is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 30, 1868, no 3061, 17-12-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden moeten geweest zijn; dan zoude de gansche maag, het geheele slijmvlies, de gansche slokdarm ontstoken zijn, en niet alleen de plooijen , dan zouden niet alleen streepen zijn waargenomen. Om deze waargenomen verschijnselen te verkrijgen is het niet noodig, dat er meer dan 6 lucifers zijn gebruikt, hoewel eene positieve bepaling der quantiteit moeijelijk zoude zijn, daar bovendien de kopjes in zamenstelling kunnen verschillen. Zij kunnen geene andere oorzaak bevroeden voor een sterven in zoo korten tijd en met deze verschijnselen, en verklaren met het oog daarop, dat de dood aan vergiftiging kan worden toegeschreven ten gevolge van toegedienden phosphorus. De heeren Martin en Deijer hadden hieromtrent verklaard: Hoeveel phosphorus in één luciferskopje bevat is, is moeijelijk met juistheid te bepalen; dit verschilt ook naar mate der verschillende fabrieken; algemeen wordt aangenomen, dat in 8 stuks i/io grein is vervat. Dat deze hoeveelheid den dood van een kind kan veroorzaken, is waargenomen; misschien zou nog minder wel voldoende zijn; voor een volwassen mensch wordt 2 & 3 grein als vereischte hoeveelheid aangenomen. Wanneer te groote hoeveelheid wordt gegeven , ook al wordt die juist door die hoeveelheid spoedig verwijderd, zal toch evenzeer ontsteking ontstaan. Volgens hen is het niet te bepalen , hoeveel phosphorus er noodig zou zijn om bij dit individu deze uitwerking te hebben, daar dit van allerlei omstandigheden afhangt, als b. v. de ontvankelijkheid van het individu. Volgens onderzoekers wordt in het algemeen voor een kind een dosis van lUo grein als doodelijk aangenomen, en zelfs nog minder. Voor hun uitgesproken oordeel is de hoeveelheid phosphorus onverschillig, daar zij geene andere oorzaak voor de ontsteking hebben kunnen vinden. De intermitterende koorts kan tot het ziekte-proces niets hebben afgedaan.

Gevraagd, of, wanneer de waargenomen knoflooklucht eens geheel op zijde wordt gezet, de roode streepen ook zouden kunnen zijn toe te schrijven aan een bij kinderen voorkomend acuut maagdarm-catarrh , waardoor het geheele darmkanaal zou zijn aangedaan, zoodat, wanneer de hoeveelheid phosphorus te weinig ware geweest om den dood te veroorzaken, de ontsteking ook aan dat maagdarm-catarrh zou kunnen worden toegeschreven, — antwoordden zij , dat, ware er geen phosphoruslucht waargenomen, de ontsteking daaraan, t. w., aan het maagdarm-catarrh , wel zou kunnen toegeschreven worden, maar .dat zij nu, na de waargenomen knoflooklucht, niet aarzelden de oorzaak der ontsteking aan phosphorus toe te schrijven.

[Inzender.)

A E RON DISSEMENTS-REGT BANKEN,

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BREDA.

Hamer vnn ütraftakeii.

Zitting van den 2* October 1868.

Voorzitter, Mr. J. J. Loke.

Verantwoordelijkheid tan den bestuurder. Art. 46 , al. 2 , deit wet van 2! Aug. 1859.

Het Openb. Min. tegen J. Urban, wonende te Brussel, directeurgeneraal van den Grooten Belgischen Centraal-Spoorweg.

De Regtbank enz.,

Overwegende, dat uit de verklaringen van onderscheidene getuigen, ter teregtzitting onder eede gehoord, wettig en overtuigend is gebleken , dat de spoortrein, die, volgens de dienstregeling voor den spoortrein tusschen lioosendaal en Breda , door den Nederlandschen minister van Binnenlandsche Zaken laatstelijk vastgesteld, eiken middag ten

7 ure, 40 minuten van eerstgemelde plaats moet vertrekken , om ten

8 ure 20 minuten te Breda aan te komen , in den avond van den *>9 Sept. 11. , eerst ten 8 ure, 8 minuten het station te Roosendaal heeft verlaten en ten gevolge van dien eerst ten » ure, 50 minuten dat te Breda heeft bereikt; alsmede dat tot deze vertraging blijkbaar heeft aanleiding gegeven, dat men te Roosendaal, nadat de trein van Antwerpen die met den eerstbedoelde!) in verband staat, ongeveer 8 minuten te laat was aangekomen , heeft goedgevonden een groot aantal ledige beestenwagens , meerendeels door dien trein aangebragt, van spoor te doen verwisselen en aan den trein naar Breda te doen aan-

''"daTbij art. 22 der «et van 21 Aug. 1859 [Stbl. n°. 98) is bepaald, dat onder anderen de uren van vertrek en aankomst der dagelij ksche treinen door den minister van Binnenlandsche Zaken worden vastgesteld ; dat deze bepaling kennelijk voor de daarbij betrokken personen de verpligting medebrengt om zich naar die dienstregeling te gedragen , daar deze anders geheel zonder beteekeuis zoude zijn; en dat alzoo elke afwijking van die regeling, tenzij door overmagt geregtvaardigd, als eene wets-overtreding moet worden beschouwd;

dat de bekl. J. Urban dit laatste feit niet heeft betwist, maar, gedagvaard als directeur-generaal van de spoorweg-onderneming le Grand Central Beige te Brussel, door welke de voormelde spoorweg van Roosendaal naar Breda wordt geëxploiteerd , onder erkenning dezer qualiteit, enkel heeft beweerd, dat hij voor gedachte overtreding niet strafregtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, omdat bij art. 46, ode al? der evengenoemde wet is bepaald, dat geene veroordeeliug wordt uitgesproken tegen den bestuurder van eene spoorwegdienst, die bewijst het zijne te hebben gedaan om de wet te doen naleven; en omdat bij art 31 van een reglement van orde voor den spoorweg van Antwerpen naar Rotterdam, waarvan de lijn Roosendaal-Breda een zijtak is, door den Raad van administratie der onderneming vastgesteld, aan de stations-chefs de zorg is opgedragen, dat de treinen op den daarvoor bepaalden tijd vertrekken.

dat zulke algemeene opdragt bij een eenvoudig dienstreglement als eene huishoudelijke zaak moet worden beschouwd, wa.iuooi e stra regfelijke verantwoordelijkheid niet kan worden verp aatst, tervuj e ingeroepen wetsbepaling niet in dien zin mag worden verstaan, at de bestuurder, die bij het voorafgaand art. 44 straf ba^r wor vei klaard, ind'ien in strijd niet de wet is gehandeld, om aan e edreigde straf te ontsnappen, slechts zou hebben te doen blijken, dat de zaak of handeling, waaromtrent overtreding plaats had, doorhem aan een ander, en wel aan een ander ondergeschikt beambte, was toevertrouwd ;

dat zoodanige wets-explicatie niet alleen in 't algemeen is onaannemelijk , maar daarenboven door het aangehaald artikel niet wordt gewettigd, daar de tweede alinea, volgens welke de strafbaarheid wordt opgeheven ten aanzien van den bestuurder, die zijnerzijds heeft gedaan wat binnen zijn bereik ligt om de wet te doen naleven , kennelijk in verband staat met de eerste, die alle bestuurders voor de opgelegde boeten solidair aansprakelijk stelt, dat is met andere woorden , omdat gezegde tweede alinea eenvoudig bestemd is , om die solidariteit, waar zij al te bezwarend zou zijn, te beperken, niet om aan den regel van art. 44 te derogeren ;

dat dit laatste artikel alzoo ten deze toepassing moet vinden , en de vervolging ten deze teregt tegen den bekl. is ingesteld ;

Gezien art. 52 Strafregt, en de artt. 207 en 227 Strafvord.;

Regt doende enz.,

Verklaart den bekl. schuldig aan overtreding der wet van den 21

Aug. 1859 (Stbl.. n°. 98), houdende bepaling omtrent het gebruik [dar spoorwegen, door in den avond van den 29 Sept. 11. den trein van Roosendaal naar Breda niet op het bepaalde uur te doen vertrekken ;

En, krachtens artt. 22 en 44 derzelfde wet, benevens art. 1 deiwet van 2 2 April 1864 (Stbl. n'\ 29), luidende enz.;

Veroordeelt den alzoo schuldig verklaarde in eene geldboete van ƒ 200, ten behoeve van den Staat enz. ;

(Gepleit Mr. Charles van Dam.)

Zie arrest Hooge Raad van 28 Oct. 1862, in WeeJcbl. n°. 2430.

ARRONDISSEMlïNTS-REGTBANK TE ARNHEM.

Kamer van Strafzaken»

Zitting van den 10 November 1868.

Beleediging van een magistraatspersoon van het segerings-

bewind in de waarneming zijner bediening, in woorden , strekkende om zijne eer en kieschheid aan te randen.

Betreffen de woorden, den burgemeester in de openbare raadsvergadering door een lid toegevoegd: #dat hij zich schaamde met zulk een persoon te moeten vergaderen als de burgemeester is» , de discussie of de meening van den beklaagde als raadslid over een in behandeling zijnd onderwerp ? — Neen.

Het Openbaar Ministerie, ambtshalve klager,

tegen

J. G. P. C. M. A ., oud drie-en-zestig jaren, particulier en lid van

den Gemeenteraad, geboren te H., wonende te W.

Aangeklaagd ter zake, dat hij op den 12 Sept. 1868 te W., in de openbare vergadering van den^ Raad dier gemeente, aan den heer 1). d. R., burgemeester van diezelfde gemeente, terwijl deze het voorzitterschap van de raadsvergadering waarnam, heeft toegevoegd : «dat hij zich schaamde om met zulk een persoon te moeten vergaderen als de burgemeester was».

De Regtbank enz.,

Gezien het exploit van dagvaarding, op den 22 Oct. 1868 aan den bekl. beteekend;

Gezien het proces-verbaal, den 12 Sept. 1868 door den burgemeester van W., D. d. R., ten laste van den bekl., ter zake voorschreven, opgemaakt;

Gehoord de mondelinge en beëedigde verklaringen van de getuigen, door het Openb. Min. tot bezwaar gedagvaard, alsmede van die a décharge voorgebragt ;

Mede gehoord de conclusie van het Openb. Min., ten deze vertegenwoordigd door den heer subst.-officier van justitie bij deze Regtbank, Mr. G. A. V., door hetzelve voorgelezen en daarna in geschrifte overgelegd, daartoe strekkende: dat de Regtbank, met toepassing van de artt. 222, 463 Strafregt, art. 20 der wet van den '29 Junij 1854 (Stbl. n°. 102), den bekl. zal veroordeelen tot zoodanige matige straf als de Regtbank zal mogen goedvinden, tevens met veroordeeling van den bekl. in de kosten van het regtsgeding, deze kosten, des noods, bij lijfsdwang te verhalen;

Eindelijk gehoord ae bekl. in zijne antwoorden en middelen van verdediging, mede namens hem voorgedragen door zijnen verdediger, Mr. E. S.;

Overwegende, dat uit de volledige bekentenis van den bekl., uit het op zijn ambtseed opgemaakt proces-verbaal van den burgemeester van W.; D. d. R., van den 12 Sept. jl., en uit diens beëedigde verklaring ter teregtzitting, wettig en overtuigend is gebleken , dat de bekl., in de openbare raadsvergadering der gemeente W., op 12 Sept. jl., aan dien getuige, welke het voorzitterschap van die raadsvergadering bekleedde, heeft toegevoegd: "dat hij zich schaamde om met zulk een persoon te moeten vergaderen als de burgemeester was", en bekl. daarop de raadsvergadering heeft verlaten ;

O., dat de mede onder eede gehoorde getuigen a décharge, beide leden van den Gemeenteraad van W., J. C. G. en H. v. Z. hebben verklaard, zoo als zulks ook door den getuige D. d. R. wordt erkend, dat de bekl. in de raadsvergadering zijne afkeuring had te kennen gegeven, dat door den burgemeester geen gevolg was gegeven aan een vroeger raadsbesluit, om een gedeelte der gemeentegronden te laten hooijen, en deze zich zelfs onkiesch hierover zoude hebben uitgelaten, waarop door den bekl. de hierboven vermelde woorden zijn geuit;

dat ook door den getuige v. Z., na het vertrek van den bekl. , is gezegd: dat getuige D. d. R. zijne verpligtingen als burgemeester niet was nagekomen ;

O. , dat bekl. erkent die woorden in drift tegen den burgemeester te hebben geuit, uit hoofde der door de getuigen G. en v. Z. opgegeven reden; dat hij er leed over heeft gevoeld en alles in het werk heeft gesteld om het gezegde als niet gezegd te doen beschouwen, en zich zelfs bereid heeft verklaard, zoo als dit ook door den getuige d. R. wordt erkend, om aan den burgemeester, in de volle raadsvergadering der gemeente W., verschooning voor de doo hem geuite woorden te vragen ;

0., dat namens den bekl. is beweerd:

I °., dat bekl. bevoegd was als lid van den Gemeenteraad de handelingen van het Bestuur goed of af te keuren, en het laatste hier door bekl. was gedaan;

2°. dat hier geene inputatie aan den burgemeester is gedaan, en bekl. dus geene strafbare daad heeft verrigt;

0. echter ad Ilim., dat de woorden, door den bekl. gebezigd, niet betretFen de discussie, of de meening van den bekl. ais raadslid over een in behandeling zijnd onderwerp, doch eene minachtende beoordeeling van den persoon van den burgemeester qua talis ; dat ook , quoad IIum., door de wet alleen wordt gevorderd eene beleediging in woorden , strekkende om de eer en kieschheid aan te tasten, en dat gewis de door bekl. gebezigde woorden dusdanige strekking hadden, daar bekl. daardoor te kennen gaf, dat de burgemeester zulk een verachtelijk persoon was, dat hij als raadslid zich schaamde om met zoodanig persoon als burgemeester verpligt te zijn te vergaderen ;

0., dat de geaardheid en stand van den bekl. den regter allezins aanleiding geven om hem zijne straf in eenzame opsluiting te doen ondergaan;

0., dat het alzoo wettig en overtuigend is bewezen , dat de bekl. bovengemeld feit heeft gepleegd, hetwelk regtens moet worden gequalificeerd als beleediging van een magistraatspersoon van het regerin^sbewind in de waarneming zijner bediening, in woorden bestaande, strekkende om zijne eer en kieschheid aan te randen;

0. dat er zich verzachtende omstandigheden hebben voorgedaan , berustende voornamelijk op de aanleidende oorzaak en bovenal op de door den bekl. aangewende pogingen om het berokkend nadeel in eer en goeden naam te herstellen;

Na beraadslaagd te hebben overeenkomstig art. 206 Strafvord. ;

Regt doende enz.,

Beslist, dat het regtskundig en overtuigend is bewezen, dat de bekl. zich aan het feit, hem bij de acte van dagvaarding ten laste gelegd, heeft schuldig gemaakt;

dat zulks daarstelt, zoo als boven is omschreven, correctionneel strafbaar gesteld bij artt. 222 en 463 Strafregt, 7 en 20 der wet van 29 Junij

' 1854 (Stbl. n». 102) en 1, 2 en 3 der wet van 28 Junij 1851 (Stbl

i no. 68);

; dat er zich ten deze zoodanige verzachtende omstandigheden hebben • voorgedaan, die de toepassing van art. 463 Strafregt, in verband met } art. 20 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n". 102), toelaten' | Gezien art. 222 , 7, I , 2, 3, luidende enz.

Mede gezien artt. 52 Strafregt en 207 Strafvord.;

Veroordeelt, ter zake voorschreven, den bekl. j!'g. p. c. m. a. tot eene gevangenis-straf van twee dagen, in eenzame opsluiting te ondergaan, en in de kosten der procedure ten behoeve van den Staat deze kosten des noods bij lijfsdwang op den bekl. te verhalen geliquideerd tot de som van ƒ3.74.

MENGELWERK.

GEDEELTELIJKE INVOERING DER WET VAN 31 MEI 1861 (Stbl. n°. 49), HOUDENDE EKNE NIEUWE REGTERLIJKE INRIGTING.

AFSCHAFFING DER CONCLUSlëN VAN HET OPENBAAR MINISTERIE IN -BURGERLIJK 13 ZAKEN ANDERS DAN BIJ EEN BEROEP IN CASSATIE,

door

Mr. E. E. Karseboom.

Van de bekwame hand van den heer Mr. E. F. Karseboom zaodezer dagen een kort geschrift het licht, aan bovenstaande onderwerpen gewijd. De schrijver gaf inzonderheid als reden der tegenwoordige uitgave op , dat hij zich niet verantwoord achtte, nu geene politieke beschouwingen zich hierin mengen, niet de stem der ondervinding te doen hooren , in het belang eener instelling , welke hem zeer ter harte gaat, die van het O. M. in Nederland, waarbij, met uitzondering van enkele oefeningsjareu, als substituut-griffier eener Regtbank, hij zijn geheele ambtsleven mogt gevestigd zien.

Voorzeker is het oordeel van iemand, die gedurende eene reeks van jaren , met zooveel lof, onderscheidene betrekkingen bij het O. M. vervulde, van hoog gewigt. Zijne regtskennis en naauwkeurigheid zijn algemeen bekend. De ondergeteekende mogt ze dan ook van nabij opmerken, daar hij met den schrijver vele jaren als ambtgenoot, en nu in de laatste jaren , bij hetzelfde regterlijk eollegie, zij het nu in verschillende betrekking, mogt werkzaam zijn. Ook mij zullen het altijd onvergetelijke jaren zijn, die wij te zamen, als substituutofficier van justitie en als advokaat-generaal te Amsterdam doorbragten. Ja gaarne leg ik de verklaring af, dat de vele jaren, die ik, even als mijn veelgeachte vriend Mr. F. E. K., als lid van het Openbaar Ministerie mogt werkzaam zijn, door mij onder de zeer gelukkige jaren van mijn leven worden genoemd, en de aangename herinnering daaraan mij altijd levendig blijft. En moge er al toe bijgebragt hebben , dat die jaren de meest krachtvolle jaren van ons leven waren, waarin onvermoeide werkzaamheid , opgewektheid en ijver zich in volle ontwikkeling en onbelemmerd konden doen gelden , toch verhoogde, bij aangename zamenwerking, de aard des werkkrings zeiven in mijn oog zijne waarde. Dat levendige deel, dat een ambtenaar van het Openbaar Ministerie aan zoovele zaken neemt, zijne vrijheid, en in menig opzigt ook zijne zelfstandigheid , zijne ernstige verpligting om onpartijdig en naar gemoedelijke overtuiging zijn gevoelen uit te spreken, het groote voorregt om openlijk de zaken te mogen toelichten , en bij voorkeur, waar 't eenigzins mogelijk is, ook de lichtpunten aan te geven, — ziet, dat alles maakte den werkkring van het Openbaar Ministerie, niet het minst bij zoo veelsoortigen arbeid als hy in de hoofdstad opleverde , eene waarlijk boven anderen te verkiezen betrekking. Ik behoef dan ook in geene breedere beschouwingen te treden om, zoo noodig, te verzekeren , dat die betrekking bij mij niet minder hoog dan bij Mr. E. E. K. staat aangeschreven. Was er nu in vele zaken, ik zou haast zeggen, doorgaans, op juridiek terrein , groote overeenstemming in onze beschouwingen; en heb ik zeer dikwerf de juistheid van het fijne regtskundige oordeel van mijn ambtgenoot mogen opmerken en op prijs stellen, — hij vergunne mij thans niet in allen opzigte de gronden in zijn jongste geschrift te kunnen deelen.

Bij het wegvallen uit onze wetgeving van de verpligting en toelating van conclusiën van het O. M. in burgerlijke zaken anders dan bij een beroep in cassatie , moge de betrekking zelve veel van hare aangename zijde, ook voor de vorming van regterlijke ambtenaren , verliezen, — op den voorgrond moet staan de vraag: wat wordt gewenscht geoordeeld voor belanghebbenden , voor partijen, voor de regtsbedeeling? En dit op den voorgrond houdende, kan ik de zienswijze van Mr. E. E. K. niet deelen.

Mr. K. oordeelt, dat het algemeene nut de afschaffing der conclusiën volstrekt niet vordert, maar haar ten stelligste ontraadt: hij acht de gronden, voor de afschaffing aangevoerd, niet zoo gewigtig om die afschaffing van dit gedeelte van den werkkring van het O. M., hetwelk zoo vele jaren, ook na verzekering van zoo velen in den lande en elders, nuttig heeft gewerkt, in het leven te doen treden (ver bl. 10).

De schrijver hecht voorts aan het nut, daarin gelegen, dat de ambtenaar van het O. M. in de bij de wet bedoelde zaken zijne stem in het openbaar belang eu ter bevordering der regtszekerheid en zuivere wetstoepassing doe hooren, en verklaart daartegen in praxi geene bezwaren te hebben bespeurd.

Men heeft gemeend, zegt de heer K., dat die conclusiën zouden zijn overbodig voor den bekwamen, schadelijk dikwerf voor den zwakken regter , die al ligtelijk gemakshalve het oordeel van het O. M. tot het zijne zou maken. Mr. K. verklaart uit te gaan van het denkbeeld van bekwaamheid bij onze regtsmagistratuur, en dat onnadenkende eu zwakke regters in ons land niet bestaan; en gelooft daarom, dat soms gemoedelijkheid, kunde en wetenschap den refter verlangend zullen doen uitzien naar elke bevoegde stem, die hem behulpzaam kan zijn in het jus saum cuique tribuere, in het zuiver uiteenzetten van de feitelijke en juridieke vraagstukken , in de herinnering aan de wegen, welke de regtsmagistraat heeft te bewandelen in zijn heilig ambt, vooral nadat hij de soms sterk dooreen en te<*en elkander inloopende beweringen van partijen heeft leeren kennen welke ook bij de meeste waarheidsliefde eu onpartijdigheid van den regtsbijstand, toch altijd gevaar loopen van eenzijdigheid waamlWn de belangen van ééne partij steeds voor oogen staan én met zoi-pmueten worden behartigd: conclusiën staan gelijk met uitvoeritre ran porten omtrent het feitelijke, de regtsvragen en de opvattingen van regtsdoctoren, welke exposés de bekwame regter niet zal vewmaden. De heei K. vieest ook niet voor eenigeu invloed van Regeringswege Het is, zegt hij in een goed beheerd land, ondenkbaar, dat de Regering zich tusschen partijen in burgerlijke actiën zou stellen eu voor eene der partyen kiezen. Tegenover het beweren, dat het regtswezen geene oefenschool voor ambtenaren behoeft te zijn, stelt de heer lv het nut voor de regtsbedeeling zelve, dat deze geschiede door regtskundig' geoefende mannen , geoefend in al de vertakkingen van het regt; dat als leden van het O. M. daarom ook veeleer"te be°eeren zijn de zoodanige, die niet van de beoefening van het buro-erlijt re<n als het ware zijn uitgesloten. Besparing van tijd en geld°mo2e niet opwegen, wanneer het geldt nut eu degelijkheid, en die besparing