is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 35, 1872, no 3508, 17-10-1872

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diefstal, begaan door een veldwachter, hem bij de dagvaarding en ter teregtzitting ten laste gelegd; en dien ten gevolde, op grond van de artt. 203 , 227, 207 en 216 Strafvord., artt. 401 , 462 en 52 Strafregt, veroordeeld tot gevangenzetting in een huis van correctie voor den tijd van vijf jaren en ééne maand, en in de kosten van het geding, begroot ter somma van f 4.21, des noods te verhalen bij lijfsdwang, met last van teruggave van de in deze zaak als overtuigings-stuk ken gediend hebbende telhouten aan den eigenaar of andere regthebbenden;

Gezien de acte van appel van 7 Aug. jl., waarbij bekl., en die van den 10 dierzelfde maand, waarbij de officier van justitie zijn gekomen in hooger beroep;

Overwegende, dat de bekl. ten gevolge van die voorziening is gedagvaard als in eerste instantie , om te verschijnen voor dit Hof, ten einde gevonnisd te worden ter zake: "hij den 9 Junij II., ten nadeele van den arbeider R. Dekker, uit diens ongesloten schuur, staande bij zijne woning op het Aardsche veld onder Assen , arglistig heeft weggenomen eenig telhout, althans dat hout in zijne woning heeft opgenomen, wetende, dat het gestolen was;«

Ö., dat het ab utraque parte ingestelde hooger beroep is gerigt tegen het vonnis in zijn geheel ; dat de zaak dien-overeenkomstig is aangebragt bij dagvaarding, houdende imputatie van het feit, zoo als dit was geformuleerd bij dagvaarding, in eersten aanleg, zonder meer;

O., dat in deze instantie de teregtstelling van den bekl. uitsluitend is beperkt tot het in prima bij dagvaarding ten laste gelegde feit, tenzij hij ter teregtzitting van dit Hof door het Openb. Min. ware opmerkzaam gemaakt op voormelde zijne qualiteit van onbezoldigd rijksveldwachter , welke hoedanigheid in eersten aanleg, teregt of ten onregte , is aangemerkt als eene verzwarende omstandigheid , nadat de officier van justitie den bekl. in den loop van het onderzoek daarop opmerkzaam had gemaakt;

0., dat het gebruik door dien ambtenaar, in eersten aanleg gemaakt van de bevoegdheid , het Openb. Min. bij art. 203 Strafvord. gegeven , wanneer een onvoorwaardelijk appel is ingesteld, niet dit regtsgevolg heeft, dat die , in voege voormeld, ter cognitie van den eersten regter gebragte omstandigheid moet beschouwd worden een integrerend deel uit te maken van het bij dagvaarding te laste gelegde feit, te dien effecte, dat het Hof kan geacht worden te zijn gesaisisseerd èn van het feit, in de dagvaarding omschreven, èn van de verzwarende omstandigheid, in den loop van het geding voor den eersten regter daaraan toegevoegd ;

O., dat de wetgever in art. 223 Strafvord. tot regel heeft gesteld, dat de dagvaarding, op straffe van nietigheid, zal bevatten eene opgave van het feit; dat hij op dien regel maar ééne uitzondering heeft toegelaten in art. 203, litt. c, welke exceptie is strictissimae interpretationis; doch dat er geene wetsbepaling bestaat, waarbij is voorgeschreven, dat door die waarschuwing in prima de verzwarende omstandigheid het primitief ten laste gelegde feit door alle verdere instantiën zal volgen , ook dan , wanneer die omstandigheid in appel niet is vermeld , terwijl het Openb. Min. in hooger beroep evenzeer de bevoegdheid had den bekl. in tweede instantie daarop op gelijke wijze indachtig te maken;

O., dat, doordien dit niet is gedaan in appel , de bekl. in deze instantie fado is gesteld buiten het bereik van de op hem, krachtens art. 462 Strafregt , in prima toegepaste strafverzwaring, en het Hof niet op legale wijze van bovengenoemde omstandigheid is gesaisisseerd ; bij gevolg het vonnis, waarvan beroep, behoort te worden vernietigd en op nieuw behoort te worden regt gedaan op het feit, zoo als dat is omschreven bij de acte van dagvaarding;

O., dat het wettig bewijs voor het feit, aan den bekl. bij dagvaarding in de eerste plaats ten laste gelegd , is verkregen door de hierna volgende, door de getuigen ter teregtzitting verklaarde daadzaken, beschouwd, zoowel in hun onderling verband en zamenhang, als in verband met het misdrijf zelf;

G., dat door den getuige Dekker is verklaard , dat hij in de ongesloten schuur bij zijne woning op het Aardsche veld onder Assen eene hoeveelheid telhout voorhanden had, welke hij, op het vermoeden, dat daarvan zoude gestolen worden, vermits hem kort te voren eenige planken waren ontvreemd , in den avond van Donderdag 8 .Junij 11., had gemerkt eenige door krassen met een spijker aan de uiteinden over het doorgezaagd gedeelte en overigens door er vloeibare kalk over uit te storten; dat hij de doorgezaagde stukken alle heeft geteld en dat er 881 telhouten waren aanwezig; dat hij, in den morgen van Vrijdag den 9 Junij 11., eenige van die telhonten uit die schuur vermist, dezelve daarop andermaal heeft geteld en er 2) stuks te min bevonden heeft; dat hij vervolgens bij eenige van zijne buren onderzoek heeft gedaan en zoo ook in de woning van den bekl., alwaar hij eenige van die telhouten , gemerkt als voren , heeft gevonden , j waarvan enkele in den vuurpot aan de einden brandende waren ; dat getuige, die herkennende als aan hem ontvreemd, heeft vertoond, ten ; ongeveer half zeven in den morgen, aan zijne buren Philips en vrouw, | welke telhouten hij bij het doen zijner klagte heeft overgegeven aan den brigadier-majoor van Maren , die ze dadelijk heeft in beslag! genomen ;

G., dat de getuigen Meerman en van Dijk hebben verklaard, inden avond van Donderdag 8 Junij 11. te hebben gezien, dat Dekker zijne in de schuur aanwezige telhouten heeft voorzien van opgemelde merken ; dat laatstgenoemde van Dijk nog bovendien heeft verklaard, dat getuige Dekker in den morgen van 9 Junij 11. bij hem is gekomen met eenige telhouten , gemerkt als opgegeven , zeggende uie in de woning van den bekl. te hebben gevonden, waarna zij zich hebben begeven naar den brigadier-majoor, door wien de telhouten zijn overgenomen ; terwijl eindelijk alle de genoemde getuigen de ten processe als stukken van overtuiging aanwezige telhouten hebben herkend als geheel overeenkomstig, wat vorm, soort en merkteekenen betreft, met die , waarvan zij hebben verklaard;

G., dat door den getuige Meerman nog bovendien is verklaard: dat hij, in tle nabijheid van Dekker wonende, in den vroegen morgen van Vrydag 9 Junij jl., ten omstreeks drie uur, den bekl. heeft gezien , gaande langs het huis van hem getuige naar den kant van de schuur van Dekker, waarin het hout was opgeslagen ; dat hij niet anders dacht aanvankelijk, dan dat de bekl. naar eene ddar aanwezige waterpomp ging, daar hij anders op dat vroege uur d£ar ter plaatse niets anders kon te verrigten hebben , naar hij meende; doch dat hij weldra van dat denkbeeld terugkwam, daar hij de pomp toen niet heeft hooren gebruiken , hetgeen hij anders bij het pompen had moeten hooren , bij welke verklaring de getuide nog de opmerking heeft gevoegd, dat de bekl. niet noodig had zijne woning voorbij te gaan, om zich elders te begeven , aangezien er een pad was , loopende regtstreeks van de deur van beklaagdes woning naar den daarlangs loopenden weg;

G., dat de getuige H. Jans heeft verklaard, dat hij , mede in de nabijheid van Dekker wonende, in den vroegen morgen van Vrijdag 9 Junij 11., ten omstreeks drie uur, den bekl., dien hij zeer goed kent, heeft zien komen van den kant van de schuur van Dekker, en hem heeft zien gaan in zijne woning met een arm vol telhouten, op het oog wel een 20 stuks, waarvan hij, bij de deur gekomen, eenige liet vallen , die hij , na eerst met de overige in zijn huis te zijn gegaan, weder naar buiten gekomen , van den grond opraapte en daarmede andermaal in huis ging;

O., dat de getuigen Philips en vrouw nog hebben verklaard ieder voor zich, dat zij den getuige Dekker, in den morgen van Vrijdag 9 Junij jl., ton omstreeks half zeven uur, hebben zien komen van uit de woning van den bekl., dragende eenige stukken telhout, waaraan nog j

aan enkele vuur was te bemerken , en dat zij die telhouten herkennen in de ten processe aanwezige ;

O., dat de bekl. ter teregtzitting heeft erkend , dat er ten zijnen woon huize ten dage voormeld telhouten zijn gevonden, die hem niet toebehoorden ;

G., dat, in voege voorschreven en alzoo wettig en overtuigend het aan den bekl. bjj dagvaarding ten laste gelegde feit, van het arglistig wegnemen van eenig duizend hout, uit de schuur van en aan Dekker toebehoorende, op den tijd, bij die dagvaarding opgegeven, is bewezen ;

G., dat deze alzoo wettig bewezene daadzaak oplevert het wanbedrijf van eenvoudigen diefstal;

G., dat de schuld van den bekl. aan dat bewezen verklaarde feit, mede in voege voorschreven , wettig is bewezen;

G., dat mitsdien op den bekl. moet worden toegepast het bij art. 401 Strafregt op voorschreven wanbedrijf van diefstal gestelde ;

Regt doende enz.,,

Vernietigt het hiervoren vermelde vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen van den 1 Aug. 1871, tegen bekl. gewezen;

Verklaart, als wettig en overtuigend bewezen , den bekl. schuldig aan het voormelde , hem bij dagvaarding te laste gelegde , opleverende voorschreven wanbedrijf;

Gezien artt. 247, 227, 206 en 219 Strafvord., artt. 401 en 52 Strafregt, welke artikelen, voor zoover hieronder gevoegd, luiden enz.;

Veroordeelt den alzoo schuldig verklaarden P. Emmens tot gevangenzetting in een huis van correctie voor den tijd van één jaar, en in de kosten van beide instantiën , begroot ter somma van / 1 1.895, des noods te verhalen bij lijfsdwang;

Beveelt, dat de gestolen goederen en alle andere voorwerpen, welke in de zaak als stukken van overtuiging hebben gediend, aan den eigenaar of andere regthebbenden zullen worden teruggegeven.

ARRONDISSIMËNTS-REGTBANKEN.

AKliONDISSEMENTS-REGTBANK TE S GliAVENHAGE.

Burgerlijke kamer*

Zittingen van 19 Junij, 5 en 19 December 1871.

Huwelijk onder valschen naam. — Verbetering der huwelijks-

acte. — Nietigverklaring van huwelijk wegens bigamie. — Echtscheiding wegens veroordeeling tot onteerende

STRAF.

W. Hartman, oud veertig jaren, heeft, onder den naam harer zuster C. Hartman, oud dertig jaren, den 23 Oct. 1861 te 's Gravenhage een huwelijk aangegaan met J. A. Wilke.

Laatstgenoemde heeft, na ontdekking der fout, in zijne huwelijksacte voorkomende, aan de Regtbank te 's Gravenhage verzocht de verbetering dier huwelijks-acte.

Nadat, op last der Regtbank, zoowel W. als C. Hartman , naar aanleiding van het ingediend request, waren gedagvaard en een getuigenverhoor had piaats gehad, heeft de Regtbank bij eindvonnis van den 19 Junij 1871 beslist als volgt:

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusie van den officier, strekkende, dat aan den eischer zijn eisch zal worden toegewezen , met veroordeeling van de eerste ged. in de kosten ;

Overwegende, dat de eischer, poserende, dat hij den 23 Oct. 1861 te 's Gravenhage is gehuwd met W. Hartman, geboren te Vianen den 12 Julij 1821 , en dat deze bij die gelegenheid heeft opgegeven den naam en heeft overgelegd de geboorte-acte van hare zuster

C. Hartman, geboren te Vianen den 16 Oct. 1831,— zich bij verzoekschrift tot deze Regtbank heeft gewend, met verzoek, dat de Regtbank moge gelasten de verbetering der voormelde huwelijks-acte, zoodanig, dat de daarin voorkomende woorden: «Cornelia Hartman, oud dertig jaren'/, worden vervangen door de woorden : «Wiliemina Hartman , oud veertig jaren", en dat het later volgende woord '/Cornelia'/ worde vervangen door het woord //Wiliemina//, met last op den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente 's Gravenhage om 's regters uitspraak , in kracht van gewijsde gegaan , dadelijk na haar vertoon in de loopende registers in te schrijven en daarvan melding te maken op den kant der verbeterde huwelijks-acte;

G., dat de Regtbank daarop, bij vonnis van den 16 Jan. 1871, den eischer heeft toegelaten ten deze kosteloos te procederen en de oproeping der belanghebbende partijen heeft bevolen, ten gevolge waarvan de beide gedaagden zijn opgeroepen, en tegen haar, niet verschenen zijnde, verstek is verleend bij vonnis dezer Regtbank van den "27 Maart jl., bij welk vonnis, alvorens ten principale regt te doen en met reserve der kosten , de eischer tevens is toegelaten door getuigen te bewijzen, dat zij, met wie de eischer is gehuwd te 's Gravenhage op den 23 Oct. 1861 , is de ged. W. Hartman , geboren te Vianen den 12 Julij 1821;

0., dat gemeld vonnis ten verzoeke van den eischer aan de beide gedaagden in persoon is beteekend respectivelijk op den 28 April en den 2 Mei jl., met opgave van de namen en woonplaatsen van de drie na te meiden getuigen , welke hij wilde doen hooren ;

O., dat vervolgens ter teregtzitting van den 11 Mei jl. als getuigen zijn gehoord B. van Delft, D. Wr. Wolff en diens huisvrouw A.'Teeuwen, en de eischer,. onder overlegging van meerdere acten van den burgerlijken stand en andere bewijsstukken , heeft geconcludeerd tot toewijzing van zyn voormeld verzoek;

G., dat door den eersten getuige, den rijks-veldwachter van Delft, volgens opgave oud zeven-en-dertig jaren , is verklaard , dat hij te Vianen in hetzelfde huis gewoond heeft, waar ook de familie Hartman woonde; dat W. Hartman, eenige jaren ouder dan hij, is gehuwd geweest met zekeren Huisman; uat diezelfde thans is gehuwd met den eischer en door het Prov. Geregtshof in Zuidholland wegens diefstal is veroordeeld geweest, en dat zij eene zuster had, genaamd Cornelia, die kleiner was dan zij;

(>., dat uit een ten processe overgelegd afschrift eener huwelijksacte blijkt, dat op den 18 Junij l 42 te Vianen zijn gehuwd G. Huisman en W. Hartman , oud twintig jaren , geboren te Vianen, dochter vanC. Hartman en van C. Langeweg; terwijl uit een mede overgelegd afschrift eener acte van geboorte blijkt, dat te Vianen op den 12 Julij 1821 is geboren Wiliemina, dochter van C. Hartman en C. Langeweg;

G., dat door den tweeden getuige D. W. Wolff is verklaard, dat hij Wilke en zijne vrouw reeds vóór hun huwelijk heeft gekend, als verblijf hebbende gehouden in hetzelfde huis, waar deze destijds woonden ; dat hij getuige is geweest bij hun huwelijk, en dat de vrouw van den eischer steeds Mietje werd genaamd en e me zuster had, die kleiner | was dan zij;

G., dat uit het ten processe overgelegd afschrift eener huwelijks- i acte blijkt, dat op den 23 Oct. 1861 te 's Gravenhage zijn gehuwd J. A. Wilke en C. Hartman , dochter van C. Hartman en C. Langeweg , en dat bij dat huwelijk onder anderen getuige is geweest

D. W. Wolff;

O., dat voorts door de derde getuige A. Teeuwen, oud een-en-vijftig jaren , huisvrouw van den tweeden getuige , is verklaard , dat zij in j hare jeugd te Vianen als meisje van haren leeftijd heeft gekend Mietje !

Hartman, welke eene zuster had, die vele jaren jonger en kleiner was en welk Mietje, zoo als zij haar steeds is blijven noemen, als de vrouw van den eischer te 's Gravenhage heeft gewoond in hetzelfde huis, waar zij (getuige) met haren man woonde ;

G., dat uit de verklaringen der getuigen , in verband met de voormelde acten van den burgerlijken stand , voldoende is gebleken , dat de persoon, met wie de eischer is gehuwd, is de ged. W. Hartman , geboren te Vianen den 12 Julij 1821, weshalve de gevraagde verbetering zijner huwelijks-acte kan worden toegestaan :

Gelet op de artt. 70 en volg., in verband met art. 25, B. W. en de artt. 829 en volg. en art. 56 B. R.;

Regt doende bij verstek ,

Gelast de verbetering der acte van het huwelijk, door den eischer den 23 Oct. 1861 te 's Gravenhage gesloten, zoo'danig, dat de daarin voorkomende woorden : «Cornelia Hartman, oud dertig jaren», worden vervangen door de woorden: 'Wiliemina Hartman, oud veertig jaren*, en dat het later volgende woord "Cornelia'/ worde vervangen door het woord "Wiliemina", met last op den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente 's Gravenhage om deze uitspraak, in kracht van gewijsde gegaan , dadelijk na derzei ver vertoon in de loopende huwelijks-registers in te schrijven en daarvan melding te maken op den kant der verbeterde huwelijks-acte, overeenkomstig het bepaalde bij art. 25 B. W.;

Veroordeelt de eerste ged. in de kosten van het geding, daaronder begrepen die, welke bij voormeld vonnis van den 27 Maart jl. zijn gereserveerd.

Nadat bedoelde huwelijks-acte overeenkomstig dit vonnis was verbeterd, heeft J. A. Wilke zijne echtgenoote W. Hartman gedagvaard tot nietig-verklaring van hun huwelijk, op grond, dat zij ged. tijdens het aangaan daarvan nog in het huwelijk was verbonden met G. Huisman, met wien zij den 18 Junij 1842 te Vianen was gehuwd.

Na getuigenverhoor, ingevolge interlocutoir vonnis van den 17 Oct. 1871 gehouden, wees de Regtbank op 5 Dec. 1871 den eisch toe bij het navolgende vonnis:

De Kegtbank enz.,

Gehoord den eischer in zijne conclusiën en gelet op het tegen de ged. bij haar vonnis van 17 Oct. 1871 verleend verstek;

Gehoord de mondelinge conclusie van den officier van justitie, strekkende tot toewijzing der vordering;

Overwegende, dat de eischer, tor, staving zijner bij dagvaarding en bij conclusie van eisch gedane vordering, zoo als die nader is omschreven in na te melden interlocutoir vonnis dezer Regtbank dd. 17 Oct. 1871, tot nietigverklaring van het huwelijk, door partijen den 23 Oct. 1861 te 's Gravenhage aangegaan, en zuiks zonder andere burgerlijke gevolgen, dan alleen ten voordeele van den eischer, zich beroepen heeft op de navolgende feiten : dat hij eischer den 23 Oct. 1861 is gehuwd met de ged. W. Hartman , geboren te Vianen den 12 Julij 1821; dat dezelfde ged. den 18 Junij 1842 te Vianen reeds was gehuwd met G. Huisman, toen hoepmaker, geboren te Hardinxveld; dat dit laatste huwelijk nooit is ontbonden ; dat G. Huisman thans nog leeft; dat hij eischer bij het aangaan van zijn huwelijk met de ged., geheel onkundig, ten deze handelde ter goeder trouw, terwijl de kwade trouw der ged. ontwijfelbaar vaststaat;

G., dat de Regtbank, bij interlocutoir vonnis van 17 Oct. 1871, als bewezen heeft aangenomen, op grond der overgelegde huwelijks-ac:en, dat de eischer den 23 Oct. 1861 is gehuwd met W. Hartman, zijnde de ged., en dat dezelfde ged. op den 18 Junij 1842 is gehuwd met G. Huisman, oud zeven-en-twintig jaren, zoon van P. Huisman en P. Hengstman; dat de Regtbank echter, ten aanzien van het bestaan van dit laatste huwelijk tijdens de voltrekking van het eerste op 23 Oct. 1861, de overgelegde bewijsstukken van den eischer onvoldoende heeft geoordeeld en hem dienvolgens heeft toegelaten tot het door hem aangeboden getuigen bewijs, te houden in tegenwoordigheid der ged. of de/,e althans behoorlijk opgeroepen zijnde, «dat G. Huisman, den 18 Junij 1842 te Vianen met de ged. W. Hartman gehuwd, nog leeft en te Delft woonachtig is«, ouder reserve van kosten van dit incident tot de uitspraak ten principale;

G., dat, nadat zoowel vau dat vonnis als van de dien ten gevolge door den eischer gedane oproeping van getuigen , bij exploit van 13 Nov. 1871 van den deurwaarder C. F. W. Koldeweh , beteekening was gedaan aan de ged., ter teregtzitting dezer Regtbank van den 17 Nov. 1871 is overgegaan tot het hooren van vijf door den eischer opgeroepen getuigen; wordende door den raadsman des eischers te kennen gegeven, dat mede is opgeroepen G. Huisman, met het enkele doel om zijne identiteit door de overige getuigeu te doen staven, doch dat van diens getuigenverhoor wordt afgezien, op grond zijner betrekking van echtgenoot tot de ged.;

dat daarop door de getuigen is verklaard in substantie, als volgt: door B. van Delft: dat hij weet, dat W. Hartman, die thans gehuwd is met den eischer, te voren was gehuwd met G. Huisman, denzelfden die thans ter teregtzitting aanwezig is; door A. = *uisman : dat hij weet, dat G. Huisman , zijn neef, gehuwd is met W. Hartman ; dat die G. Huisman nog leeft en dezelfde is, die thans ter teregtzitting aanwezig is; door P. Huisman: dat hij weet, dat zijn neef G. Huisman, ongeveer acht-en-twintig jaren geleden , gehuwd is te Vianen met W. Hartman; dat die G. Huisman nog leeft en ter teregtzitting aanwezig is ; door G. den Briejen : dat G. Huisman is gehuwd te Vianen in 1842 ongeveer, en thans woont in de Bagijrihofsleeg te Delft; door C. van Houweningen : dat G. Huisman woont in ie Üagijnhofsteeg te Delft;

0., dat hierop door den eischer is geconcludeerd overeenkomstig zijne vroegere conclusiën;

G., dat door deze getuigen-verklaringen alsnu kan worden bewezen geacht, dat deze G. Huisman is dezelfde persoon , met wien de ged. op 18 Junij 1842 te Vianen is gehuwd; waaruit volgt, dat de ged., tijdens haar huwelijk met den eischer werd voltrokken, op den 23 Oct. 1861 , reeds met een ander persoon door hei huwelijk was verbonden, zoodat de vordering des eischers om zijn huwelijk nietig te doen verkiaren is gegrond op de wet en hem moet volgen;

G., dat de eischer verder heeft gevorderd , dat dit huwelijk geene burgerlijke gevolgen zai hebben , dan alleen ten zijnen voordeele , welke vordering hem med j kan worden toegewezen, daar, bij gebreke van tegenspraak van zijde der ged., geene reden bestaat om aan zijne goede trouw te twijfelen; terwijl de kwade trouw der ged. uit het aangaan van een tweede huwelijk, zonder dat het eerste was ontbonden, van zelve voortvloeit;

Gezien de artt. 84, 141, 151, 1:>2 B. \V.;

Regt doen le enz.,

Verklaart nietig het huwelijk, door partijen den 23 Oct. 1361 te 's Gravenhage aangegaan ;

Bepaalt, dat dit huwelijk geene burgerlijke gevolgen zal hebben, dan alleen ten voordeele van den eischer, alsmede dat dit huwelijk overigens zal ophouden burgerlijke gevolgen te hebben , te rekenen van den dag van dit vonnis ;

Gelast den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente 's Gravenhage om dit vonnis in de huwelijks-registers dezer gemeente in te schrijven, en daarvau aanteekening te doen op den kant der huwelijks-acte;

Veroordeelt de ged. in de proces-kosten, met inbegrip van die, welke tol aan de eind-uitspraak zijn gereserveerd.