is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 3, 13-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' Aan ' \ den Heer behoort de aarde j en haar J volheid. y V Psalm 24 ; 1 /

Tijd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOK EVANGELIE 'EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 13 October 1951 Nr3

Redactie: ds J.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. BomhofF

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhofF

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet dsH.J.de Wys Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

Abonnement per jaar ƒ 5,—; halfjaar f2,75; kwartaal f 1,50plus f 0,15 incasso. Losse nrsf0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Over de mens

Bannings laatste boek*), zal in de komende tijd menige lezer aan het denken zetten. Hij heeft een groots thema, actueel als geen ander, machtig ingezet en rijk georchestreerd. Als het goed gaat, zal dit thema nog door menigeen hernomen en doorgezet worden.

Zo wil de schrijver het zelf, die veel van zijn ideeën ontleent aan wat anderen dachten en die vaak ook op zijn beurt erkent hoe zeer een bepaalde gedachte nog aanvulling en verdieping behoeft. Mijnerzijds moge deze bescheiden bijdrage aangebracht worden, mede uit dankbaarheid voor het leerzaam onderricht.

Banning schrijft over „De Communistische mens” (111. 4) en elders over het humanisme van Marx (1.1.d.). Als ik zijn gedachten samenvat in een enkele formule, dan is de waardering van de mens in marxisme en communisme gefundeerd in de arbeid. Het blijft dwingende noodzaak deze gedachte ernstig te nemen; het is een gedachte, die geen goed socialist vreemd is en die een christen m.i. onvolledig mag noemen, maar nimmer verwerpen.

Veronderstel, dat men de strijd tussen Amerika en Rusland mocht vereenvoudigen tot een tegenstelling tussen kapitalisme en communisme en dan een tweede vereenvoudiging mocht toepassen, nl. deze stelsels louter naar hun ideële grondslag mocht typeren, dan kon men zeggen: het gaat om eigendom of arbeid. Wat is er aan de mens het belangrijkste: datgene wat hij bezit, of datgene wat hij doet?

En nu weet ik wel, en ik weet het nog beter sedert Bannings boek dat dit een ongeoorloofde vereenvoudiging is bij de beoordeling der huidige wereldcrisis, het heeft toch zijn nut het denken op gang te brengen door de allereenvoudigste tegenstellingen zorgvuldig te onderzoeken.

De mens arbeidt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Al arbeidende leeft hij en dient hy de gemeenschap, die hij door zijn arbeid opbouwt en ondersteunt. De gemeenschap moet hem voor zijn arbeid, d.i. zijn bijdrage tot het bewoonbaar maken van de aarde, erkennen en waarderen. Het is alles zo eenvoudig en simpel. Evenzeer als die andere waarheid, dat alle bezit, alle in-eigendom-nemen secundair is. Op de

*) W. Banning. Het communisme als politiek-sociale wereldreligie. Bespreking volgt in Leestafelnieuws. •

arbeid volgt het in-bezit-nemen. Het bezit is allereerst beloning voor de arbeid; het is gevolg van de arbeid, ook vaak vooronderstelling van verdere arbeid. De meest ingewikkelde maatschappij vormen mogen toch eigenlijk deze zeer eenvoudige waarheden niet verduisteren. Voor dat het beginsel: „Wie niet werkt zal ook niet eten” in het Communistisch Manifest stond, was het te lezen in de bijbel. Er is geen enkel goddelijk instituut bekend, waarbij aan een bepaalde mens, aan een bepaalde N.V. het eigendom wordt toegewezen van enige aardse rijkdom. Wel is gezegd: „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten”. De geschiedenis moge achteraf de bezitsverhoudingen verklaren, rechtvaardigen doet ze deze daarom nog niet.

Al werkende is de mens samen gaan leven. Wat lag er meer voor de hand, dan dat deze gemeenschap schikkingen trof opdat iedereen arbeiden kon en van de vruchten van zijn arbeid kon leven? Dat deze gemeenschap bevorderde, dat niet de een alles en de ander niets had, dat m.a.w. de souvereiniteit van deze gemeenschap allereerst betrof de rechtvaardige verdeling van het bezit, d.i. van de vrucht van de arbeid? Het zijn deze, zeer eenvoudige waarheden, die op de achtergrond staan van het huidige debat en duizendmaal verduisterd, vertroebeld en misbruikt, moeten ze nochtans ons inzicht leiden.

Ik blijf het een gezonde, een echt menselijke reactie noemen, als men wandelend door een bos, waar God zijn prachtige bomen groeien laat om ons allen met hun schaduw te verkwikken, ineens tegen een bordje „Verboden Toegang” aanlopend, een vloek op de lippen voelt komen om de aanmatiging van de eigenaar. Nog begrijpelijker is het, dat men verontwaardigd wordt, als men aanschouwen moet, hoe sommigen in overdadige weelde zich de meest waanzinnige luxe in eten, drinken, woon- en reisgelegenheid veroorloven, terwijl anderen nauwelijks woonruimte, schaarse kleding en steeds honger hebben.

Al redenerende leert men dit alles verstaan; men leert vooral begrijpen, dat men deze zgn. historisch-gegroeide verhoudingen niet in een handomdraai kan wijzigen, maar moet men ook leren, hier eens en voor goed in te berusten? Het is deze vraag, die het communisme ons stelt.

Men kan het ook anders en minder naïef voorstellen. Blijven we ons er bij neerleg-

gen, als bij een sociale vanzelfsprekendheid, dat wie heeft ómdat hij heeft, en niet omdat hij werkt, nog meer krijgt? Men kan misschien bewijzen, dat onze maatschappij niet zonder kapitaalrente kan functionneren, daarmee is nog niet aangetoond, dat het zedelijk welvoegelijk is, dat het lenen van honderd gulden, zonder enig risico, zonder enige inspanning, zonder enig derven van loon uit eigen arbeid-met-diehonderd-gulden, een recht geeft—hoort ge, recht? op honderdtwintig gulden, na bijv. vijf jaar! Het is ook helemaal niet vanzelfsprekend, dat, omdat uw voor-

ouders, die ge wellicht nimmer gekend hebt, succes vol gewerkt (of handig gescharreld) hebben, gij voortaan het recht bezit zonder enige noemenswaardige inspanning uwerzijds, een lui leventje te leiden, waarbij het louter aan uw eigen initiatief overgelaten wordt, of ge ooit, hoe dan ook, iets zult bijdragen aan die gemeenschap, wier werkers uw brood bakken en uw schoenen poetsen.

Het is evenmin vanzelfsprekend, dat wanneer de gemeenschap dringend verlegen zit om iets, dat gij, op welke titel ook uw eigendom moogt noemen, hetzij uw vermogen, hetzij uw capaciteiten, het aan u, en aan u alleen, te beslissen staat, of gij toch maar niet uw vermogen zult beleggen bijv. in een sigarettenfabriek i.p.v. in arbeiderswoningen, omdat het eerste u meer oplevert dan het tweede, of ge toch maar niet uw capaciteiten in dienst zult stellen van een wereldconcern met hoge tantièmes, liever dan van een gemeenschap, die u maar matig belonen kan.

Het is dit soort vragen, dat het communisme vandaag weer actueel maakt, niet omdat ze in Rusland reeds een bevredigend antwoord gevonden hebben, maar omdat ze ten grondslag liggen aan het wereldwijd debat, dat aan de orde is.

Hoezeer wordt telkens weer dit vragen in ons levendig, als we aanschouwen moeten die eerbied voor het sacrosancte eigendomsrecht, waarvan elke aantasting door sommigen als heiligschennis en als communisme wordt uitgekreten. Als heiligschennis, omdat een verkeerd verstaan christendom de waanidee heeft bevorderd, alsof Christus ons de orde van de eigendom heeft gebracht, alsof Christus ons de berusting in de onrechtvaardigheid heeft geleerd. „Communisme” roept men, of, wat bijna nog kwaadaardiger is: „Staatssocialisme”. Ik verbaas me er vaak over, hoe vanzelfsprekend men het vindt, dat de staat jonge mensen oproept om enkele mooie levensjaren door te brengen in militaire dienst, om bereid te zijn, zo het heet, voor het vaderland te sterven, of wat eigenlijk nog erger moet zijn, voor het vaderland te doden, terwijl men moord en brand schreeuwt, als ditzelfde vaderland, te al-