is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TH. VANHOYTEMA: DRIE HANEN ILITHO 1897)

Mens en dier

aarmate de mens verder af leeft van de natuur, is er kans, dat zijn liefde tot het dier steeds meer bizarre vormen aanneemt. Wat te zeggen van de dame, die het hondje op zijn verjaardag een strikje omdoet en het een zacht gekookt eitje voorzet? En zou dit werkelijk een uitzondering zijn? Worden mens en dier niet half-zacht, wanneer zij zich uit het verband van de natuur losmaken? Men kan echter zeker niet zeggen, dat de liefde tot het dier altijd tot een dergelijke ontaarding leidt. Men kan dit zeker niet zeggen van een Franciscus van Assisi, men kan dit zeker ook niet zeggen van een Albert Schweitzer, die reeds als kind leed onder de verwaarlozing van het dier als deel der schepping. Hij vertelt, dat hij aan zijn avondgebed altijd een paar regels toevoegde van deze strekking: „Lieve God, bescherm en zegen alles, wat adem heeft, bewaar het voor alle kwaad en laat het rustig slapen”. En later geeft hij in zijn ethiek de grondregel aan voor de verhouding tussen mens en overige creatuur: „Ethik ist ins Grenzenlose erweiterte Verantwortung gegen Alles, was lebt”.

Dier en mens kunnen elkander slechts liefhebben in hun eigensoortigheid. Daarom doet het dwaas aan, wanneer men de mens bezig ziet de gevoelens van het dier naar het menselijke om te buigen. Daarom ook kunnen wij de wreedheid van het dier niet wreed noemen en het lieve niet liefde. Wij kunnen soms rillen bij het zien van datgene, dat wij de wreedheid van het dier noemen, maar op het zelfde ogenblik weten wij, dat dit met wreedheid eigenlijk niets uitstaande heeft. Wij staan voor een andere wereld, een ons totaal vreemde wereld, zoals ook ondanks alles de blik van een dier ons vreemd blijft. Mens en dier kunnen zich gemeenschappelijk verblijden, maar dan als deel van de schepping, ieder in zijn eigensoortigheid. De dichter van Psalm 104 heeft dit op zijn wijze benaderd, hij laat het dier als creatuur van God zich te samen verheugen met de mens in zijn creatuurlijkheid, zonder een ogenblik tot vermenging van gevoelens of gedachten te komen.

In de vergelijking met het dier is de mens in een positie van „boven” geordend. „Boven” wil zeggen, dat hij het dier zijn naam geeft, dat hij op zijn wijze een bijdrage geeft tot de scheppingsorde. Het dier behoort tot de omgeving van de mens, maar wij kunnen niet omgekeerd zeggen, dat er bij het dier een orde bestaat, waarin de mens is opgenomen. Men moet echter hieraan toevoegen, dat de mens beneden het dier positie inneemt, zodra hij dit „boven” verkeerd verstaat. Kain nam zover een plaats in beneden het dier, als Adam er boven. Het is in ieder geval minder juist om van het dierlijke in de mens te spreken, alsof de mens ooit gelijk staat met het dier. Als wij in bijzondere gevallen de mens dierlijk noemen, houdt dit eigenlijk een overschatting van de mens en een onderschatting van het dier in.

Toch blijft de mens, hoever hij zich ook beneden het dier verlaagt, in zeker opzicht zich gunstig onderscheiden van het dier. Een mens kent schuldbesef, wat een dier

niet kent. Daarom kan men bij de mens van een misdaad spreken, wat men nooit van het dier sou zeggen. Kain is zelfs dermate overweldigd door zijn schuldgevoel, dat hij in wanhoop uitroept: „Mijn straf is te zwaar om te dragen” (Staten-vert.: Mijn misdaad is groter dan dat ze vergeven worde). De misdadiger draagt het beeld van zijn moord in vele omstandigheden voor zijn leven mee. En daarom draagt de vergeving in het leven van de mens een alles omvattende betekenis. Daarom kan de verloren zoon in zijn afgunst van het draf, dat de zwijnen aten, in zijn beneden-dierlijke staat, tot het inzicht komen, dat de weg tot de Vader niet geKokkeerd is. Wij mogen ook troost putten uit de ontferming, die God tegenover Kain betoont. Het teken van zijn schuld draagt hij op het voorhoofd en hij gaat er mee in de wereld rond. Maar dit teken van schuld is een teken van behoud, wat de mens alleen vanuit zijn eigensoortigheid kan verstaan. En als wij dan wel vaak met grote beklemming aan de toekomst denken, dan zeggen Kain en de verloren zoon ons, dat niet een zinloos bloedbad het einde van deze aarde zal zijn, maar dat het licht der vergeving ons voor eeuwig aan God verbindt.

. A. F. L. VAN DIJK

HULPACTIE INDIA VAN DE NED. JEUGD GEMEENSCHAP.

Met hartelijke dank ontving ik van: ƒ1 van mej. S. W. H. te R.; J. W. R. te L.; mej. A. C. V. D. te L.

ƒ2 van B. te H. Sr te ’s G.; F. K. te H.; R. A. P. te Z.; C. M. te ’sG. ƒ2.50 van mej. F. M. J. te P.; mej. J. J. de V. te H.; P. V. d. S. te A.; J. M. H. te H.; J. M. te A.; mej. E. D. te A.; C. P. v. d. L. te H.; mej. E. B. te ’sG.; mej. G. M. A. te Z.; J. M. E. v. S. T. te H.; P. D. te H.; mej. R. de A.

ƒ3 van P. E. te ’sG.; G. v. R. te U. ƒ 3.50 van J. O. te T.

ƒ4 van J. A. v. O. te A. ƒ 5 dr F. J. W. te A.; G. E. te R.; mevr. H. de W.— L. te U.; P. C. G. te d. H.; zr A. L. te Z. ƒlO van mevr. J. A. D.—O. te B.; L. B. te P.; dames V. T. te H.| E. A. de G. T. te D.; wed. mr P. N. S. te H.; A. C. te O.; R. R. v. d. B. te A.; mej. M. W. B. te B.; W. H. B. te H.; mej. H. M. ter B. te L.| dr W. B. te D. ƒ 11 van dr S. B. te W.

ƒ 11.25 van mevr. J. P. v. d. L. ƒl9 opbrengst collecte najaarsverg. van Distr. Loge „De Wachter” der Intern. Orde van Goede Tempelieren dd. 23 Sept. '5l. ƒ25 van mevr. J. W. v. d. V.—de Z. te Z.; E. W. toe V.; mej. M. A. B. te E.

ƒ3O H. K. te B. Het totale bedrag is: ƒ2531.35. Amsterdam, Giro: 113211. J. J. BUSKES.