Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 21 Februari 1927

11617

WEEKBLAD VAN HET RECHT

NEGEN-EN TACHTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

~ _ Priis ver iaaraana f40.—, vooruitbetaalbaar per kwartaal; registers afzonderlek berekend;

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrydags. - trys per jaargang j ' exemvlaar

inleef, veröM vc~ den gekeelen joarm. - Lo.e, «—•», —. voldoen vocrHa.de,, f0.30 per evenaar.

Mvertenlie-prij>,l-5 'ZteMto, MnfMb i*M» «*—*«■» «*>"<*"* J*"BL «*• ®<®r*

Recliterlvjke uitspraken ter plaatsing evenals aav ry u ^ Koninaslaan 19. UTRECHT.

's-GRAVENHAGE; andere bijdragen en vouten usr /"*""" — j;

Kneuterdijk 3,

INHOUD

Arresten H. R. (Derde Kamer) 15 en 22 Dec. 1926, (Kamer v. Strafzaken) 2-2 Nov. 1926— Arrest Hof Amsterdam,'1 Dec. 1926 - Vonnissen Arr.-Rb. 's-Hertogenboseh, 20 Maart en 26 Juni 1925; Utrecht. 21 Oet. en 4 Nov. 1925; Zwolle, dU Dec 1925 — Vonnis Kt?. Tiel, 1 Dec. 1926 — Ingezonden Biidrasren : Mr. C. F. J. Gomhuilt, Nogmaals: de testimonia de auditu ; Mr. J H. G. de Groot, Kan een Indisch advocaat in een door een Nederlandschen rechter uitgesproken faillissementsvonnis tot curator worden benoemd? Berichten ftn Mededeelingen: Een studiebeurs van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen; Arrest Ostermann de Staat

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Derde Kamer

Zitting van 15 December 19*26

Voorzitter. Dr. A. Fenteneu van Vlissingen Raadsheeren, Drs C. O. Segers, J. Kosters, B. M. Taverne en G. Kirberger

Wegbelasting in de gemeente Tilburg Terecht is door den Raad van Beroep de voor de onderhavige ,,kazernewoningen" gevraagde vrijstelling van wegbelasting getceigerd. - . • i M i +

Wanneer toch de belangen van den dienst met- eischen, dat de hij \s- Rijks Paardendepot tn dienst zijnde militait en wonen in de ten deze bedoelde woningen, doch zy even goed elders kunnen wonen, zijn de woningen- reeds luer... niet en zeker niet uitsluitend ten dienste van s Ryks Mi'itair Paardendepot en dus ook met te beschouwen als inrichtingen uitsluitend dienende ten algemeenen

nutte. . . bestreden uitspraak

deel 'oan- eet* >'"'chet ha,erneterr^in bevindende Rijks

Militair Paardendepot - gaat reeds hierom niet op. Miinau ua r f d woningen zich bevinden op

^ettl afgescheiden terrein, met uitgang naar een verharden bij de gemeente m onderhoud zijnden weg.

De Hooge Raad enz. ; tie van den Ontvanger der

Gezien het beroepschii mju,\jr«- als vertegenwoordiger

Registratie en Domeinen m 1d « - uitspraak van den van den Staat der Nederlanden te,, te Tüburg van

Raad van Beroep voor de Directe X oo^elegden aan-

I () Febr 1926 betreffende den aan den Staat 1 •» •

:iag hl dfbelasting wegens- onderhoud van wegen in de gemeent6 Tilburg, belastingjaar 1923;

Gehoord den raadsman van den Staat,

Gezien de stukken;

Gelet op de schriftelijke conclusie van den raai BESIER, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van liet beroep;

Overwegende, dat ten deze vaststaat:

<1-1 i- de Staat voor de perceelen, kadastraal bekend gemeente Tilburg Sectie P, no. 1577, huis, en no. 1740 huis en erf, is

goedgekeurd bij K. B.jan t_ 3 ud 1. der Verorde¬

nt voor ^lela'stni0- wor(lt geheven van gebouwde

"■ng bepaalt, dat de » aanhoorigheden belenden aan

'Igendommen, die zelve ot wie klinkers of

openbare wegen, welke verhard ^n niet keien ^ ^

Jn de onmiddellijke namjneui uain »• ■ m>endommen

'etter c, dat geen belasting wordt geheven voor eigendommen,

Welke uitsluitend dienen ten algemeenen nutte ,

dat de Staat, nadat de gemeenteraad wft L-

*h,g had gehandhaafd, dezen bij den Raad van. Beroep beeft be streden on grond dat: 1". de woningen, tei zake waarvan <1 Staat is aangeslagen, staan op kazerneterrein en niet zelve aan de openbare wegen, bedoeld 111 art. 3, lid 1, der Verordening of 111 de onmiddellijke nabijheid daarvan z«n gelegen, zijnde

femelde terreinen geen aanhoorigheid van de worgen doch

ingekeerd de woningen een aanhoongheid en een ondeideel van de kazerneterreinen; 2°. de woningen uitsluitend dienen ten algemeenen nutte, daar de militairen '««'WieMnfe

stfemd. in dienst zijn bij '«Boks Paardendepot e n de kazerne

«eregeld aanwezig moeten zijn, zoodat de *

-milten uitsluitend in het belang van den dienst hun ter be Woning zijn aangewezen en mitsdien vallen onder art. 5,

'' dat Ie BaadIUbeide gronden verwerpend, zijnerzijds den aanslag heeft gehandhaafd,

dfatdd RRaadauitbdehby overgelegde teekening

gebijt ^g» — «

was dat de „nderw^'^^ woninge^^ieh ^ uteing

naar de me"6 kelen verharde Akenstraat, welke in onderhoud 1S!:^er^U dan ook

onmiddellijke nabijheid van een °l5enba™ d n in art. 3

«rt. 1 der Verordening, en dan ook voldoen e ren der Verordening gestelden eisch van belastbaarheid,

„dat als vaststaand kan worden aangenomen, dat de woningen bestemd zijn ter bewoning door personen met liunne gezinnen, die in dienst zijn bij 's Rijks Paardendepot en alzoo als „dienstwoningen" kunnen worden aangemerkt, doch dat zij daardoor nog niet worden eigendommen welke „uitsluitend dienen ten algemeenen nutte, zooals in art. 5, letter c, gemeld voor vrijstelling der belasting wordt gevorderd;

„dat toch eene „dienstwoning" en niet eene woning welke wordt bewoond door personen met gezin, die in dienst zijn H) eene instelling ten algemeenen nutte, alleen dan ook als eene inrichting „uitsluitend" ten algemeenen nutte kan worden aangemerkt, indien het voor de dienstverrichting noodzakelijk is, dat de persoon met zijn gezin speciaal 111 die woning moet zijn gehuisvest en niet in eene andere woning, hetgeen 111 casu

door appellant met is aangetoond; , .

' , dat de onderwerpelijke woningen met daarbij behoorend ei * | dan ook niet kunnen worden beschouwd als inrichtingen „uitI sluitend" ten algemeenen nutte' ;

! O. dat de Staat als middel van cassatie tegen de uitspraak

! heeft aangevoerd: . „

Schending of verkeerde toepassing van «Ie arte. a 1. .1. i 5 c van de Verordening op de heffing cn invordering eener bijzondere belasting Wegens onderhoud van wegen m de gemeente Tilburg, vastgesteld door den Raad dier gemeente, : 26 Jan. 1922, goedgekeurd bij K. B. van ö -lnm 19-2, no. 2^. [ on van de artt. 556, 562. 563. 593, 600, 65b en 1990 B. W„ ! doordat de Raad van Beroep den aanslag van den Staat m de I belasting handhaaft ten aanzien van de kazernewoningen, be¬

woond door militairen in dienst bij s ivijks 1 aaruendepot, welke de Raad zelf als ,,dienstwoningen" aanmerkt en waarbij de Raad vereischten stelt, welke geen grond vinden in de betrekkelijke voorschriften en waarbij hij ten onrechte over het hoofd ziet dat deze kazernewoningen zijn te beschouwen als aanhoorigheid en onderdeel van de inrichting ten algemeenen nutte, zijnde 's Rijks Militair Paardendepot;

O. hieromtrent:

dat, wanneer de belangen van den dienst niet eischen, dat de bij 's Rijks Paardendepot in dienst zijnde militairen wonen in de ten deze bedoelde woningen, maar zij even goed elders kunnen wonen, de rarmingppn reeds h * erom niet en ..zeker niet uitsluitend strekken ten dienste van 's Rijks Militair Paardendepot ;

dat dus de Raad. aannemende, dat de Staat niet had aan¬

getoond, dat het voor de dienstverrichting noodzakelijk was, d.w.z. dat het dienstbelang vorderde, dat de militairen in de woningen woonden, hetgeen de eenige grond was, waarop de Staat de bewering, dat de woningen uitsluitend dienden ten algemeenen nutte, deed steunen, de Raad terecht besliste, dat dit laatste niet het geval was ;

dat de stelling van den Staat, dat de Raad bij deze beslissing over het hoofd zou hebben gezien, dat de woningen zijn te beschouwen als aanhoorigjieid en onderdeel van een inrichting ten algemeenen nutte, te weten : het zich op het kazerneterrein bevindende Rijks Militair Paardendepot, reeds hierom niet opgaat, omdat 's Raads uitspraak inhoudt, dat de woningen zich bevinden op een van het kazerneterrein afgescheiden terrein, met uitgang naar een met keien verharden weg, bij1 de gemeente in onderhoud;

dat het middel derhalve niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep.

Derde Kamer Zitting van 22 December 1926

Voorzitter, Dr. A. Fentener van Vlissingen Raadsheeren, Drs C. O. Segers, J- Kosters, G. Kirberger en M. Polak

Zakelijke belasting op het bedrijf te Rotterdam

Waar vaststaat, dat in het betrokken pand niet meer dan een kleine bergplaats bij hooge uitzondering wordt gebezigd tot het bergen van enkele niet afgehaalde goederen en dat het publiek de goederen ten vervoer afgeeft en vervoerde goederen in ontvangst neemt, m de open lucht aan een walhuisje op de kade en m het bedoelde pand slechts administratieve werkzaamheden worden verricht, kon en mocht dus de Raad van Beroep aannemen dat men hier te doen had met een vervol-onderneming die anders dan in stations te Rotterdam werk-

De "klZht'Zer onvoldoende motiveering der uitspraak van del Raad van Beroep is met gegrond.

De Hooge Raac enz., caSsatie van de commanditaire

Gezien het b™l's^t » C11 en B„ gevestigd te Amstervennootschap onder de firma Uaad van Beroep voor de

dam tegen de f ™ dan, van den 27en Febr. 1926,

directe belastingen I te liotreru.un,

betreffende haren aanslag in «1e zakelijke belasting op het bedrijf van de gemeente Rotterdam, over liet jaar 1923;

Gehoord de raadslieden van party ,

iStWSllflke conclusie van den Advocaat-Generaal BeSIëR. namens den Procureur-Generaal, strekkende tot

óverwegende «hU belanghebbende, ïn genoemde belasting over

uveiicegerae oat "zijnde, bij bezwaarschrift tegen den

\ ooi in . . d h de administrateur aan het Bureau

rri"

den aanslag bij beschikking heeft gehandhaafd;

dat belanghebbende ter zake bij «len Raad van Beroep in beroep is gekomen, aanvoerende, dat zij als beurtdienstonderneming haar bedrijf uitoefent in stations, en dat met name

het pand 110. 65, waarin zij binnen «Ie gemeente

Rotterdam haar bedrijf uitoefent, een station is, weshalve haar bedrijf niet valt onder de genoemde belasting ;

dat de Raad van Beroep, na ten deze bereids twee door den Hoogen Raad vernietigde uitspraken te hebben gewezen, b« zijne thans bestreden beslissing met betrekking tot belanghebbende's grief heeft overwogen :

„dat. appellante van het pand 60 slechts in „e-

bruik had liet voorgedeelte van den beganen grond en de voorzijde van de tweede verdieping, terwijl de rest van het gebouw dat niet aan de firma toebehoorde bij anderen in gebruik was;

„dat zich in eerstgenoemd gedeelte weliswaar twee kleine bergplaatsen bevinden, doch de eene in het geheel niet en de andere slechts bij hooge uitzondering wordt gebezigd tot het bewaren van enkele niet afgehaalde goederen;

„dat vervoerde en ten vervoer aangeboden goederen worden

opgeslagen op de kade van de in de open lucht,

welke plaats appellante van de gemeente Rotterdam ter stede in gebruik heeft; en daar het. publiek goederen ten vervoer afgeeft en vervoerde goederen in ontvangt neemt" ;

waarna de Raad op grond van een en ander aannemend, dat belanghebbende niet kan gezegd worden haar bedrijf uit te oefenen in een station, vervolgens nog heeft overwogen:

„dat appellante 1111 nog wel heeft aangevoerd, dat in genoemd pand de goederen ten vervoer worden aangenomen en vervoerde goederen er ter bestelling gelost worden, en dat daar de geheele administratie wordt gevoerd, alsmede dat het onverschillig is, of in het vaste perceel meer of minder goederen kunnen worden geborgen en of «1e bewaring langer of korter duurt, doch een en ander geen gewicht in de schaal kan leggen, omdat de goederen ten v.ervoer worden aangenomen

aan een walhuisje op «1e kade, omdat het gereedmaken van vrachtlijsten een administratieve bezigheid is, waaruit op zich zelf en ook in verband' met de in deze zich voordoende omstandigheden niet tot het bestaan van een station kan worden besloten en „omdat «1e bedoelde bergruimten door appellante wel worden gebruikt voor de berging van de benoodigdheden van haar bedrijf, doch niet of slechts bij hooge uitzondering tot bewaring van vervoerde, niet afgehaalde goederen, brengende toch de aard van het beurtvaartbedrijf mede, dat «1e vervoerde goederen zoo spoedig mogelijk aan den geadresseerde worden uitgeleverd, terwijl de te vervoeren goederen zoo kort mogelijk voor liet vertrek van het vervoermiddel bij de afzenders worden afgehaald of aan dezen ten vervoer aangeboden" ;

op welke gronden de Raad van Beroep «le beschikking van den Administrateur heeft bevestigd;

O. dat tegen deze uitspraak als middel van cassatie is vooro'es teld •

Schending van art. 16 der wet van 19 Dec. 1914 (Stbl. no. 564), zulks, op grond dat de Raad uit de vastgestelde feiten ten onrechte «le conclusie heeft getrokken, dat het bedrijf van belanghebbende binnen de gemeente Rotterdam niet in een station wordt uitgeoefend;

O. hieromtrent:

dat vaststaat, dat in het betrokken pand niet meer dan ëéne kleine bergplaats bij hooge uitzondering wordt gebezigd tot het bergen van enkele niet afgehaalde goederen, en dat. het publiek de goederen ten vervoer afgeeft en vervoerde goederen in ontvangst neemt, niet in het. pand zelf, maar in de open lucht aan een walhuisje op de kade;

dat de Raad uit deze feiten kon en derhalve mocht afleiden, dat'hier geen sprake is van een goederenstation en dat flus het bedrijf van belanghebbende in (le gemeente Rotterdam anders dan in stations wordt uitgeoefend ; terwijl de Raad op goede gronden heeft uitgemaakt, «lat zulks niet anders wordt, doordien in het pand administratieve bezigheden plaats vinden en daarin wel bedrijfsbenoodigdheden geborgen worden;

O. dat mitsdien het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

Kamer van Strafzaken Zitting van 22 November 1926

Voorzitter, Jhr. Dr. W. H. de Savornin Dohman Raadsheeren, Drs H. M. A. Savelberg, Jhr. Rh. FbHth, B. Ort en B. M. Taverne

De omstandigheid, dat preservatifs en baar moederkransen middelen zijn ter voorkoming van zwangerschap is van algemeene bekendheid, zoodat zij zonder bewijs door den rechter kon worden aangenomen.

De door den rechter als bewezen aangenomen feiten- en omstandigheden behoeven niet rechtstreeks uit de aangegeven bewijsmiddelen te blijken.

Art. 451 ter Swb. vordert niet, dat in het verspreide geschrift met- zooveel woorden wordt gezegd dat de als verkrijgbaar aangewezen voorwerpen zijn middelen tot voorkoming van zwangerschap.

P. B.. koopman, oud 62 jaar, geboren en wonende te Utrecht, is requirant van cassatie tegen een te zijnen, laste gewezen vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Utrecht, van den 22en Juni 1926, waarbij, in hooger beroep, met vernietiging van een door het Kantongerecht te Amersfoort, op 14 April 1926 gedane uitspraak, requirant, ter zake van „eenig middel tot voorkoming van zwangerschap door verspreiding van eenig

Sluiten