is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 4, 23-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handel tussen Oost en West

Wat betreft de fatale invloed, welke grote ondernemingen op de gebeurtenissen in de wereld kunnen hebben, is sinds het begin van de tweede wereldoorlog veel veranderd. De macht van de grote concerns doet zich nu meer indirect gelden. Een voorbeeld: de Amerikaanse invoerbeperkingen op bepaalde industriële producten worden in stand gehouden mede door de druk, die de betrokken Amerikaanse ondernemingen als economisch belanghebbenden uitoefenen, Dergelijke gevallen doen zich ook in andere landen voor. De opheffing der tolgrenzen is nog niet tot stand gekomen; kan ook nog niet geheel verwezenlijkt worden.

Maar deze zorg om de eigen industrie in leven te houden en zo nodig te stimuleren, is nu veel meer dan voorheen een zaak van regeringen en parlementen. De mate van steun is een kwestie, die niet in de kantoren der industrieën wordt bepaald. Minder dan het belang van enige ondernemers, wordt het nationale belang als maatstaf genomen.

Tijdens de eerste wereldoorlog is heel wat te doen geweest over de manipulaties van wapenfabrikanten, die er zelfs geen been in zagen de vijand van oorlogsmateriaal te voorzien. De bestrijders van de politiek van Roosevelt hebben tijdens en na de tweede wereldoorlog een dergelijk ernstig verwijt willen construeren, voor wat de wapensteun aan de Sowjet-Unie betreft. Vele Amerikanen (en ook vele Engelsen), waren niet bereid de Russen als bondgenoten te erkennen. Steun aan de Russen in hun strijd tegen de Duitse legers achtten zij een versterking van het communisme, de uiteindelijke vijand. De invloed van deze groepen is in Ameri-

ka sterk toegenomen, vooral toen de verhoudingen met Rusland steeds slechter werden. Door hun toedoen zijn een lange reeks maatregelen van kracht geworden om te voorkomen, dat de Sowjet-Unie of een har er bondgenoten (bijv. communistisch China) in het bezit komt van strategische materialen.

Conflicten met de bondgenoten bleven niet uit. Het Amerikaanse verbod betreft veel meer artikelen dan het soortgelijke Britse. En wij weten verder uit onze Nederlandse berichten, dat ook sommige Nederlandse handelsondernemingen door de Amerikanen worden geboycot vanwege de door hun georganiseerde doorvoer van strategische materialen naar landen achter het ijzeren gordijn.

A 1 deze strenge maatregelen maken wel bijzonder duidelijk, dat er van gewetenloze internationale handel op het ogenblik nog nauwelijks sprake kan zijn. Het overheidsingrijpen, dat zich in dit opzicht doet gelden, heeft de schaal nu echter te veel naar de andere kant doen doorslaan. Men is uit nationale ijver gaan overdrijven, en belemmert thans het broodnodige economische contact tussen Oost en West.

Naarmate de Amerikanen zich verder verdiepten in de vraag, wat nu eigenlijk strategische materialen zijn, werd duidelijk, dat indien men met de mogelijkheid van oorlog rekening houdt, vrijwel elke leverantie „strategisch” van belang is. Zelfs als aan de Sowjet-Unie een schip vol met kladblocs wordt geleverd, kan zoiets voor de opbouw van de Russische aanvalskracht gewicht in de schaal leggen. Het betekent immers, dat een aantal Russische arbeiders vrij komt voor ander werk; mis-

schien wel voor de vervaardiging van munitie.

De extreemste voorvechters van het handelsverbod in Amerika zouden er dan ook de voorkeur aan geven, als er helemaal geen handelsverkeer meer zou plaats hebben tussen Oost en West. De Amerikaanse regering gaat uiteraard niet zo ver, maar de grens die zij trekt, is toch ook bepaald niet reëel.

Daartegenover staat het Britse standpunt. De Engelse regering is van mening, dat de handel met de Sowjet-Unie en China goede mogelijkheden biedt, en bovendien voor de Britse economie nooQzakelijk is. Engeland is ten volle bereid om te beletten, dat bijzondere producten en grondstoffen (nl. die welke voor de wapenindustrie van grote waarde zijn) naar Rusland worden gezonden. Maar daar ligt dan ook de grens. Voor het overige wil men in Londen de handel vrij laten, mede in het besef, dat tegenover elke leverantie aan de Sowjet-Unie een gelijkwaardige Russische levering aan Engeland staat. Bovendien speelt, bij velen in Engeland de gedachte een rol, dat economische banden met de Sowjet-Unie een versoepelijking kunnen veroorzaken van de politieke verhoudingen. De handel heeft al vaker in de geschiedenis getoond een verzoenende invloed te kunnen uitoefenen.

In dit licht moet dan ook de officiële Britse goedkeuring worden gezien van de zakenreis, die een dertigtal Britse vertegenwoordigers van grote ondernemingen binnenkort gaat ondernemen. De omvang van de mogelijke transacties zal stellig nog niet bijzonder groot zijn. Maar gezien de recente Russische goudverkopen mag toch aan een waarde van maximaal pl.m. 250 millioen gulden gedacht worden. Wellicht is dit contact het begin van een verdere economische toenadering. H. VAN VEEN

REGENMONOLOOG

Alle verhalen hebben een begin behalve het verhaal van de regen in een Hollandse stad. De dakleitjes glimmen onder de grijze lucht en de fietsbanden in de straat beneden trekken een mat spoor over het gladde asfalt, waarin de straat weerspiegeld wordt: een schilderij van Breitner. Schuin tegenover mijn huis lijkt het wel feest: de slager heeft de lichten aan, en al de kleurvlakken van het vlees, de worsten en de hammen, de glimlichtjes op de tegels en het nikkel lijken door -elkaar te wemelen. De laatste klant ging zojuist de winkel uit, en nu worden de vlonders van achter de toonbank naar buiten gedragen om geboend te worden: ’t is Zaterdagavond.

Straks komt mijn vrouw thuis met de kinderen; , ze is de stad in, winkelen. De leerlingen aan wie ik op Zaterdagmiddag les geef, hebben hun lessen weer beet, en ik mag het overgeschoten uurtje besteden zoals ik wil. Ik heb dus de krant meegenomen naar mijn studeerkamer-op de bovenste verdieping. Van lezen is niets gekomen: de regen klonk zo gezellig op de leitjes en het zink dat ik naar buiten ben gaan kijken, uit het dakvenster.

Achter me ligt de wereldpolitiek, een weinig gekreukeld, schots en scheef over de tafel. De voorpagina schreeuwt iets over een Fransman, die na zoveel kiesronden nog niet tot president was gekozen; en een bescheiden kopje verzekert me, dat niemand omtrent de toekomstige ontwikkeling met zekerheid iets kan mededelen, zolang Churchill en Poster Dulles hun laatste woorden nog niet hebben gesproken. Het komt me voor, dat men voor het vernemen van die wijsheid niet is aangewezen op een redac-

teur buitenland. De krant onder het lamplicht verspilt zijn nieuws in de lege kamer, want ik sta aan het raam, met de rug ernaar toe. Wat geeft dat? Er zijn talloze ministers, die iets beweren, dat, als het met stelligheid door een voddenboer beweerd wordt even waar is, en even vanzelfsprekend. „Slechts Door Samenwerking kan een Nieuw Europa bereikt worden,” beweert een Excellentie. Hoevelen zouden deze mededeling gelijkstellen met de aankondiging, dat het gebruik van een zekere soort scheerzeep perspectieven opent op een succesvolle carrière of een zoen van het liefste meisje van de wereld? Toch staat ook in deze krant een minister dit met de onvermijdelijke dikgedrukte letters te beweren.

Ongetwijfeld meent hij het, zoals wij allen het menen. Ongetwijfeld ook saboteren wij allen. Over een week zegt een andere minister: „Een verenigd Europa komt slechts tot stand door bundeling van alle beschikbare krachten,” doch dan heeft zijn eerder genoemde mede-Europeaan juist een of ander nationaal belang moeten verdedigen, dat alle bundels kracht tot armzalige bosjes brandhout maakt. En beiden zijn eerlijk, beiden zijn én Europeaan, én mannen-van-hun land. Dat kan niet, maar iedereen doet het. Zolang er nog maar één boven-nationaal orgaan van betekenis is: de Kolen- en Staalgemeenschap, moet men het wel doen.

Zeer velen, vooral jongeren, hebben een afkeer van wat men pleegt aan te duiden als „het politieke spelletje,” en ze komen nogal gauw in de verleiding, om met zo’n redenering als hiervoor gegeven werd, aan ■ te tonen, hoe onlogisch dit alles is. Ik krijg wel eens de indruk, dat ze dit argument gebruiken bij gebrek aan beter, dat ze de afkeer niet goed kunnen beredeneren, Waarom willen ze niet meedoen? Ze menen dat men idealen op politiek gebied kan hebben zonder leuzen aan te heffen, meetings te bezoeken en vergaderinkje te spelen. Zij geloven niet, zoals vooral de ouderen dat deden, in de macht van de organisatie. Hetgeen begrijpelijk wordt, als men bedenkt, dat de organisaties van nu niet meer zo’n strijdbaar karakter hebben,

Het verschijnsel valt ongeveer te vergelijken mét de bekende collecte-moeheid. Men weigert te geven, niet omdat de levensstandaard hoger is geworden, maar eenvoudig omdat men niet wil geven, omdat men denkt dat er te veel organisaties zijn, omdat men niet meer in het nut ervan gelooft,

Nog tikt de regen op het dak. Het wordt nu donker buiten en het lijkt alsof de geluiden uit de straat wat harder en wat feestelijker gaan klinken. Ik herinner me het geluk. Wanneer dat was, en hoe, weet ik niet meer; maar ik kan me herinneren eens in zo’n feestelijke straat gelopen te hebben, met aan de ene kant de lichtsprookjes van