is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 7, 13-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw M. G. Muller-Lulofs t

Mevrouw M. G. Muller-Lulofs, die op 23 Januari in Utrecht overleden is, was op 1 September 1854 te Amsterdam geboren uit een bekende liberale koopmansfamilie. Haar zuster trouwde met Frederik Adama van Scheltema (de vader van de dichter), medevennoot van het antiquariaat van Frederik Muller, wiens zoon Samuel in 1877 met Maria Geertruida Lulofs in het huwelijk trad. De jonge Muller nam zijn vrouw mee naar Utrecht, waar hij enkele jaren te voren gemeente-archivaris was geworden. Terwijl haar man de grondslagen legde voor het moderne Nederlandse archiefwezen en zich ontwikkelde tot een historicus van formaat, begon de jonge mevr. Muller zich aan allerlei maatschappelijke arbeid te wijden. MaatschappeUjke arbeid betekende in die dagen liefdadigheid en bedeling en had vooral tot doel, de armoede binnen de perken te houden om aldus excessen te voorkomen. Het waarachtige sociale gevoel was nauwelijks ontwaakt en de armenzorg bepaalde zich ertoe, de ergste materiële noden te lenigen. Het socialisme werd door Domela Nieuwenhuis als een heilsboodschap gepredikt aan het proletariaat, maar door de bourgeoisie over de gehele linie bestreden of genegeerd. Slechts langzaam drong het besef door, dat de strijd tegen de armoede alleen gevolg zou hebben als de grondslagen der maatschappij veranderd zouden worden.

Mevrouw Muller was in die dagén zeker geen socialiste, maar wel had zij een zuiver inzicht in de oorzaken der armoede en een diep besef voor de gebreken die de bestrijding der armoede aankleefden. Als jonge vrouw was zij met ’n vriendin „aan philanthropie gaan doen” volgens de gebruikelijke methode van arme mensen bezoeken, hun geld geven en met de beste bedoelingen in te grijpen in hun leven. Teleurstellingen leerden haar dat de armenzorg, op deze wijze bedreven, het pauperisme nooit werkelijk zou kunnen bestrijden. Zij begon zich te verdiepen in de geschiedenis der armoede en der armenzorg en zij begreep al spoedig dat men geheel nieuwe wegen zou dienen in te slaan. Aan deze hervorming van de armenzorg heeft zij haar leven gewijd. Rechtstreeks door directe hulp aan armen en andere misdeelden, indirect door haar stimulerend werk in verenigingen, door lezingen en door tal van artikelen in het Sociaal Weekblad, in het maandblad Armenzorg, waarvan zij jarenlang redactrice Is geweest, in het Tijdschrift voor het Armwezen, in De Gids, Onze Eeuw en in andere periodieken. Van 1900—1939 was zij voorzitster van de Utrechtse Vereniging tot Verbetering van Armenzorg, van de Nederlandse Vereniging voor Armenzorg en Weldadigheid was zij lange tijd ondervoorzitster. De Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk werd in 1899 mede op haar initiatief in het leven geroepen, en dit alles geeft nog maar een flauw beeld van het vele dat deze tot op hoge leeftijd actief gebleven vrouw tot stand heeft gebracht op allerlei terreinen van het sociale leven.

Een tiental brochures en eerder in tijdschriften verschenen opstellen van mevrouw Muller-Lulofs heeft zij in 1916 gebundeld. Van Mensch tot mensch noemde zij dit boek, en in deze eenvoudige, pretentieloze titel gaf zij precies weer wat zij met

haar sociale werk bedoelde. Hoeveel er sinds die tijd veranderd is, toch staat er in dit boek nog heel wat dat nog niet verouderd is. Ik denk aan wat de schrijfster in het voorwoord zegt over de geestelijke verschrompeling van de arme. „De schrijning van ’t contrast tusschen rijk en arm”, schrijft zij, „bestaat voor mij niet in ’t verschil van levenswijze, niet in ’t meer of minder, niet in ’t onderscheid tussenheerenhuisen;arbelderswoning, natuurboter en margarine, hoog gehakte laarsjes en klompen, weelde en volstrekten eenvoud; maar de schrijning van ’t contrast tusschen rijk en arm heb ik in mijn armenzorg-praktijk leeren zien en gevoeld en gevonden in de mogelijkheid tot geestesontwikkeling en tot geestesverheffing eenerzijds, het ondergedompeld worden en ten slotte ondergaan in vernederende, naar omlaag trekkende materieele zorgen anderzijds; in ’t deel kunnen hebben aan alle geestelijke goederen, die in den loop der eeuwen ’t erfdeel der menschheid zijn geworden, aan den eene en ’t uitgeslotenzijn van dat deelgenootschap aan den anderen kant; in de kans op financieelen en maatschappelijken vooruitgang, zoowel voor hen zelven als voor hun nakomelingschap, in de kringen der gegoeden en ’t alle energie doodend gebrek aan perspectief in die der onterfden”.

Dit te hebben miskend noemt zij de onvergeeflijke fout der armenverzorging, een fout

die haar duur te staan is gekomen. „ledere armenzorg, die niet doordringt tot de diepste bronnen, waaraan de armoede ontwelt, en de kern van ’t wezen der armoede onaangevochten laat voortbestaan; iedere armenzorg, die slechts lenigend en niet tevens voorbehoedend werk presteert, d.w.z. niet is aan te treffen in de voorste gelederen van hen, die daadwerkelijk deel nemen aan de arbeid der sociale hervorming: aan verbetering der volkshuisvesting, bestrijding der tuberculose, beteugeling van ’t drankmisbruik, kinderbescherming, uitbreiding van verzekeringsmogelijkheden, bevordering van ’t vakvereenigingsleven, verhooging van ’t peil van ons volksonderwijs, bestrijding van den woeker, opleiding van huisvrouwen en moeders, verbetering van de geneeskundige armen-praktijk enz., is mede schuldig aan de minachting, waaraan de armenzorg nog altijd is bloptgesteld. Armenzorg zonder sociaal-politiek zal nooit haar hoogste doel: de reclasseering, de opheffing van den arme in den verstreikenden zin, verwezenlijkt kunnen zien”.

Wanneer al deze dingen in onze tijd vanzelfsprekend zijn, dan is dat voor een niet gering deel te danken aan de pioniersarbeid van mevrouw Muller-Lulofs. Wat Hélène Mercier begonnen was, heeft zij voortgezet en door haar woord en daad heeft zij andere vrouwen opgewekt om zich te wijden aan de sociale hervorming. Partij-socialist is zij nooit geweest, zij behoorde tot de sociaalliberale groep die omstreeks een halve eeuw geleden in het Sociaal Weekblad van Kerdijk haar orgaan bezat. Maar heel haar werk is ontstaan uit en doortrokken van de geest van het christendom en het socialisme en om deze reden verdient deze begenadigde vrouw ook in „Tijd en Taak” in eerbied en genegenheid te worden herdacht. F. J. MEERTENS

Het simpele leven van Adam en Eva

Dat is de titel van een naar het Frans bewerkt boekje tekeningen met bijschriften door Jean Effel en uitgegeven door „De Bezige Bij”. Om nu maar meteen alles te zeggen en voor het gemak: ƒ2.50. Dan kimt u het gaan kopen, want het gaat beslist opgang maken.

Dat is dan het resultaat van hetgeen de hoofdredacteur van het dagblad „Trouw” over dit boekje heeft gezegd, in dikke en zware woorden en met geweldige eisen: heiligschennis, moest verboden worden, offieieren van Justitie, krenking van de diepste overtuigingen in de godsdienstige gevoelens van „óns christelijk volk e.t.q. Vooral van die krenking geloven we niets, want de volgelingen van deze hoofdredacteur, indien zij althans geen verboden uitstapjes maken op zijpaden (zelfs niet in Parijs), lezen dit boekje niet, noch bezien zijn tekeningen, En ook overig Nederland, nu eenmaal niet zó bar thuis in Frans, nam er voorheen geen nota van, schoon de Franse editie al langer dan vandaag in onze kast staat. Maar goed, Trouw heeft getoond geen enkele zin voor humor te bezitten. Alles is „heilig” en vooral alles wat met de Bijbel te maken heeft... en lachen mag men niet. Had die hoofdredacteur maar gezwegen! In zijn belang dan. Want nu zal dit boekje voor de Bezige

Bij spoedig wel een best seller worden, ook onder gereformeerden...

Over dat boekje met die tekeningen en onderschriften omtrent Adam en Eva in en kort na het paradijs, hebben wij niet zo verschrikkelijk behoeven te lachen. Werumeus Buning, die iets verderop in Genesis raakte, heeft over de Ark en deszelfs inhoud (en wat er achteraan bungelde) veel geestiger gedicht, als het daarom gaat. Bovendien, het leven van Adam en Eva simpel. Wat zal men er dan meer van kunnen maken, als het nog niets te stellen had met een christelijk dagblad, anti-revolutionnaire beginselen, zelfs niet met scheppingsordinantiën, om van heel veel meer maar te zwijgen. En voorts, wie nu niet direct gelooft in de rechtstreekse inspiratie van het verhaal waaraan het begin der mensheidsgeschiedenis is opgehangen, om de eenvoudige reden, dat het zo ook buiten de Bijbel voorkomt, zal nooit getroffen zijn in zijn diepste religieuze gevoelens en is wel eens geïnteresseerd, als hij dan ziet, waar nu precies die rib van Adam gezeten moet hebben, die dan werd geamputeerd. Wij voor ons zien dus geen enkele reden om verontwaardigd, geschokt en geschonden te doen. Dat zag ook „Het Parool” niet en dat zag een aantal scribenten in Vrij Nederland