is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 33, 1871, no 3361, 03-09-1871

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3361.

beschouwd, en daaruit het bewijs van de strafbare feitelijkheid heeft geput;

O., dat zoodanige bewijs-constructie allezins is overeenkomstig de : wet, en dat niet iedere omstandigheid afzonderlijk door meer dan : één getuige behoeft te worden bewezen;

0. dat mitsdien het eerste middel in zijne beide deelen is onge-

grond;

Ten aanzien van het tweede middel van cassatie, luidende : schending van art. 443, n°. 3, Strafvord., in verband met art. 1 van dat wetboek, op grond , dat het arrest a quo de bij het eerste middel bedoelde oneerbaarheid onbeslist laat en desniettemin eene aanwijzing van schuld put uit omstandigheden (tle medewerking van A. Blaak), die alleen bij die oneerbaarheid zoude hebben plaats gehad; 2". op grond , dat het Hof eene aanwijzing put uit de persoonlijkheid van req. en getuigen, eene bron van aanwijzingen, bij art. 443 Strafvord. niet vermeld; 3°. dat daarbij op nieuw stilzwijgend het geweld wordt aangenomen en daarbij van eene reeds gebezigde aanwijzing derhalve op nieuw gebruik wordt gemaakt;

0. , dat dit middel betreft het bewijs , dat de feitelijkheid tegen de eerbaarheid is uitgevoerd en ondernomen met gewelddadigheid , welk bewijs wordt vermeld in de zevende en achtste considerantia van het arrest, en daaronder ook wordt vermeld 's Hofs eigen bevinding , dat B. Noordijk tegenover den besch. en den getuige A. Blaak niet alleen gezamenlijk, maar ook tegenover ieder dezer beiden afzonderlijk beschouwd, is eene zeer zwakke tegenover krachtvoilen, en die eigen bevinding van het Hof mede heeft gestrekt tot bewijs der aanwijzing van het gepleegde geweld;

0., dat art. 443 , n". 3 , voormeld toelaat het bestaan van aanwijzingen te bewijzen door persoonlijk onderzoek of bezigtiging, bij den regter gedaan;

0., dat de vergelijking van de persoonlijkheid der mishandelde met die van den besch. en den getuige A. Blaak , door den regter gedaan ter audientie, is een persoonlijk onderzoek en bezigtiging, en alzoo valt onder de termen van art. 443 , n». 3, al is het, dat het Hof daarvoor de uitdrukking van eigen bevinding heeft gebezigd;

O., dat, blijkens den geheelen zamenhang van het arrest, bovengemelde aanwijzing niet gediend heeft tot bewijs van de hier bedoelde daad van oneerbaarheid in het bijzonder, maar tot nadere staving van buitendien door het Hof reeds aangenomen wettig bewijs, dat de feitelijkheid tegen de eerbaarheid, in haar geheel, was ondernomen en uitgevoerd met gewelddadigheid;

O., dat de kracht van het bewijs der hier besproken aanwijzing bij art. 444 eod. is overgelaten aan den judex facti, al is het, dat die mede steunt op de persoonlijkheid-ook van A. Blaak, die niet als mededader, noch als medepligtige, maar als getuige voor het Hof is verschenen ;

0., dat bij gevolg ook het tweede middel van cassatie is ongegrond ;

Ten aanzien van het derde en laatste middel van cassatie, luidende: schending van art. 443, in verband met art. 1, Strafvord., op grond, dat als aanwijzing sub d is gebruik gemaakt van een beweren van den besch., dat eerder tot eene ontkentenis dan tot erkentenis nadert; en dat die aanwijzing derhalve niet is verkregen uit een der vier bronnen, daarvoor bij het aangehaalde artikel opgegeveu ;

O., dat niet het beweren van den besch., dat hij ten gevolge van dronkenschap niet zou weten wat er gebeurd of door hem gedaau is, als aanwijzing van schuld bij het arrest is aangenomen , maar de omstandigheid, dat dit beweren geheel onaannemelijk is bevonden , op grond van daadzaken, gebleken uit beëedigde getuigenissen , en gedeeltelijk ook uit erkentenis van den besch. zeiven, zoodat ook deze aanwijzing berust op wettig bewijsmiddel;

0. dat bij gevolg ook het derde cassatie-middel is ongegrond ;

Verwerpt enz.

Zitting van den 11 Julij 1871.

Memorie van cassatie. — Gereqüireerde. — Plaatselijke verordening. — Herberg. — Zondagswet.

Kan op eene memorie van cassatie, ingediend ook door den gereqüireerde , doch die zich niet tevens in cassatie heeft voorzien, worden gelet anders dan voor zoover de middelen eenstemmig zijn met die van den requirant ? — Neen.

Kan eene plaatselijke verordening zeer goed naast de Zondagswet bevatten verbodsbepalingen o. a. nopens het gedurende den tijd der godsdienstoefening op Zondag en Christelijke feestdagen ontvangen van gelagmakende personen in tapperijen enz.?— Ja.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Sommelsdijk is req. van cassatie tegen een vonnis van den kantonregter te Sommelsdijk van den 28 April 1871, waarbij J. Both Pz., oud een-en-vijftig jaren, tapper, geboren en wonende te Dirksland, is schuldig verklaard aan het als tapper in de gemeente Dirksland op een Zondag ontvangen in zijne tapperij van gelagmakende personen vóór het eindigen der laatste openbare godsdienstoefening op dien dag; en, met toepassing der artt. 198 en 244 der algemeene politieverordening van Dirksland, afgekondigd den 13 Aug. 1856 , art. 52 Strafregt, en art. 1 der wet van den 22 April !864 (Stbl. n8. 29), is veroordeeld tot eene geldboete van f 10 en in de kosten van het proces , bij lijfsdwang op hein te verhalen, met bepaling, dat, zoo de veroordeelde in gebreke blijft de opgelegde boete te betalen binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, deze zal worden vervangen door eene gevangenis-straf van drie dagen.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Kist het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! Art. 198 der politie-verordening van Dirksland, gearresteerd den 26 Julij 1856 en afgekondigd den 13 Aug. daaraanvolgende, bepaalt, dat op Zon- en feestdagen de houders van koffijhuizen, tapperijen, slijterijen, kroegen of dergelijke huizen die huizen niet mogen openen, noch gelagmakende personen ontvangen , dan na het eindigen der laatste openbare godsdienstoefening op die dagen , onverminderd het bepaalde bij de wet van 1 Maart 1815 {Stbl. n". 21). Art. 244 van die verordening bedreigt tegen de overtreding van art. 198 eene geldboete van ƒ 10.

Bij het beklaagde vonnis is als bewezen aangenomen, dat de gereq. op Zondag den 26 Febr. jl., des voormiddags omstreeks kwartier na elf ure , gelagmakende personen in zijne tapperij heeft ontvangen, en dat dien morgen geene openbare godsdienstoefening in de gemeente Dirksland had plaats gevonden , doch er des middags voor het laatst op dien dag moest worden en is gehouden openbare godsdienstoefening in de Hervormde kerk. Op grond van voormelde artikelen heeft de kantonregter den gereq. veroordeeld.

Tegen dit vonnis heeft zich de ambtenaar van het Openb. Min. in cassatie voorzien en heeft bij memorie als cassatie-middel voorgesteld: schending van den geest der Zondagswet van 1 Maart 1815 (Stbl. n<. 21) en van den inhoud van art. 3 dier wet, door de bepaling van art. 198 der verordening van algemeene politie voor de gemeente Dirksland toe te passen.

Bij de stukken vindt men ook eene aan dezen Raad gerigte memorie van den gereq., waarbij hij mededeelt, dat hij zich ook tegen het

vonnis in cassatie heeft voorzien en twee middelen voordraagt. Van deze voorziening blijkt echter niets; en nu wil ik een gereq. in cassatie niet het regt ontzeggen um ook eene memorie in te dienen , gelijk dit meermalen door den Hoogen Raad is toegelaten , maar ik vermeen, dat door hem geene afzonderlijke cassatie-middelen mogen worden voorgesteld, zoodat op de memorie, voor zooverre daarbij andere grieven worden aangevoerd dan die, welke het Openb. Min. heeft, m. i. geen acht mag geslagen worden.

Daar beide memoriën dezelfde strekking hebben en de Hooge Raad ook ambtshalve gronden van cassatie kan aannemen , doet dit echter in casu weinig ter zake. Wat hot middel betreft, bij de memorie van liet Openb. Min. voorgesteld, komt het mij voor, dat dit, blijkens de ontwikkeling , eenigzins anders geformuleerd had moeten worden. Of de geest van eene wet geschonden is , kan toch m. i. moeijelijk een punt van onderzoek in cassatie uitmaken; maar bij de memorie wordt eigenlijk geklaagd over verkeerde toepassing van artt. 198 en 244 der genoemde verordening en schending der artt. 150 en 151 der gemeentewet, in verband met art. 3 der wet van 1 Maart 1815 (Stbl. n". 21).

Art. 150 der gemeentewet bepaalt, dat de plaatselijke verordeningen niet treden in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is.

Dit is hier geschied, beweert men. Het onderwerp der politie over de Zondagsviering behoort bij den Staat en is dus onttrokken aan de gemeentebesturen, daar de wet van 1815 alles regelt wat de Zondagsviering betreft. Het onderwerp is wel niet absoluut uitgesloten van de bevoegdheid der gemeentebesturen , maar behoort niet tot de competentie van den gemeentewetgever, omdat het Hooger Bestuur het regelt.

Het is wel mogelijk; maar ik acht mij niet bevoegd het te onderzoeken , evenmin als de regter daardoor verhiuderd kan zijn om art. 198 der onderwerpelijke verordening toe te passen, daar het tweede lid van art. 150 gemeentewet zegt, dat, bij twijfel, of eene verordening treedt in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is, zij verbindt, totdat art. 153 is toegepast, dat is, totdat zij door den Koning

is geschorst ot vernietigd. i>e vraag, ot eene gemeenteverordening ai dan niet getreden is in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is, staat dus niet ter beoordeeling van den regter, maar alleen van den Koning. De bepaling van lid 2 van het artikel is een bepaald gebod voor de gemeenteraden en de regterlijke magt om in het algemeen zoodanige verordening te blijven toepassen, totdat zij door den Koning is geschorst of vernietigd. Alleen het administratief gezag heeft te beslissen, wat tot het rijks- of provinciaal belang behoort; en is dat gezag van oordeel, dat eene plaatselijke verordening daarin is getreden, dan behoort het art. 153'toe te passen. Dat dit de bedoeling des wetgevers was met gemelde bepaling, blijkt onwedersprekelijk uit hetgeen de memorie van toelichting daarbij aanteekende (Francken , Gemeentewet, Boissevain , Gemeentewet, op art. 150). aet doel der tweede zinsnede is, te verhoeden, dat de burgerlijke regter beslisse, of de plaatselijke wetgever, zonder dat deze gezegd kunne worden bepaaldelijk tegen de voorschriften eener wet te hebben gezondigd, verder zij gegaan dan zijne bevoegdheid tot regeling reikt. Wat rijksof huishoudelijk gemeentebelang zij , heeft de regter niet te beoordeelen.

Nu heeft het administratief' gezag wel eens aangenomen , dat een onderwerp, zoodra het door den algemeenen of provincialen wetgever wordt geregeld, moet geacht worden rijks- of provinciaal belang te zijn, en dus aan de regeling bij plaatselijke verordening onttrokken, zoo als blijkt uit de Koninklijke besluiten, waarbij verordeningen of gedeelten daarvan werden vernietigd, aangehaald bij van ümden , vervolg op deel I der Regtspraak van Léon , X, bl. 320; doch dergelijke vernietiging heeft hier geen plaats gehad, misschien wel omdat de Hooge Regering op andere tijden weder de gemeentebesturen heeft bevoegd geacht , om ten aanzien van onderwerpen , die naar hunnen aard binnen den kring hunner bevoegdheid vallen, doch welke reeds bij de wet of provinciale reglementen zijn geregeld, nadere hiermede niet strijdende en daarin niet opgenomen verordeningen te maken, in verband met de plaatselijke omstandigheden (van Emden, ibid., bl. 321). En het verdient opmerking, dat de wet van 1 .Maart 1815 naast zich provinciale of plaatselijke reglementen omtrent de Zondagsviering bestaanbaar acht, ofschoon, volgens den considerans van de wet, de bedoeling was om, door eenparige en voor de geheele uitgestrektheid der Vereenigde Nederlanden algemeen verbindende maatregelen, de pligtmatige viering van den dag des Heeren te verzekeren. Aan het slot der wet toch worden verklaard vervallen niet alle omtrent dit punt bestaande verordeningen, maar alle daarmede niet overeenkomstige provinciale of plaatselijke reglementen en inrigtingen. De niet daarmede strijdende bleven dus met en nevens de Zondagswet bestaan.

Moe dit zij, de bepaling van art. 198 der onderwerpelijke verordening is niet geschorst of vernietigd en mag dus niet door den regter, onder voorwendsel, dat die zou treden in een algemeen rijksbelang , buiten toepassing worden gelaten.

Ook uwe jurisprudentie stemt hiermede overeen. Men zie de arresten van 26 Junij 1861 (v. o. Honert, G. Z., d. 18, bl. 293), 11 Febr. 1862 (ibid., d. 19, bl. 66), 3 Febr. 1863 (ibid., d. 20, bl. 30).

Nu blijft de vraag over: staat art. 15 i der gemeentewet aan de toepassing van art. 198 der plaatselijke verordening van Dirksland in den weg ? Dat artikel luidt: »De bepalingen van plaatselijke verordeningen, in wier onderwerp door eene wet, eene algemeene verordening van inwendig bestuur of eene provinciale verordening wordt voorzien , houden van regtswege op te gelden».

De wetsbepaling, die in het onderwerp der verordening zou voorzien , zoude zijn art. 3 tier wet van 1 Maart 1815 (Stbl. n". 21), voorschrijvende, dat gedurende den tijd, voor de openbare godsdienstoefening bestemd, de deuren der herbergen en andere plaatsen, waar drank verkocht wordt, voor zoover die binnen den kring der gebouwen liggen, zullen gesloten zijn, en ook gedurende dien tijd geenerhande spelen, hetzij kolven, balslaan of dergelijke mogen plaats hebben.

Nu stel ik op den voorgrond, dat er geenerlei strijd bestaat tusschen art. 198 der verordening en gemeld art. 3, dat de verordening niets geoorloofd verklaart wat bij de wet is verboden, of verbiedt hetgeen uitdrukkelijk bij de wet is geoorloofd verklaard, maar slechts de wet uitbreidt en wat daarbij niet verboden is nader regelt. De verordening eerbiedigt integendeel uitdrukkelijk hetgeen door den algemeenen wet gever is voorgeschreven , want art. 198 geeft zijn voorschrift slechts blijkens het slot: »onverminderd het bepaalde bij de wet van I Maart 1815 (Stbl. n". 21)".

Is nu bij de verordening eene bepaling gemaakt ten aanzien van een onderwerp, waaromtrent reeds bij de wet is voorzien? Ik geloof het niet, omdat ik vermeen , dat het woord onderwerp hier in een engen zin moet opgevat worden. Bij de memorie wordt reeds toegegeven, dat dergelijke suppletie van onderwerpen, bereids door den algemeenen of provincialen wetgever geregeld, als hier plaats had, bij plaatselijke verordening, in het algemeen aan de gemeentebesturen vrijstaat. Ook de Hooge Regering heeft, zoo als wij zagen , menigmaal daarin geene bezwaren gezien, zelfs met het oog op de Zondagswet, waaromtrent men vergelijke het aangeteekende in eene verhandeling van den heer Karnebeek, in de Nieuwe Bijdragen v. Regtsgel. en Wetg., VII, 1857, bl. 30, bijzonder bl. 35, waar sprake was van eene plaatselijke verordening, waarbij het den geheelen Zondag (en niet alleen gedurende den tijd, voor de openbare godsdienstoefening bestemd) verboden werd geruchtmakende spelen te maken enz. ; en de Hooge Raad deelde die zienswijze explicite en implicite. Ik verwijs vooral naar het arrest van 11 Jan. 1859 (v. d. Honert, G. Z., d. 16, bl. 22, bijzonder 34), voorts o. a. naar het reeds vermelde arrest van

3 Febr. 1863, het arrest van 1 Oct. 1867 (v. d. Honert, G. Z„ d. 23, bl. 262) en van 19 Jan. 1869 (v. d. Honert, G. Z., d. 24, bl. 238).

Art. 151 der gemeentewet mist hier m. i. reeds toepassing, omdat do wet niet voorziet in het onderwerp van de bepaling der plaatselijke verordening. Het feit, zoo als het is bewezen verklaard toch, was niet strafbaar volgens de wet, omdat op het uur, dat er getapt werd, geene openbare godsdienstoefening gehouden werd , terwijl er ook van geen gesloten houden van deuren in de dagvaarding sprake was. Maar al wil men het woord onderwerp van art. 15 l ook in eene meer ruime beteekenis opvatten , dan nog is het artikel in casu niet toepasselijk , omdat de wet is anterieur aan de verordening en het artikel alleen ziet op het geval, dat bij eene latere verordening eens hoogeren wetgevers wordt voorzien in het onderwerp der bepalingen van eene reeds bestaande plaatselijke verordening (conf. van Emden, 11., bl. 325).

De Hooge Raad heeft vroeger eene andere uitlegging aan het artikel gegeven en was van oordeel, dat het ook toegepast kon worden in een geval, waarin de regeling door hooger gezag anterieur was aan de plaatselijke verordening en wel bij het arrest, ook aangehaald in de memorie van den gereq., van 15 Mei 1855 (v. d. Honert, Strafregt , van dat jaar, I, bl. 171). Deze uitspraak was reeds toen niet in overeenstemming met de opvatting van het Openb. Min.

M et een beroep op de letter van het artikel, de geschiedenis der bepaling en de verwantschap met art. 142 der provinciale wet, uit éénen geest van wetgeving ontsproten, werd deze beslissing later krachtig bestreden door mijnen geachten ambtgenoot Karseboom, bij de conclusie, voorafgaande het arrest van 11 Jan. 1859, reeds door mij aangehaald, welke conclusie in de Verzameling van v. d. Honert daarbij is afgedrukt, zonder dat echter toen de Hooge Raad van zijne jurisprudentie afweek. Bij de mede reeds aangehaalde arresten van 11 Febr. 1 862 en 3 Febr. 1863 is de Hooge Raad echter op die jurisprudentie teruggekomen ; en met die latere jurisprudentie kan ik mij volkomen vereenigen op de m. i. geheel afdoende gronden , door den heer Kakseboom, ter plaatse voormeld, uiteengezet, en waarnaar ik, om niet in noodelooze herhaling te vervallen , de vrijheid neem te verwijzen.

Ik acht dus de beslissing, bij het vonnis a quo gegeven , geheel juist, en heb de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot

verwerping uer voorziening, met veroorileelmg van den gereq. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in: schending van den geest der Zondagswet van den 1 Maart 1815 (Stbl. n". 21) en van den inhoud van art. 3 dier wet, door de bepaling van art. 198 der verordening van algemeene politie voor de gemeente Dirksland toe te passen ;

Overwegende, dat ook de gereq. eene memorie van cassatie heeft ingediend, waarbij twee middelen van cassatie worden ontwikkeld; dat echter niet blijkt, dat ook hij zich tegen het bestreden vonnis in cassatie heeft voorzien, zoodat op de door hem voorgedragen middelen , voor zoover zij van het door het Openb. Min. voorgedragen cassatie-middel mogten verschillen, geen acht kan worden geslagen ;

0., dat bij het door den req. bij memorie voorgedragen middel van cassatie wordt beweerd, dat de artt. 198 en 244 der verordening van algemeene politie voor de gemeente Dirksland bij het bestreden vonnis verkeerd zouden zijn toegepast en art. 3 der wet van den 1 Maart 1815 {Stbl. n". 21) zou zijn geschonden, omdat de bedoeling der Zondagswet juist was de viering der Zon- en feestdagen door eenparige, voor het geheele Rijk algemeen werkende maatregelen te verzekeren, en het bij die wet geregelde onderwerp bij het Rijk behoort en onttrokken is aan de gemeentebesturen , weshalve de gemeentewetgever bij de toegepaste verordening getreden zou zijn in een rijksbelang , in strijd met art. l 50 der gemeentewet;

0. echter, dat de vraag , of de toegepaste verordening al dan niet betreft een rijks- of provinciaal belang, ingevolge de artt. 150 en 153 der gemeentewet, niet staat ter beoordeeling van den regter, maar alleen aan het oordeel des Konings onderworpen is;

0., dat derhalve aan de in deze toegepaste verordening, die, wat de vormen betreft, aan de wettelijke vereischten voldoet, door den regter alleen dan verbindende kracht zoude kunnen worden ontzegd , indien hare bepalingen zoodanig in strijd mogten zijn met eene wet, algemeenen maatregel van inwendig bestuur of provinciale verordening, dat deze laatsten daardoor hunne uitwerking zouden missen, in welk geval de bepalingen der gemeente-verordening door den regter buiten toepassing zouden moeten worden gelaten, omdat de regter volgens de wet moet regt spreken, maar aan geene van den 1 ageren wetgever uitgegane verordening de kracht kan gegeven zijn om de verordeningen van den hoogeren wetgever buiten werking te stellen;

0., dat echter in deze geen zoodanige strijd tusschen art. 198 der toegepaste gemeenteverordening en art. 3 der Zondagswet bestaat;

0. toch , dat bij die verordening niets geoorloofd wordt verklaard hetgeen de wet had verboden, of verboden wordt hetgeen de wet had geoorloofd verklaard ; maar dat daarbij alleen iets wordt verboden , hetgeen die wet niet had verboden en waartoe zij ook evenmin verlof gegeven had;

0. immers, dat bij de Zondagswet de regeling van de Zon- en feestdagen niet uitsluitend aan den rijks-wetgever wordt voorbehouden, vermits de wet ook plaatselijke en andere reglementen omtrent dat onderwerp nevens zich bestaanbaar acht, daar zij niet alle dat punt betreffende verordeningen vervallen verklaart, maar alleen die, welke daarmede niet overeenkomen, zoodat andere verordeningen betreffende dat onderwerp , mits niet met die wet strijdende, nevens die wet kunnen blijven bestaan, indien zij vroeger zijn uitgevaardigd, en nieuwe kunnen worden vastgesteld, indien ae wetgever in rijks-, provinciaal- of gemeentebelang zulks noodig mogt oordeelen;

0; dat mitsdien de voorschriften van art. 3 van gemelde wet en van art. 198 der verordening zeer goed nevens elkander bestaanbaar zijn, geheel overeenkomstig de bedoeling der gemeente-verordening, die uitdrukkelijk aan art. 198 toevoegt de woorden : //onverminderd het bepaalde bij de wet van den 1 Maart 1815 (Stbl. n°. 21;»;

G., dat de kantonregter derhalve, door art. 198, j". alt. 244 van gemelde verordening in deze toe te passen, noch de wet van 11 Maart 1815(^6/. iv'. 21), noch eenige andere wet heeft geschonden, en de voorziening in cassatie mitsdien is ongegrond;

Verwerpt de voorziening in cassatie en veroordeelt den gereq. in de kosten.

Zitting van den 1 Augustus 1871.

Vrijspraak. Nhst-ontvankelijkheid 'n cassatie. — VIotjeven»

Feitelijke en gewblddaimuv., wederstand met een wapen. — Slag. — Qualificatie.

Vordert de wet, dat de regter reden geve, waarom hij een f^ niet wettig en overtuigend bewezen acht, waaromtrent door getuigen is verklaardi — Neen.

Zijn niet het aan iemand toebrengen van een slag met eene vuurtang en het op de borst slaan daden, die te begrijpen zijn onder het woord frapper, bij art. 230, in verband mei 'art. 228, Strafregt als afzonderlijk wanbedrijf strafbaar aesteld.- en heeft alzoo de