is toegevoegd aan je favorieten.

Wij; ons werk-ons leven, 1935, no 9, 29-03-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonen in onze barre bergen, niet terwille vaneen rijk en gemakkelijk leven, maar om groot te zijn ineen legende, die verhaald zal worden tot in lengte van dagen!” Wanneer ik de volgende morgen op weg ga, geeft mijn gastheer, die zelfs geen los dubbeltje bezit voor een boekje cigarettenpapier, mij een bonk kaas en een homp brood mee op reis en hij weigert met boze ogen de paar penningen aan te nemen, die ik hem aan kan bieden. Hij legt met een statig gebaar zijn hand rond de kolf van zijn reusachtige revolver en zegt; Ik zou de eerste boer van hierboven zijn, die geld voor gastvrijheid aannam! En terwijl ik eenzaam verder trek, denk ik aan die andere geschiedenis, welke ik in Montenegro hoorde. Een Montenegrijn was ter dood veroordeeld. Vlak voor dat het vonnis werd uitgevoerd, vroeg de koning hem: „Ben je wel eens ineen slechter parket geweest dan vandaag?” „Ja”, antwoordde hij, „de dag, dat een vreemdeling mijn huis binnenkwam en ik letterlijk niets had om hem aan te bieden...” De romantische legende van Montenegro is nog steeds voldoende, om duizenden toeristen naar de zwarte bergen te lokken. Meestal doen ze het met behulp van welwillende reisbureau’s, helaas verkeerd. Vanuit de sprookjesstad Dubrovnik aan de Dalmatische kust tijgen ze ineen boot naar de prachtige fjorden van Kotor, beklimmen per autobus de geweldige berg Lovtsjen, ontbijten inde hoofdstad Cettinje in het Grand Hotel, waar je door-de-weeks als voorbeeld van volksdrachten enkel kellners in rok te zien krijgt, en zijn ’s avonds weer in Dubrovnik terug. De hele reis is wondermooi geweest, behalve juist het stukje Montenegro. Want Cettinje is een kaal provinciestadje, tussen even kale bergen, en alleen ’s Zondags krijg je er de oude volksdrachten te zien.

Noodgedwongen deed ik het anders. Ik had te voet Albanië doorkruist, en liep in zes uur van de grens over de kale kalkbergen naar Cettinje. Niet dat het stadje mij bijzonder trok maar er moest geld voor me op de post liggen, de opbrengst vaneen paar artikelen. In plaats daarvan vond ik enkel een lakonieke briefkaart, met de vermelding, dat het geld naar Sarajevo gestuurd was. Sarajevo is driehonderd K.M. van Cettinje vandaan, hemelsbreed gerekend, en mijn gezamenlijke financiën beliepen in hollands geld 2 gulden 84 cent. Om een hartversterking te hebben tegen de schrik, liep ik een café binnen, om een kop pikzwarte Turkse koffie te bestellen. Maar meteen dat ik binnenkwam, werd mijn aandacht getrokken door drie statige oude heren, die rustig ineen hoek van de lege zaal zaten. Ze droegen zwarte kaplaarzen, blauwe broeken en roodfluwelen vesten met rijk goudborduursel. Onder de wijde, hemelsblauwe mantel waren de kolven van hun grote trommelrevolvers zichtbaar, die ineen bonte, zijden gordël staken. Misschien heb ik ze, vanwege de pracht hunner kleren, wat te nieuwsgierig opgenomen, want ze keken mij op hun beurt aan en herkenden in mij natuurlijk dadelijk den vreemdeling. Hun ogen hadden die rustige, doordringende blik die alleen zeelui en bergbewoners hebben. Even later kwam de kellner en zette een kop koffie met een glaasje „raki” (pruimenjenever) voor mij neer. Maar ik heb toch nog niets besteld? zei ik verbaasd. De drie heren daarginds bieden u dit aan, als welkom in Tsrnagora; fluisterde hij mij toe. Ik wist reeds uit dergelijke ervaringen inde Balkan, dat ik hen niet bedanken mocht voor deze hoofse gave: hun trots duldt geen dank. Een lichte hoofdknik bij het weggaan was alle? wat ik mij veroorloven mocht! Dit begin had mij bemoedigd, en ik besloot de beroemde Slavische gastvrijheid nu eens echt op de proef te stellen. Was de werkelijkheid zoals de legende vertelde, dan zou ik de tien dagen, die ik nodig had om Montenegro te doorkruisen, best met mijn rijksdaalder rondkomen. En ditmaal overtrof de werkelijkheid nog de legende: ik kwam niet alleen rond, maar hield zelfs ruimschoots over! De eerste 120 K.M., dwars dooreen waterloos gebied van grijze rotsen, legde ik per autobus af. Overal kreeg ik als vreemdeling half tarief. Toen ik in het laatste stadje, Sjavnik, aankwam, had ik nog drie kwartjes over. Tien dagen later betrad ik Bosnië; en al die tijd had ik geen cent uitgegeven ... Achter Sjavnik hielden de wegen op, en meteen verloor het landschap zijn grijze dorheid. Na de eerste slingers van het paardenpad dat langzaam tot een smal spoor verliep dwars door grazige weiden, werd de titanische Durmitor zichtbaar, Montenegro’s hoogste berg. En deze ruige, gekorven sneeuwtop bleef mijn wegwijzer. Ik wist in dit vreemde land heg noch steg, en bezat geen kaart, enkel een klein kompas. Ik wist enkel dat ik zoveel mogelijk naar het noorden moest lopen en dat ik de Durmitor en later de Magla, een andere sneeuwtop, links moest laten liggen.

Dikwijls, wanneer ik treurig ben, of kleine zorgen heb, denk ik aan deze toverachtige tocht door het hoge Montenegro, dit onbekende land, dat ik ondanks mijn geldnood zorgeloos doorkruiste met sneeuwbergen als baken. Het Montenegro der Cook-toeristen is bedekt met dor kreupelhout, maar hier liep het spoor door diepe beukenwouden en rond sierlijke groepen berken heen. En dikwijls waadde ik kniediep door bloemen. De scherpe spits van de Durmitor scheen de wolken in flarden te snijden, met het treurige gevolg, dat er af en toe plasregens uit neerplensden. Daar het inde Balkan ’s zomers zelden regent, was ik enkel met een broek, een hemd, een windjacke en bergschoenen bekleed, zodat ik als een verdronken hond in het eerste bergdorp Zjabljak aankwam. De herberg bestond ujt een houten optrekje met twee heldere bedden, en een grote keuken, waar de herbergier, zijn vrouw en de dienstmaagd bij de haard zwarte koffie zaten te slurpen. Totdat het weer zou opklaren, nam ik in deze houten hut, 1500 meter hoog gelegen, mijn intrek voor de kolossale som van 80 cent per dag, alles inbegrepen. Ik zei dadelijk dat ik niet betalen kon, enkel het geld later sturen. Maar dat deed er niet toe. De herbergier liet mij op handslag beloven, dat ik de rekening per postwissel vanuit Sarajevo zou voldoen; en daarmee was de zaak afgelopen. Een Montenegrijn vertrouwt on voorwaardelijk het gegeven woord. Maar wordt dit geschonden, dan acht hij zich ook gerechtigd den woordbreker zonder pardon neer te schieten...! Hier was het oer-Montenegro. Het dorp telde vijfhonderd inwoners, en van de honderd volwassen mannen waren er vijftig langer dan 1 meter 90. Ze hadden allen prachtige, scherpgesneden koppen, waren eerlijk en arm, wat driftig en ruw, en werkten zo weinig mogelijk. Eeuwen lang was de man enkel krijger, en de vrouw, die vroeg verschrompelt, deed alle arbeid. En het kost een deel van de Montenegrijnse jeugd veel moeite, deze heroïeke houding, die tot niets meer dient, op te geven en zich aan het moderne leven aan te passen. Geen Montenegrijn die gebogen gaat; ze lopen zó fier rechtop, dat ze eerder achteroverhellen, ook al rammelen ze van de honger. Dit gebeurt dikwijls: het dagelijkse deel van duizenden Montenegrijnen is enkel een korst brood met melk en een hompje kaas. Door eeuwen honger en worsteling zijn hun behoeften op voor ons onverklaarbare wijze ingekrompen. Honderden boeren gaan met het donker naar bed, omdat ze geen petroleum kunnen kopen. Elk dorp heeft zijn smokkelaar, die koffie en tabak in lange nachtelijke reizen van ovéf de grenzen haalt. Ineen cirkel van twee dagreizen rond Zjabljak was geen dokter of kraamvrouw. Wie ziek is, geneest zichzelf of sterft. De kindersterfte is schrikbarend, en door de eeuwige ondervoeding is er veel tuberculose onder de jeugd. Maar de meeste bergbewoners, die zonder ongelukken volwassen worden, halen vervolgens de tachtig zonder ziek geweest te zijn. De enige dikke Montenegrijn, dien ik aantrof, was de monnik uiteen rijk klooster. De rest is arm, taai en mager. En ongelooflijk gastvrij.' Ik bezocht geen huis, of men gaf mij een bonk schapenkaas mee. Eens, toen ik door een ravijn toog, hoorde ik hoog boven

krantenpapier een cigaret van smokkeltabak, want papier en tabak van het staatsmonopolie kan hij niet betalen. Hij schuift zijn kapje scheef om zich achter het oor te krabben en zegt dan langzaam: Ik zal je een zeer oud verhaal vertellen, en dan zal je het begrijpen. Tweehonderd jaar geleden kwam de Turkse stadhouder van Roemelië met een groot leger naar Tsrnagora (de Slavische benaming voor Montenegro), om opnieuw te pogen ons land te onderwerpen. Maar vóór de aanval nodigde hij eerst de stamhoofden tot een onderhandeling uit. Hij had verwacht, halve wilden te zien te krijgen en was hogelijk verbaasd over hun hoofse manieren en prachtige dracht. Hij sprak hen welwillend toe en poogde hen te overreden, hun bergwildernis te verlaten en zich aan den Sultan te onderwerpen; hij zou hun een rijke provincie schenken, waai zij als heren zouden kunnen leven. Maarde oudste der stamhoofden antwoordde hem: „Uw woorden zijn indrukwekkend, o raadsheer van den Sultan, maar niet voor ons. Want wij

Ondanks de pracht van de ondergaande zon op de verre sneeuwbergen ben ik een pietsje bedroefd: want dit is mijn laatste avond, in Montenegro, een land dat mij snel lief geworden is. Morgen reeds zal ik in Bosnië zijn, de Mohammedaanse provincie van Joegoslavië, waar het grootste deel van de bevolking nog de Islam aanhangt. Voor deze laatste avond heb ik gastvrijheid gevonden ineen klein boerderijtje, juist op de rand van de diepe Tarakloof, die het land der Zwarte, Bergen van Bosnië scheidt. Aan deze kant van de kloof heerst nog het kruis, dat met goud bovenop het zwarte kapje van eiken Montenegrijn geborduurd staat. In deze tegenstelling: kruis en halve maan, ligt meteen de hele geschiedenis besloten van dit kleine, heldhaftige land. Terwijl de vrouw koffie kookt inde as van het vuur, dat midden op de lemen vloer brandt, vraag ik aan mijn gastheer: Wat is eigenlijk Montenegro en waarom houden jullie zoveel van dit arme kale land? De oude boer rolt rustig ineen reepje

mij schreeuwen. Ik sloeg er geen acht op, tot een klein kwartier later een grote Montenegrijn mij na kwam rennen. Ik moest met hem mee terug, of ik wilde of niet, want, zeide hij, dit was de tweede maal, dat ik zijn huis voorbijging zonder binnen te treden, en dat was een zware belediging... Eenmaal binnen zijn hut, die pyramidevormig uit geschilde sparren was opgebouwd, met mos, takken en leem daartussen, bood hij mij met zwier en trots een kom melk aan. lets anders had hij niet in „huis”. Ondanks de wijze waarschuwingen vaneen ouden boer beklom ik in m’n eentje de Durmitor. Alleen de laatste paar uren, toen ik eenzaam langs een steile graat moest klimmen, die duizend meter diep naar beneden viel, waren moeilijk. Maar toen ik terugkwam, wilde de oude niet geloven, dat ik alleen op de top geweest was. Hij keek mij wantrouwend aan, trok alle rimpels rond zijn adelaarsogen samen en bitste mij boos af. De dag daarna was „Vidovdan”, het grote onafhankelijkheidsfeest der Zuidslaven. Oorspronkelijk was het een treurdag, want op die dag verloren de Zuidslaven in 1389 hun vrijheid. Het landvolk inde vlakte onderwierp zich aan de Turken, maarde edelen vluchtten naar de moeilijk toegankelijke Zwarte Bergen, waar zij ineen gevecht, dat eeuwen duurde, hun onafhankelijkheid bewaarden. De beroemde Engelse staatsman Gladstone heeft eens gezegd, dat hij de grootste krijgsroem uit de geschiedenis niet aan Alexander den Groten of Napoleon toe wilde kennen, noch aan de Grieken, die bij Thermopylae vochten, maar aan Montenegro. Want dit kleinste land van Europa met zijn honderdduizend inwoners braveerde vijf eeuwen lang het reusachtige Turkse rijk. „Vidovdan” is de dag der paardenrennen. Heel Hoog-Montenegro trekt naar de vlakte van Njeguwoda, waar de beste ruiters van het land naar de prijs dingen. Gans Zjabljak toog te paard naar het volksfeest. Voor mij was er wel een pony, maar geen zadel, zodat ik los op een deken moest rijden. Onderweg haalden wij in galop den ouden, ongelovigen boer in. Hij zette zijn grote schimmel aan, kwam naast mij en gaf mij een krachtige klap op de schouder. Nu geloof ik je! riep hij mij toe, want wanneer je zonder zadel kunt galopperen, dan ben je ook op onze berg geweest! Zo is de gemoedsgesteldheid der ouderwetse Montenegrijnen. Voor hen (Vervolg zie pag. 30;.

■BaBEKPf. T *

Dit is de Durmitor, Montenegro's I legendarische berg

Montenegrijnse familie in feestkleed |

ljkw3i

Inde hoge weiden aan de voet van de Durmitor speelt de eenzame herder op zijn dubbele fluit