is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 44, 12-08-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het getuigenis van Kerk en Vrede

Kerk en Vrede laat op allerlei wijze van zich horen. Het publiceerde een brochure van ds Strijd: „Kerk en Atlantisch Pact”. Het schreef een brief aan de Sjmode der Hervormde Kerk, waarin het de Synode verzocht, om het vraagstuk van de oorlog op haar agenda te plaatsen. Het verspreidde in enkele honderdduizenden exemplaren een oproep aan ons volk, waarin het waarschuwt tegen de vermilitarisering van ons volksleven en een zonder reserve zich vastleggen op één van de beide wereldmachten, en aan het einde van de vorige maand wendde het zich met een getuigenis tot de Raad van Ministers en de leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De anti-revolutionnaire en gereformeerde professor dr Berkouwer heeft het standpunt van Kerk en Vrede twee weken geleden voortreffelijk weergegeven met deze enkele woorden: Anti-militarisme van uit het Evangelie! Korter en duidelijker kan het niet. Het gevaar bestaat intussen, dat men naar het getuigenis van Kerk en Vrede niet meer luistert. Deze vereniging, die zich een geloofsgemeenschap van Christen-anti-militaristen noemt, bestaat al meer dan vijf en twintig jaar en dan weet men het langzamerhand wel. Waarbij men vergeet dat het antimilitarisme er niet is vanwege Kerk en Vrede, maar dat Kerk en Vrede er is vanwege het anti-militarisme en het Evangelie. Het gaat ten slotte niet om Kerk en Vrede. Prof. Heering, die Kerk en Vrede al deze jaren geleid heeft men leze toch vooral zijn „De Zondeval van het Christendom” en „Militia Christi” heeft telkens opnieuw gezegd, dat Kerk en Vrede er eigenlijk niet moest wezen. Het is er alleen, omdat de kerk niet doet, wat zij moet doen: getuigen, dat oorlog en evangelie een onverzoenlijke tegenstelling vormen. Kerk en Vrede zal de dag zegenen, waarop het besluiten kan, zich zelf op te heffen. Het wil zich zelf door zijn actie overbodig maken. Het ziet er echter helaas niet naar uit, dat die dag spoedig komen zal.

Kerk en Vrede kan ook niet tevreden zijn met een zekere welwillende waardering van zijn getuigenis, terwijl toch het essentiële van dat getuigenis wordt afgewezen.

Een bekend politicus zei eens tegen mij: ik ben dankbaar, dat Kerk en Vrede er is, het moet ons blijven verontrusten, zodat wij nooit rustig oorlog en bewapening aanvaarden. Dit is inderdaad uitermate welwillend, maar het doet aan Kerk en Vrede geen recht. Wat Kerk en Vrede bedoelt, is niet, dat christenen oorlog zullen voeren met een verontrust geweten, maar dat zij, verontrust in hun geweten, zullen weigeren oorlog te voeren. Het wil niet een kritische begeleiding van de oorlog geven. Het kritiseert de oorlog zelf en noemt hem een zonde tegen God, een ongerechtigheid, met welke allen, die de naam van Christus belijden, moeten breken. Het ziet het antimilitarisme dan ook niet allereerst als een oplossing van de internationale problemen, maar veeleer als een anti-militarisme vanuit het Evangelie. Dat blijkt wel heel duidelijk uit de brief,

die het aan onze ministers en volksvertegenwoordigers zond.

Deze brief begint met de woorden: „Wij geloven, dat Jezus Christus de Heer der wereld is en dat er daarom van de wereld alleen heil te verwachten is, wanneer wij vertrouwen op zijn belofte en gehoorzamen aan zijn geboden”.

Dit is niet een politiek getuigenis, maar evangelie-prediking, al heeft dit betekenis voor de politiek, zelfs beslissende betekenis. Op dit fundamentele woord volgt een beschrijving van de ontwikkeling van het wereldgebeuren. Steeds duidelijker blijkt dat wij maaien wat wij gezaaid hebben. Geweld brengt slechts geweld voort en van een akker, die jaren lang met bloed bezaaid werd, wordt geen oogst van vrede en gerechtigheid binnengehaald. Rusland, dat de volken van het westen als een grote bedreiging en een acuut gevaar voor de wereld zien, is niet alleen het resultaat van onze sociale zonden, maar ook het product van de oorlog, die het Westen samen met Rusland gevoerd heeft. Op de weg van oorlogstoerusting en oorlogsvoorbereiding is geen stilstand mogelijk. Deze weg is een hellend vlak, waarop de tegenstellingen steeds groter en de spanningen steeds heviger worden, totdat zij zich ten slotte ontladen in een nieuwe wereldoorlog.

Kerk en Vrede wijst er op dat deze tegenstellingen en spanningen een voorlopige ontlading gevonden hebben in Korea. De koude oorlog is bezig een hete oorlog te worden. En de meeste westelijke mogendheden, door Amerika op sleeptouw genomen, varen daarheen, waarheen Amerika hen leidt. Het Atlantisch Pact begint te werken. Een derde wereldoorlog dreigt een werkelijkheid te worden.

Kerk en Vrede heeft van het begin af gewaarschuwd tegen de weg, die het westen heeft ingeslagen. Dat ons volk het Atlantisch Pact aanvaard heeft en zich in het Amerikaanse blok liet opnemen, heeft het heilloos genoemd. Het wilde, dat Nederland weigerde zich te laten meeslepen door één van de beide grote wereldmachten op een weg, die voor ons volk alleen maar verderfelijk kan zijn, niet zozeer vanwege de financiële consequenties, maar veeleer, omdat het de militaire verplichtingen niet kan vervullen, wanneer het Gods weg wil gaan.

Onze regering, ons parlement en ons volk hebben zich met Amerika’s politiek in Korea accoord verklaard en wij nemen, zij het op voorlopig symbolische wijze, deel aan het oorlogsbedrijf, zonder ons te realiseren, dat wij door onze hulp regelrecht de reactionnaire machten in Azië steunen. Kerk en Vrede waarschuwt opnieuw, opdat ons volk niet ongewaarschuwd voortga op de eenmaal ingeslagen weg: „Wij roepen u en in u ons volk in de naam van Christus op, terug te keren van deze heilloze weg. Het is u en ons niet geoorloofd te doen, alsof Jezus Christus niet de Heer der wereld is en zijn Evangelie ons niet gepredikt werd. Het is onze overtuiging, dat er voor de volken welhaast geen groter zonde tegen God en geen erger ongehoorzaamheid aan Christus’ Evangelie bestaat dan de waan-

zinnige misdaad van de moderne oorlog”. Wat dat voor Nederland betekent, wordt dan verder uiteengezet. De brief eindigt aldus:

„De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat Gij ons voor onwerkelijke, dwaze en oppervlakkige idealisten verslijt. Wij zijn noch het één noch het ander. Wij zijn mensen als Gij en wij weten zeer wel, hoe moeilijk het voor u is, in de situatie, waarin de wereldmachten de wereld gebracht hebben, de juiste weg te vinden. Dit ontslaat ons echter niet van de roeping, u te waarschuwen, nu wij zien dat u voor een weg kiest, die voor hen, die de naam van Christus verlangen te belijden, naar onze diepste geloofsovertuiging onaanvaardbaar is.

Gij zult ons wellicht tegenwerpen, dat de door ons gewezen weg voor uw verantwoordelijkheid als Overheid te riskant is. Gij zult echter met ons overtuigd zijn, dat aan uw weg niet minder risico verbonden is. Dan is toch het risico, dat in gehoorzaamheid aan Jezus Christus een goed geweten tracht te bewaren, toch uiteindelijk verkieslijker.

Van harte hopen wij, dat Gij ons woord zult horen en overdenken als een woord van mensen, die voor volk en wereld het beste zoeken, zich niet in farizese hoogmoed beter achten dan u, maar die getuigen moeten van wat voor hen het hoogste is: het geloof in God en het volgen van Christus in de verwachting van Zijn Rijk. Wij bidden voor u en voor ons zelf, voor ons volk en de wereld, om wijsheid, opdat wij, wat wij doen, mogen doen in het vertrouwen, dat wij zonder Christus niets van waarachtige redding en blijvend heil kunnen doen.”

Tot de ondertekenaars, allen hoofdbestuursleden van Kerk en Vrede, behoren o.a. prof. Heering (Remonstrant), ds Hylkema (Doopsgezind) en de Hervormde predikanten dr De Graaf, Hinlopen, Strijd, Hugenholtz, dr v. d. Voet en Buskes.

Wie het artikel van Banning in het vorige nummer van „Tijd en Taak” gelezen heeft, zal begrijpen, dat Banning Kerk en Vrede voor de vraag zal stellen, of men zulke ver gaande beweringen mag uitspreken zonder de richting van een concrete politieke oplossing aan te wijzen.

Die vraag is begrijpelijk en heeft dus recht op een antwoord.

Daar ik zelf tot de ondertekenaars van de brief aan onze ministers en volksvertegenwoordigers behoor, kan ik de vraag van Banning niet naast mij neerleggen, wil zijn kritiek op het getuigenis van de Quakers niet ook mij en Kerk en Vrede treffen. Ik beweer niet, dat ik met een antwoord op deze vraag klaar ben, maar ik wil toch trachten in het volgende nummer de richting aan te geven van de concrete politieke oplossing, om welke Banning vraagt. Van mijn kant meen ik het recht te hebben, om de lezers van Tijd en Taak, dat een onafhankelijk weekblad voor Evangelie en socialisme is, zeer dringend te verzoeken, het getuigenis van Kerk en Vrede niet naast zich neer te leggen. Ook de vraag van Kerk en Vrede heeft recht op een antwoord, J. J. BUSKES Jr