is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 12, 26-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nieuw-Guinea-politiek

tussen Scylla en Charyhdis

Nieuw-Guinea, achtergebleven gebied waar sinds eeuwen paradijsvogels in kleurenpracht en vrijheid rondvliegen en mensen gevangen zitten in de greep van de jungle, angst, haat en ziekten.

Nieuw-Guinea, ongenaakbaar geheim, tropisch land met eeuwig besneeuwde bergtoppen, wacht met afstotende en aantrekkende kracht op mensenhanden, die eens en voorgoed, dat geheim zullen ontsluieren.

In de strijd om de Pacific, is die vergeten hoek der aarde, door haar strategische betekenis in het wereldnieuws gekomen. En omdat de strategische betekenis van het eiland nog steeds aan belangrijkheid wint, vermeerdert ook de belangstelling voor het gebied.

Er is de laatste tijd veel politiek rumoer rondom N.-G. geweest. Of dit werkelijk in het belang van land en volk van N.-G. is valt te betwijfelen. Helaas heeft men van N.-G. een politiek vraagstuk gemaakt, voordat men aan politiek toe is. Het zou van inzicht en wijsheid getuigen, als de politici die hier iets in de melk te brokkelen hebben, dat althans menen te hebben, zich zouden inspannen om N.-G. uit het politieke woelwater te halen en het zachtkens te voeren naar de rustige stroom van geleidelijke ontwikkeling, met als einddoel het volledige zelfbeschikkingsrecht der Papoea’s.

In de vrije wereld zijn we het er allemaal over eens, dat de achtergebleven gebieden een gevaar voor de wereldvrede en sociale stabiliteit kunnen gaan vormen. We weten ook, dat de steeds aanwassende wereldbevolking niet toelaat, dat er belangrijke delen der aarde braak blijven liggen. Het „vervult de aarde en onderwerpt ze” is een eis, die de Schepper in den beginne ons mensen heeft opgelegd.

Dat een land als N.-G. tot ontwikkeling moet worden gebracht is zonneklaar. Hierover zijn Nederlanders en Indonesiërs, Amerikanen en Japanners, christenen en humanisten, socialisten en niet-socialisten het nog wel eens. Over het: wie het zal moeten doen en hoe het zal moeten gebeuren begint het verschil van mening.

Een realiteit is echter, dat de verantwoordelijkheid voor dit alles nog altijd bij Nederland berust. En dat de Nederlandse regering, namens het volk, zal hebben te beslissen, wat zij met die verantwoordelijkheid gaat doen.

Verantwoordeiijkheid is hier in het begrip souvereiniteit vervat. Een antwoord geven op de boven gestelde vraag betekent in feite, het bedrijven van N.-G.-politiek. En al kan men dan op verschillende wijze antwoord geven op de gestelde vraag, één ding is zeker, men zal altijd tussen Scylla en Charybdis door moeten‘).

Bij het benaderen van de opgeworpen vraag, moeten we steeds voor ogen houden dat Nieuw-Guinea één van de meest

‘) De held van Homerus’ wereldberoemd epos, Ulysses, moest bij zijn avontuurlijke zwerftochten tussen twee gevaarlijke klippen door varen. Het monster Charybdis hield verblijf onder een rots in zee en driemaal daags trok het de omringende wateren in een maalstroom naar zich toe. Elk vaartuig dat in die maalstroom terechtkwam.

achtergebleven gebieden der aarde is. De hulp aan de achtergebleven gebieden is echter een discutabel geval. We staan daarmee eigenlijk nog maar aan het prille begin van een geheel nieuwe ontwikkelingsgang der volken.

Het typische verschijnsel doet zich nu voor, dat men enerzijds in allerlei toonaarden bfetoogt dat men meer moet doen om die ontwikkelingsgang te bevorderen, omdat de verhouding Oost-West er ten nauwste bij betrokken is, terwijl anderzijds sinds kort, een klein land als Nederland bezig is daadwerkelijke hulp aan het achtergebleven N.-G. te verlenen. En juist dit laatste wordt op politieke gronden betwist.

Zoals reeds is gezegd, schijnen de moeilijkheden te beginnen over de wijze van hulpverlening.

Hulp aan achtergebleven gebieden laat zich onderscheiden in directe en indirecte hulp.

Indirecte hulp is: het deelnemen aan een fonds of pool van waaruit de hulp wordt bekostigd of verstrekt. Zo is de technische bijstand die door de V.N. aan India wordt gegeven,, een vorm van indirecte hulpverlening. De fondsen van de V.N. worden immers bijeengebracht door de leden van de V.N., terwijl de technische krachten eveneens uit vele landen gerecruteerd worden.

Directe hulp is: gelden, middelen en mensen rechtstreeks beschikbaar stellen aan een land dat daarvoor in aanmerking komt of waarmee men speciale relaties De hulp die Nederland verleent aan de tenuitvoerlegging van het Surinaams welvaartsplan valt evenals de aanpak van de ontwikkeling die ons land in N.-G. begonnen is, onder directe hulp.

De uitvoering van het TVA-project in de V.S. was indirecte hulp in nationaal verband. En zo wordt indirect internationale hulp verleend door organisaties als de V.N., de F.A.0., de W.H.O. en andere instanties.

Het zgn. Colombo-plan zou men directe internationale hulp kunnen noemen, zij het internationaal in beperkte zin bedoeld. Het Colombo-plan geldt alleen voor landen aangesloten bij het Britse Gemenebest.

De hulpverlening aan N.-G. functionneert dus langs de directe weg. Of dit de meest gunstige situatie is, valt met recht te betwijfelen. Maar daarnaast rijst dan de vraag; Is er een andere en betere functionnering mogelijk?

Indien men in Indonesië werkelijk bereid is tot overleg, men niet hals-over-kop het federale stelsel had weggevaagd, de Unie overboord gezet, men de non-coöperatieve houding zou willen loslaten en de anti-Nederlandse sentimenten zou beteugelen in plaats van aanwakkeren, ja, dan zou er zeker in een Nederlands-Indonesisch

viel ten prooi aan de klauwen van het monster. Het monster Scylla woonde eveneens in een grot. Uit de opening staken zes duivelachtige koppen. Elke prooi die binnen het bereik van een der koppen kwam, werd grif verslonden. Die twee rotsen lagen nu zo dicht bij elkaar, dat het bijna onmogelijk was tussen de rotsen door te varen.

samenspel een goede oplossing gevonden worden. Dan zou het niet eens een politieke kwestie geworden zijn. Nu zouden we op rigoreuze manier ons van de zaak kunnen afmaken, door toe te geven aan de merendeels negatieve verlangens van Indonesië. Maar sinds wanneer laat men een politieke gedragslijn bepalen door negatieve eisen van de andere partij?

Het standpunt dat de Tweede-Kamerfractie van de PvdA ten aanzien van N.-G. inneemt, vind ik zeer principieel en politiek verantwoord. Het houdt immers rekening met een mogelijke kentering in Indonesië terwijl het de belangen van land en volk van Nieuw-Guinea vooropstelt en dit alles tracht op te lossen en benaderen op het internationale vlak.

We moeten echter de mogelijkheden die er liggen voor een oplossing op het internationale vlak niet overschatten. We kunnen in theorie althans de mogelijkheid van V.N.-beheer naar voren brengen. Maar zijn we met de gedachte aan een volledig V.N.- beheer, de werkelijke stand van zaken al niet drie of vier stadia vooruit? Het zou in elk geval een precedent scheppen als Nederland de souvereiniteit over N.-G. aan de V.N. zou overdragen.

Daarbij weten we helaas maar al te goed, hoe bekneld de V.N. zitten in de onzuivere machtspolitieke verhoudingen van het ogenblik. Het denkbeeld van V.N.-beheer heeft dan ook geen reële betekenis in de gegeven situatie.

Blijft over, dat Nederland, politiek gesproken, de Ulysses-rol zal moeten aanvaarden en de kansen om tussen Scylla en Charybdis door te komen, nauwkeurig zal moeten berekenen. Dat betekent internationale steun en garanties verwerven bij de uitvoering van de taak die ons is opgelegd.

Gaat men in een „ach-en-wee”-stemming de moeilijkheden uit de weg, dan wordt dat een smadelijke demonstratie van geestelijke lafheid. Immers, is er ooit een situatie in de wereld geweest waar de aanpak van grote dingen niet moeilijk was en geen tegenkanting opriep? Daarenboven ben ik er diep van overtuigd, dat onze houding t.a.v.'N.-G. wel eens de „test-case” kan worden waaraan en waarmee ons volk geen veroordeeld wordt. Door onze handen van N.-G. af te trekken, maken we waar, dat de ontmoeting van Oost en West door het Westen alleen maar gezocht wordt, als er wat aan te verdienen valt.

En dan ligt er achter een waarachtige verantwoordelijkheid voor een vergeten deel der aarde toch ook nog de geweldige mogelijkheid van het gezegende land. Die achtergebleven gebieden zouden wel eens de werkobjecten kunnen zijn, die een komende laagconjunctuur kunnen doen temperen.

Er wordt de laatste tijd veel gesproken en geschreven over Azië. Dat de verhouding van het Westen met Azië beter wordt indien we afzien van een concrete taak aldaar, geloof ik in genen dele. Ook in Azië wordt het krachtenspel gespeeld volgens universele regels. En juist in Azië, zal men daden en bedoelingen afmeten aan de intenties ervan en de beslistheid waarmee ze worden gesteld en verdedigd.

En dan zijn er nog altijd de minderheden en groepen die eens, of nu nog, op het gegeven woord van het Westen vertrouwden en vertrouwen. Indien we deze groepen aan hun lot overlaten, maken we juist die groepen tot de grootste vijanden van het Westen. Het zijn slechts enkele aspecten die toch rechtstreeks of zijdelings aan de zaak■ Nieuw-Guinea zitten. Dat we hier met lege frasen heel weinig beginnen, is duidelijk.