is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 24, 13-06-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij willen aan één figuur kort het geweldige van de profetie duidelijk maken, dat met schoonheid en stichting even weinig heeft te doen als de houding van koning Lear tijdens het onweer op de heide. Om enig begrip te krijgen van het schrikwekkende karakter van het profetisme kunnen wij ons het best bepalen tot Jeremia, de menselijkste van de profeten. Hij is het gebruikte werktuig, dat na volbrachte taak door God eenvoudig opzij wordt gelegd en dan over zijn lot nadenkt. Ook hij predikte met dezelfde krakende donder als Amos de straf over de afval van het volk van God, maar hemzelf brak onder deze verschrikkelijke boodschap het gemartelde hart, hetgeen Herrnann Kutter in zijn boek: „De prediking van Jeremia en onze tijd” zeer aanschouwelijk heeft uitgewerkt. Jeremia’s gevoelige ziel verzette zich in een duister voorgevoel van de ontzaglijke zwaarte van zijn taak, en hij moest daartoe door God zelf door een list worden bewogen, zoals hij in een ontroerende bekentenis zelf mededeelt. Veertig jaar lang heeft Jeremia gepredikt, tragisch genoeg volkomen vergeefs. Hoe luider hij riep, des te verder liepen de mensen weg: „De blaasbalg hijgde, het lood moest door het vuur worden verteerd, maar vergeefs heeft men gesmolten en gesmolten, de slakken lieten zich niet verwijderen”. Aangrijpende klachten kwamen over de lippen van deze door God overweldigde over de druk van de Almachtige, welke hem bijkans verpletterde. Jeremia zag als een Cassandra met een lucide klaarheid alles wat ging gebeuren, doch was absoluut onmachtig het zondige volk terug te houden van de afgrond, waarin het zich met open ogen te pletter stortte. Hij was de profeet, die zelf alle rampen moest beleven, die hij had voorspeld, en ten slotte was hij zover, dat hij op de rokende puinhopen van Jeruzalem zat en in weemoedige klaagliederen lucht gaf aan zijn opgekropte gemoed. Deze laatste periode van Jeremia’s leven heeft Michelangelo geschilderd, ook al ziet men geen enkele ruïne. Hij is de enige van de profeten, die de kunstenaar laarzen laat dragen, omdat hij toch niet meer in de reeds verwoeste tempel kan vertoeven. Zonder stad en zonder vaderland moest hij voortaan rusteloos rondzwerven, tot hij aan het einde van zijn leven in Egypte een onbekend graf vond. Michelangelo’s Jeremia-figuur drukt de Godspijn uit, een nameloze en onuitsprekelijke pijn die onverbrekelijk met het profeet-zijn is verbonden. Elke bewonderende uitroep doet ten aanzien van deze zwaarmoedigste figuur uit heel de kunstgeschiedenis aan als een bittere hoon. Dit schilderstuk is niet mooi, in de betekenis van wat men gemeenlijk onder „mooi” pleegt te verstaan; daarvoor geeft het op te pijnlijke wijze de innerlijke verhouding van de profeet tot zijn God weer. De godsdienstige zwaarmoedigheid, die als een centenaarsgewicht drukt op de ziel van deze mens, komt in zijn gebogen houding, in de over elkaar geslagen benen en het steunen van het hoofd tot uitdrukking. Ook de ondoordringbare, totale eenzaamheid, die deze van alle kanten aangevochten mens omgaf, bemerkt men, wanneer men dit zielelijden ziet, en wie zou daarbij niet onwillekeurig aan Michelangelo’s eigen eenzaamheid denken?” Fragment uit „Walter Nigg. Schilders van het eeuwige”.

MICHELANGELO (1475-1564) DE PROFEET JEREMIA-FRESCO Sixtijnse Kapel-Rome

bewezen te hebben, dat het onderscheid door H.V.V. ingevoerd, onbruikbaar is, en tot tegenspraak voert, en ik wacht rustig af of men het bovenstaande zal beamen of niet.

Ik houd er evenwel rekening mee, dat men soms gelijk heeft, maar het niet krijgt. Achter deze discussie over de zuiverheid der begrippen is er, als ik het goed aanvoel, een tegenstelling, tussen de schr. in H.V.V. en mij, in gevoelens van waardering en vrees. Zou het niet beter zijn ter zuivering van de atmosfeer, dat dit eerlijk uitgesproken wordt? Samen zijn we het eens in onze afkeer van levensbeschouwingen, die tot dictatuur en rassendiscriminatie voeren, maar hij vreest een staat op grondslag van een kerkelijke belijdenis en ik vrees een staat op grondslag van een onchristelijke humanistische levensbeschouwing. Laten we nu eens niet over dé staat praten, maar over ónze staat, en nog liever over ónze samenleving en onze overheid, nu in 1953. Is er, zo zou ik mijn partijgenoot aan H.V.V. willen vragen, een reële grond voor uw vrees voor een staat op grondslag van een kerkelijke belijdenis?

Immers niet. Ge moogt er overigens prof. V. Ruler (met hem begon immers de discussie!) van verdenken, dat hij er naar streeft; mij zult ge dat niet aandoen 1 En ik wil u wel verklappen, dat ge ook prof. V. Ruler met deze verdenking onrecht aandoet. De theocratische staat, waar hij van droomt is niet gebaseerd op een „kerkelijke belijdenis”. Mag ik u aanraden eens na te lezen bijdrage II van „Staat en Cultuur” (een publicatie van het Nederlands gesprekcentrum), waarin hij beknopt zijn visie, die niet geheel de mijne is, uiteenzet, maar waar ik me toch mee verwant voel.

Ik geloof zelfs, maar ik zeg het met aarzeling, dat er geen reden is, om van de R.K. Kerk, in dit tijdsgewricht en in dit, ons land, een staatsvorm te vrezen, die recht-toe, recht-aan gestructureerd zou zijn op „een kerkelijke belijdenis”, maar ik moet toegeven, dat bij Rome de zaken niet zo eenvoudig zijn.

De vrees echter, die wij, belijdende christenen, koesteren, is die voor een staatsbeleid, dat levensbeschouwelijk van geen andere bronnen meer weet dan neutraliteit en verdraagzaamheid. Wij in de

P.v.d.A. begrijpen elkaar als we het hebben over gerechtigheid en de rechtsorde van de arbeid, over de bestrijding van de kapitalistische geest, maar ook over de geestelijke en staatkundige vrijheid. Zo min echter als de goedbegrepen vrijheid in strijd is met de goedbegrepen idee van het staatkundig gezag en staatkundige vrijheid geen bandeloosheid betekent, zo min echter is geestelijke vrijheid tuchteloosheid en indifferentisme. Voor ons, ik spreek nu namens de christenen in de P.v.d.A. berust de geestelijke vrijheid op de vrije erkenning van Gods heilige wil, als geopenbaard in het Woord Gods. Men kan weten, dat wij het betreuren, maar erkennen dat niet ieder in ons land, in onze partij, dit ook zo ziet. „Gun ons”, zo schreef ik een vorige keer, „het visioen van een samenleving, die het rijk van God zou zijn op aarde (30 Mei)”. En nu voeg ik er aan toe: begrijp, dat wij huiverig zijn voor een neutraliteit die in naam der verdraagzaamheid als absoluut beginsel, datgene ondermijnt en opruimt, waarop, althans voor ons, de laatste normen berusten. J. G. B.