minderheid in een of ander gehucht een bepaalde film ondanks verbod van laten we zeggen de veldwachter, toch wil zien en zij deze rolprent in besloten kring wil vertonen? Ook dit zou volgens de „herziening” van een vergunning afhankelijk worden gesteld, van de toestemming van dezelfde dorpskeurders. Geen enkele filmvoorstelling die door meer dan 25 personen wordt bijgewoond, zal zonder keuring van de te vertonen film en ook alle smal- en amateurfilmpjes zonder uitzondering, vallen er onder! meer mogelijk zijn. Alle andere bezwaren buiten beschouwing, blijft in ieder geval het éne: het laten keuren vergt tijd en geld. Zo■ doende zou het werk van de volksontwikkeling die de hulp der film niet kan missen, onnoembare schade worden berokkend. In plaats van de smalfilmerij én de volksontwikkeling te bevorderen, zou de overheid hun gezonde ontwikkeling in de weg staan. En is men zich er van bewust, hoe groot het corps „contröle-ambtenaren” zou moeten zijn om nd het passeren van de Rijks-Filmkeuring de films van Hitchcock en Chaplin, over het wilde Westen en de beroepskeuze, over Jansen’s vacantiereisje en het werk van de Missie te „keuren” hoe groot het leger agenten, tot wier taak het zal behoren, overtreders der Bioscoopwet naarstig op te sporen, woningen binnen te dringen, waar 26 vrienden en familieleden bij het zien van een amateurfilmpje oude herinneringen ophalen aan de zomerweken in Zwitserland... Wildwest in Venlo in plaats van op het witte doek...

Een dergelijk „consequent doorgevoerde” controle is ten enen male onmogelijk, zij zou zichzelf ad absurdum voeren! Wordt de nieuwe wet aanvaard, dan zullen de filmverhuurkantoren, ten einde zo wei-

nig mogelijk risico’s te lopen, slechts de meest kleurloze en banale films voor Nederland „geschikt” achten; zij zullen bij voorbaat met de nakeuring rekening moeten houden, hetgeen o.m. betekent: met willekeur en bekrompenheid.

De „herziening Bioscoopwet” kan alleen worden gezien als een aanval op sociale en democratische verworvenheden. Waar het werk van de volksopvoeding wordt geschaad, kan niet bepaald van sociale maatregelen worden gesproken. Waar een geestelijke terreur t.o.v. minderheden in de hand wordt gewerkt, waar de rechten van de staatsburger worden aangetast, kan niet bepaald van democratische maatregelen worden gesproken.

„Maar de film is een kapitalistisch zaakje, waarom moeten wij er ons zo druk om maken?”, zult ge allicht vragen. Vergeet echter niet, dat door de voorgestelde nieuwe bepalingen zeer zeker niet de typisch commerciële de cliché-achtige, in slaap sussende film te lijf wordt gegaan; in gevaar zal worden gebracht het vertonen van de meest markante filmwerken. Of bent u zo naïef van een norm-bepalend provincialisme andere resultaten te verwachten?

Deze gevaren worden niet alleen door ons, maar ook door de belangrijkste r.k. critici en filmdeskundigen gezien. Ook zij vrezen, dat als de „herziening” wet is geworden, het meest bekrompen provincialisme met in zijn gevolg achterdocht, huichelarij en terreur hoogtij zal vieren: en dit alles dan „in naam van de goede zeden” Om een term van de Rijks-Filmkeuring te bezigen en het een debater van een door de Wiardi Beckman-Stichting georganiseerde vergadering na te zeggen: die nieuwe wet zou in strijd met de goede zeden zijn!

Wijzigingen, correcties, amendementen kunnen de regerings-voorstellen, waarover onze volksvertegenwoordiging binnenkort moet beslissen, niet fundamenteel veranderen. Er is maar één advies en één middel om te voorkomen dat in plaats van objectiviteit: eenzijdigheid door de wet gesanctionneerd wordt: wég met alle maatregelen welke een vernieuwing en verbetering heten te zijn, in werkelijkheid echter „de weg terug” betekenen. H. WIELEK

VORMINGSCENTRUM De Vonk

D'e conferentie, gehouden van 16—18 Januari 1950 op „De Vonk” had ais doel om het werk, dat in omvang gegroeid is, nu ook in de diepte uit te breiden. Deze conferentie was speciaal voor hen, die direct bij het werk betrokken waren.

Als eerste inleider heeft de heer Ph. van Praag, docent aan de School v. Maatsch. Werk te A’dam, de methodiek van het groepswerk belicht. Allereerst heeft hij de groepspsychologische zijde behandeld en laten zien, dat uit onderzoek is gebleken, dat hier van doorslaggevende betekenis is, welke vorm van leidinggeven men toepast. Want bij een democratische vorm (d.w.z. een accepteren van de groep zoals deze is) is de kans op de positieve klontering in een groep vrij groot. Positief wil hier zeggen zich positief instellen t.o.v. het groepsdeel. Ais tweede aspect heeft spreker de denkpsychologische kant uiteengezet. Hierbij stelde hij naast elkaar de Herbartiaanse en de moderne onderwijsmethode.

In de tweede plaats heeft ds Ruitenberg de achtergrond van de Vereeniging van Woodbrookers toegelicht. Via de voorgeschiedenis van de Quakers in Engeland en het internaat in Woodbrooke, vertelde hij van de Hollandse vorm in Barchem en ook Bentveld en Korte Hemmen. Het specifieke van de sfeer rondom Woodbrooke is, om de mens

te accepteren zoals hij is Juist hierdoor krijgt men ook de zuivere waardering van deze mens. Hoewel de volgende inleidster, mej. Eijsvogel, verbonden aan het Med. Opvoedk. Bureau in Den Haag, een heel ander onderwerp behandelde, sloot haar lezing toch prachtig hierbij aan. Zij behandelde de betekenis van het „case-work”. Dit wil zeggen, vrij vertaald, psychologisch sociaal werk. Dit eist van de hulpbiedende een grote psychologische kennis, een objectiviteit en vooral een geheel openstaan voor de ander. Deze zelfde eisen bleken noodzakelijk te zijn bij het volgende onderwerp, dat in groepen werd behandeld, ni.: de praatkring. ledere Zaterdagavond wordt in de cursus met een groepje van 7 a 8 meisjes over een bepaald onderwerp gesproken. Aangezien dit vooral voor de jongere leiding moeilijk bleek, werd op de conferentie over dit onderwerp gesproken.

Zo was de onuitgesproken en toch zichtbare lijn voor deze conferentie om het meisje, of zij zich nu in de groep bevindt, of als zij alieen is, te accepteren zoals zij is en daarnaast haar te zien als ontvankelijk voor het Licht van Boven. Voor de ieiding betekende deze conferentie een duidelijk weten dat onze psychologische kennis van het kind te gering is. Daarnaast was het een bezinning op het werk, maar bovenal een stimulans om bewuster door te gaan met deze opdracht. R. R.