is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 39, 03-10-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertegenwoordiger van de jonge generatie het Duitse socialisme. Zijn zakelijke en klare beschouwing sloeg in, met name door de critische instelling. Kurt Schumacher heeft de na-oorlogse S.P.D. als een „nieuwe” socialistische partij aangekondigd. Dit heeft vele jongeren er toe gebracht zich bij deze partij aan te sluiten. Te meer omdat men aanvankelijk duidelijk koerste in de richting van een doorbraak.

Helaas is het tempo van deze vernieuwing vertraagd. Bovendien blijkt men in de oude garde het wezen van „een doorbraak” slecht begrepen te hebben. Het gevolg is: men zit nog midden in de worsteling om een vernieuwing van het socialisme.

Drie oorzaken van de traagheid waarmee dit vernieuwingsproces zich doorzet zag hij: a. de historische erfenis, b. de huidige structuur van de S.P.D. en c. de momentele maatschappijstructuur van West-Duitsland.

Het Duitse socialisme draagt nog immer mee de resten van het dogmatische marxisme. Bovendien heeft het socialisme nog steeds te kampen met maatschappelijke vooroordelen: opkomend voor vrijheid, gelijkheid en broederschap vond het tegenover zich een gesloten front van burgerij en kerk. Het gevolg was een sterk anti-nationale houding, die tegelijk een af keer van de staat inhield. In 1918 voltrok zich daardoor een tragedie. Immers deze „anti-staatliche” partij kreeg de staat in haar handen gelegd en ... wist daar eigenlijk niets mee te beginnen. Deze scheve verhouding tot staat en volk werkt nog altijd na en stellig niet ten gunste van een juiste houding ten aanzien van de beiangrijke politieke vraagstukken.

Daarnaast trof de socialistische beweging tweemaal een zware en ondankbare taak: na een verloren oorlog orde op zaken te moeten stellen. In veler ogen werd de S.P.D. daardoor de voltrekster van het oordeel der geallieerde overwinnaars! Zo iets vergeet een Duitser niet gemakkelijk; aangezien hij nooit uitgeblonken heeft in het verder zien dan eigen volk, eigen nood en eigen belangen.

Het nazi-regiem betekende voor de S.P.D.: stilstand in de theoretische ontwikkeling, onmogelijkheid een nieuwe leiders-garnituur op te kweken en het ontslagen-zijn van de taak de verhouding tot andere sociale groepen dan de arbeiders te doordenken en vorm te geven.

Met name dat laatste is na 1945 helaas niet of veel te weinig aangevat. Vandaar haar nog sterk „proletarische” signatuur, die in tegenspraak is met de werkelijke verhoudingen en met de maatschappelijke situatie van haar aanhangers.

Intussen is er binnen de partij zwaar getheoretiseerd over en geworsteld om een vernieuwing. Als voorlopige resultaten daarvan zag Holtmann: ten eerste een critisphe herziening van de verhouding tot Marx en het marxisme. Men is niet meer gedwongen het marxisme als alleenzaligmakend te onderschrijven.

In de tweede plaats, en dat is in Duitsland geen geringe verandering: het socialisme geldt niet meer als wereld- en levensbeschouwing. Natuurlijk zijn er nog vele oudere partijgenoten voor wie het dat wel is, maar officieel is dit verleden tijd. Offir cieel, en ook practisch, komt er steeds meer plaats en aandacht voor „geestelijke waarden en krachten”. Men erkent volledig dat

mensen uit verschillende motieven geestelijke, waaronder godsdienstige, èn nietgeestelijke tot het socialisme kunnen komen. In de practijk wordt dit echter maar moeizaam aanvaard overigens begrijpelijk ja met wantrouwen tegemoet getreden.

In de derde plaats neemt zij een positieve houding ten opzichte van de kerken in, wat van die zijde nogal eens met wantrouwen en uitgesproken anti-socialisme beantwoord wordt.

In de vierde plaats heeft men bewust laten vallen de gedachte, dat de ontwikkeling van de kapitalistische samenleving noodwendig uitloopt op een socialistische maatschappij. In de vijfde plaats komt er steeds meer oog, vooral bij de jongeren, voor de culturele taken, dié de socialistische beweging thans te vervullen heeft. Op de terreinen van economie en be-

drijfsleven heeft men gestreden voor medezeggenschap en daarbij succes gehad. Ten aanzien van de economische politiek ontbreekt echter een duidelijke lijn, nationaal zowel als internationaal. Ten slotte lijdt de partij, dit alles ten spijt, onder twee zware hypotheken: de managersmentaliteit onder de oudere par-

tij-functionarissen en het hele optreden vaii de partij naar buiten. Wat dit laatste betreft stoten met name het „Partei-chinesisch” en het „Saalabend-niveau” vele jongeren, in het bijzonder jonge intellectuelen, af.

De Nederlanders en de jongere Duitsers vonden dit critische en oprechte beeld ongemeen boeiend. Een Nederlander zei uit de grond van zijn hart, dat hij in deze spiegel ook nog veel van onze eigen zorgen herkend had. Enkele zittende en toekomstige functionarissen uit Duitsland waren daarentegen verbolgen over deze beschouwing. In de eerste plaats bestreden zij de juistheid van de tekening, in de tweede plaats vonden zij het ongehoord om in het buitenland zo critisch over „je eigen nest” te spreken.

Naar mijn bescheiden mening was het voor ons allen nodig én waardevol dfi situatie zó critisch te zien. Als deze internationale conferentie zin heeft gehad, dan alleen reeds omdat we hier oog in oog met eikaars zorgen ons meer verbonden wisten in de niet-aflatende strijd om vernieuwing en verdieping van het socialisme. De volgende maal iets over de rest van deze cursus en de daaruit te trekken conclusies. A. VAN BIEMEN

Tweeërlei solidariteit

Onlangs hield dr J. Haveman op de Amsterdamse Jeugdzorgdag een inleiding over „Zorg voor de jonge, ongeschoolde arbeider”. Jaarlijks roepen alle instanties, die zorg hebben voor de massajeugd, belangstellenden samen om een centraal vraagstuk aan de orde te stellen en tevens om de gasten op de hoogte te brengen van de stand van zaken van het werk.

Deze lezing nu verried een grote kennis van de sociale en geestelijke situatie van de ongeschoolde arbeider. Wat geen verwondering wekte bij hen, die het terecht geprezen proefschrift over „De Ongeschoolde Arbeider” van dr Haveman gelezen had. Niet alleen om de grote kennis, ook om het perspectief was deze lezing belangwekkend.

Ziehier de strekking: Er leeft in Nederland een groep, groot ongeveer 15% althans van de stedelijke bevolking, die men ongeschoold kan noemen. Deze groep bevolkt de „achterbuurten”, de „volksbuurten”. Daar verkeren de jongeren, die géén voortgezet onderwijs krijgen en dus het op de lagere school geleerde zich niet in de practijk kunnen eigen maken. Zij leren zich niet voegen naar de levensgewoonten, die wij, „burgerlijken” prefereren en noodzakelijk achten. Men vindt er geen besef van de noodzaak hogerop te komen. Men heeft een ander waardenstelsel. Sommige zaken, die wij verwerpen, vinden zij gewoon, andere, die' wij gewoon vinden, verwerpen zij. Nu doen wij grote moeite o.a. via het massajeugdwerk om aan deze groep enige van onze normen te leren. Maar, aldus dr Haveman, laten wij tegelijkertijd niet vergeten, dat in deze groep normen leven, die wij best konden gebruiken. Zij kennen nog solidariteit op een wijze, die ons onbekend geworden is. Bij dat woord solidariteit wil ik aanhaken. /

Het woord heeft bij ons, socialisten, een diepe klank. Hoeveel malen is door de leiders e*en beroep gedaan op de solidariteit van de arbeiders? Terwijl de anti-sociaiistische krachten in het verleden grotelijks konden putten uit hulpbronnen van enkelen, is de solidariteit van de massa in staat gebleken tot wonderen. Bij stakingen en verkiezingen kwam dat uit.

Toch, juist tegen de achtergrond van wat ons nu bekend geworden is van de leefgewoonl;en van de ongeschoolde volksmassa, moeten wij zeggen, dat deze solidariteit een gevaarlijk element heeft. Zij is nl. antipersonalistisch. En wanneer sommigen treuren, dat in de socialistische arbeidersbeweging de solidariteit afnemend is, dan moet de vraag gesteld worden of dit nu juist niet een tekèn is van de ontmassificering van de arbeidersklasse.

Want deze volksbuurtmentaliteit heeft als voornaamste kenmerk de gelijkschakelingstendens. Deze solidariteit rust vooral in een gevoel van lotsverbondenheid en wrok. Die lotsverbondenheid is „toevallig” en die wrok is negatief. Deze solidariteit is ternauwernood toe aan een individuele keuze, een individuele beslissing. Zij staat deze zelfs in de weg. Deze solidariteit richt zich tegen de politie, de schoolmeester, de dominee. Dat zijn immers vreemde zaken, die hen bedreigen en die volgens hen vreemde maatstaven willen opdringen. Deze solidariteit, zeker, is tot hartverwarmende dingen in staat. Burenhulp wordt gegeven, maar in ruil voor gelijkschakeling en beroving van elke „privacy”. Men moet het niet wagen zich te gaan onderscheiden in kleren en in levensgewoonten, want dan gaat haat zich ontladen. Dan wordt men een outcast. De ontplooiing van het persoonlijk leven is slechts binnen heel bepaalde grenzen mogelijk. Deze solidariteit nu is sterk, beter: taai, maar ze is niet scheppend, niet