is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 38, 23-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kunnen wij lijden?

Naar aanleiding van Maria Spiridonowa.

Ik heb mij zelf bovenstaande vraag herhaalde malen gesteld, toen ik het boek van I. Steinberg las: Maria Spiridonowa, in strijd met tsaar en Sowjet (vertaald en bewerkt door Titia Jelgersma, uitgegeven door Van Loghum—Slaterus U.M., Arnhem, 1936, 294 blz.)

Het vermogen om te lijden in dienst van de Idee der Gerechtigheid was hij Maria Spiridonowa op bewonderenswaardige wijze ontwikkeld. Ook al kunnen wij verschillende van haar daden niet Christelijk aanvaardbaar achten wij kunnen van deze Russische sociaal-revolutionnaire wel leren wat „dienen” is, ook: wat „geloven” is. En wanneer wij er van overtuigd zijn, dat de Christelijke toekomstverwachting: „het Godsrijk zal het zeker winnen” staat bóven de toekomstverwachting van Maria Spiridonowa, dan zal deze onze overtuiging alleen werkelijk overtuigend zijn, als ons vermogen tot dienen en lijden het hare althans evenaart.

Met een variant op een Evangeliewoord (Matth. 5:20) zou ik kunnen zeggen: „Indien ons vermogen tot dienen in en lijden voor het Rijk Gods niet overvloedig is, meer dan dat van Maria Spiridonowa...” dan is al ons gepraat over het Rijk Gods niet zo heel veel waard. Wij zullen dan op z’n minst leren oneindig bescheidener te spreken, dan wij nu doen.

Bescheidenheid.

Dat is, geloof ik, wel één van de eerste dingen, waarvan we overtuigd raken, wanneer we ons in het leven van deze vrouw verdiepen: we moeten veel bescheidener worden, in de eerste plaats bij ons gebruik van allerlei grote Christelijke woorden.

Wij zeggen het zo gemakkelijk als predikanten, wij horen het zo gemakkelijk als gemeenteleden, wij zingen er zo automatisch van. In de wereld moeten we verdrukking lijden (Johannes 16:33)... en dat moet met vreugde gedragen en verwerkt worden. Maar de praktijk?

Als we dan het leven van Maria Spiridonowa lezen, dan vinden we onszelf, met al onze Christelijkheid, met al ons „radicalisme”, maar hele kleine burgermensen. Radicalisme IJa in onze woorden. Maar hoe zijn we als het op het lijden aankomt?

Ik geloof dat het heel gezond is het leven van deze vrouw, dat één en al dienen en lijden was, op ons te laten in werken. En laten we dan niet te gauw klaar staan met op zich zelf niet helemaal onjuiste theologische opmerkingen, als daar zijn: het lijden in dienst van de Heer is principieel iets anders dan het lijden in dienst van een Idee; het dienen in het Rijk Gods is vrijheid, het dienen van een Idee is in wezen slavernij... Laten we alleen maar bescheiden worden!

Laten we ons zelf alleen de vraag maar stellen of ónze verhouding tot het Rijk Gods, beter: ons gegrepen-zijn door dit Rijk, ons tot een even grote lijdensmoed brengt, als de Idee der Gerechtigheid dit bij Maria Spiridonowa deed.

Jona kon nog wat leren van de Ninevieten. En wij kunnen nog wat leren van deze Russin.

Het is nodig. De tijden zijn dreigend. En in

dreigende tijden moeten Christenen tot lijden-in-dienst-van-het-Rijk gereed zijn.

Het leven is niet het hoogste.

Maria Alexandrowna Spiridonowa had intensief de Russische revolutie van 1905 meebeleefd. Ze is dan een meisje van ongeveer 20 jaar. Gegrepen is zij door de beweging der sociaal-revolutionnairen: boeren, arbeiders en intellectuelen moeten in gerechtigheid samenleven. Daartoe moet er ontzaglijk veel in de maatschappij veranderen.

Wanneer zij in Januari 1906 hoort van mishandelingen, geselingen en moorden, waarmee de reactie de dorpsbevolking terroriseert, dan vat zij het plan op om de „beul van de boeren” generaal Loezjenovskiej te doden. En dat gelukt haar; ze schiet de generaal op een station dood. Zij deed dit bewust. Zij wist wat de gevolgen zouden zijn. Dit offer (en dit kon betekenen: het offer van haar leven) wilde zij aan de Revolutie, voor de Gerechtigheid brengen. Zij wist, dat er hoger waarden zijn dan het leven.

Dan begint een periode van vreselijk lijden. Een Kozak slaat haar met de kolf van zijn geweer op het hoofd, zodat zij valt. Een ander grijpt haar bij haar vlecht, slaat die om zijn arm en tilt haar omhoog. Ten slotte slepen de Kozakken haar aan een been naar de uitgang van het station. Op het politiebureau wordt de mishandeling voortgezet haar gelaat is bebloed, haar ogen zijn gezwollen. Halfdood komt zij in de gevangenis aan.

In haar brieven vertelt zij uitvoerig wat er daar verder met haar gebeurde. Een van die brieven eindigt aldus: „Op het ogenblik ben ik erg ziek, ijl voortdurend. Als ik ter dood word gebracht, sterf ik rustig en met vrede in mijn hart.”

De gebroken ruit.

Voor de krijgsraad verdedigde zij zich moedig, ondanks haar slechte lichamelijke gesteldheid. Zij leed aan hevige bloedspuwingen, gezicht en gehoor waren verzwakt. Zij getuigt met een vrijheid, die ons aan het verhaal van Petrus voor het Sanhedrin (Handelingen der Apostelen hoofdstuk 4 en 5) doet denken. „Ik herhaal nogmaals: in weerwil van al de verschrikkingen, die ik heb doorgemaakt, ben ik blij, voor de verdediging van het volk op te komen en voor het volk te sterven.”

Het vonnis: dood door de strop, wordt later veranderd in tuchthuis.

Uit de gevangenis schrijft ze: „De toekomst vrees ik niet: ik vind ze van geen belang meer belangrijker is de triomf der idee.” Dan volgt haar tocht naar Siberië, een triomftocht. Op ieder station werden Maria Spiridonowa en haar lotgenoten met gejuich begroet.

In het hart van Aziatisch Rusland stond de beruchte Katorga van Nertsjinsk: zeven gevangenissen bij elkaar. Hier begon het eerste gevangenislijden, dat elf jaren duren zou.

Maar ook hier sterft de revolutionnaire geest niet. En wanneer een bruut als Borodoelin de gevangenen met niets-ontziende willekeur behandelt, dan weigert men aan het bevel te voldoen om hem met-de-muts-

af te groeten. De slagen met de geweerkolven konden deze opstand niet doven. Borodoelin zag in dat hij te ver was gegaan hij meed deze gevangenis voortaan. Welke geest Maria Spiridonowa en haar medegevangenen bezielde blijkt duidelijk uit de woorden van één van hen:

„In een brandend huis telt men de gebroken ruiten niet, heeft minister Dvernowo gezegd. Ik ben één van die vensters in het grote gebouw van het tsarisme en het kapitalisme. Wel, ik ben blij, dat er tijdens mijn leven ook door mijn venster een beetje licht in het gebouw is doorgedrongen. Maar nu brandt het gebouw... Mijn leven mogen ze nemen, maar door de gebroken ruiten zal, hoop ik, de storm binnendringen en de vlam aanwakkeren en eindelijk zal het wrakke gebouw instorten... Ik ben gelukkig, ik zweer het... vaarwel!”

Kort daarna is deze Iwan Poelichow opgehangen. En na de morgeninspectie zongen de mannen de treurmars: „Onsterfelijke offers...”

Begrip en erbarmen.

In de Katorga heerste vaak een zeer goede geest. Er waren ook perioden van inzinking, van verwording. De angst, de vernederingen, de lijfstraffen... het was alles te veel. De revolutionnaire overtuiging werd geschokt.

In zulke tijden was Maria Spiridonowa voor velen een steun, zij riep op tot kameraadschap en trouw aan de Idee en zij toonde die ook zelf.

Zelfs voor het allerergste, dat een sociaalrevolutionnair kon doen: gratie-vragen, had zij begrip en erbarmen. Lijden doét iets met een mens: hij wordt óf hard en cynisch óf begrijpend en barmhartig.

„Het is onmogelijk”, zo zegt ze in één van haar brieven, „een steen te werpen naar de gevangenen, die in him moedeloosheid tot de uiterste schande vervallen: tot de indiening van een verzoek om gratie.”

Na 11 jaren keerde Maria Spiridonowa naar Rusland terug: de situatie was er door de revolutie van 1917 totaal veranderd. Zij keerde terug, niet gebroken, maar gerijpt. De grootste vernederingen, de meest afmattende angst, de lichamelijke kwellingen, hadden juist haar geloof in de Idee der Gerechtigheid versterkt. Zij wist van haar opdracht jegens de arbeiders en de boeren. Zij wist ook, dat het gebruik van geweld en terreur tegenover de vijand problematisch was.

Het is de tragiek van haar leven, dat zij evenveel heeft moeten lijden in de Sowjetgevangenissen als in de tsaristische Katorga.

Woord, daad, dood.

Wij moeten ons, wanneer wij dit aangrijpende leven van dienen en lijden van Maria Alexandrovna Spiridonowa voor ons zien, steeds weer, met beschaamdheid, de vraag stellen: kunnen wij lijden? Eigenlijk moeten we de vraag driemaal stellen, eerst het eerste, dan het tweede, dan het derde woord accentuerend.

Wij praten veel over „belijden” in deze jaren van kerkorde-vernieuwing. Maar wij vergeten, dat volgens het Nieuwe Testament belijden te maken heeft met woord, daad en dood.

Uit de gevangenis schreef Maria Spiridonowa: „Men moge mij slaan, mij dwingen, honger en koude en het zwaarste werk te verduren het komt er niet op aan...” Wonderlijk, dat wij door dit mensenleven, dat officieel althans niets met het Christendom te maken heeft, genoopt worden tot bezinning: „Belijden” heeft te maken met woord en daad en dood.

Kunnen wij lijden? Kr. STRIJD.